Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De uitdeling van het Heil

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De uitdeling van het Heil

De ambten bij Martin Bucer*

10 minuten leestijd

De conclusie, die dr. Van 't Spijker aan het eind van zijn boek over de ambten bij Bucer aan zijn onderzoek verbindt, zijn van niet gering belang voor onze ambtsopvatting, ook vandaag. We geven ze hierbij door, terwijl we telkens bepaalde gedeelten uit het boek daarin laten meespreken.

Priesterschap aller gelovigen — missio Dei Alles concentreert zich bij Bucer inzake zijn ambtsopvatting op de alleenheerschappij van Christus door de heilige Geest in de kerk. Hij is het Hoofd van Zijn Lichaam, de gemeente, die naar haar wezen vergadering van wedergeborenen is, door een waar geloof toegebracht. Dat brengt met zich mee, dat Bucer elk hiërarchisch getint vicariaat (de paus, enz.) afwijst. In de liefdesgemeenschap onderling in de gemeente van Christus (Bucers kerkbegrip heeft een sterk sociale inslag) functioneert het ambt zowel als een zeer speciale uitdrukking van het priesterschap aller gelovigen alsook als een gave van Christus, waardoor Hij op een 'ordelijke' wijze Zijn heil in Zijn gemeente verwerkelijkt.

Christologische verdieping

Bij de historische groei, die Bucer doormaakte, valt het o.a. op, dat hij zijn gedachten over het ambt steeds meer christologisch uitdiepte. Woord en Geest werden nauwer op elkaar betrokken. Aan de zichtbare zijde van de kerk werd groter betekenis toegekend. Christus verleent Zijn genade en de vergeving der zonden in de gemeenschap der heiligen.

De tucht. Kerk en staat

Over de historische factoren, die een rol speelden bij de ontwikkeling van Bucers ambtsleer, zijn strijd met Rome en de Anabaptisten (Wederdopers), schreef ik eerder. Het valt daarbij bijzonder in het oog, dat Bucer de eis van heiligheid der gemeente, zoals de Dopersen die stelden, niet minder dan zij zag liggen. Grote nadruk legde hij steeds op de beoefening van de tucht. Graag zou hij deze mede via het instituut van de 'Kirchspielpfleger' (zie onder) over heel de breedte van het maatschappelijke leven in Straatsburg hebben uitgebreid. Bucer was bezield met een theocratisch élan. Toen echter de plaatselijke overheid weigerde aan Bucers opvattingen over de tucht te voldoen, heeft de Reformator van Straatsburg zich moeten terugtrekken in het stichten van kleine gemeenschappen ('Christliche Gemeinschaften'), levende gemeentekernen, die haar eigen ambtsdragers (zonder staatsbemoeienis) zouden kiezen. Zij moesten het kerkelijke leven buiten de directe invloedssfeer van de overheid om leiden. Zo heeft Bucer getracht de zaak van de tucht van binnenuit voort te zetten. Kerk en overheid kwamen daardoor min of meer tegenover elkaar te staan. Het bleek noodzakelijk op te komen voor de zelfstandigheid van de kerk.

Vóór de breuk met de overheid had Bucer voorstellen gedaan in zijn kerkordelijke concepten om de magistraat nauw betrokken te doen zijn bij het examineren van de candiaten tot de heilige dienst en bij het toezicht op de dienende ambtsdragers (de predikanten bijzonder). Bucer idealiseerde toen de verhouding tussen kerk en staat dusdanig, dat hij de zg. 'Kirchspielpfleger' bij mandaat van 30 oktober 1531 door de magistraat aangesteld, meende te kunnen aanwenden om de zaak van de reformatie in heel Straatsburg door te zetten. Deze 'Kirchspielpfleger' (door de magistraat benoemd in de verhouding: éen uit magistraat, éen uit schepenen, éen uit gemeente) zouden toezicht houden in de verschillende wijken van de stad op het pastoraat en de pastores. In feite echter betekenden deze overheidspersonen straks een grote hindernis voor de christelijke gemeente, toen de overheid in de doorvoering van de tucht met Bucer niet meeging. Vandaar, dat Bucer zich terugtrok op de bases van de christelijke gemeente. Hoezeer Bucer bezield was met een ijver voor de heiligheid van leer en leven in de gemeente en de stad, blijke uit een voorbeeld, dat in bijna al zijn geschriften over de tucht voorkomt. Dat van Ambrosius, die keizer Theodosius niet eerder weer tot de samenkomsten der gemeente wilde toelaten, dan toen hij publiek berouw getoond had over zijn afdwalingen.

De uitoefening van de sleutelmacht ook in de handhaving van de kerkelijke tuchtoefening zag Bucer als een zaak van allen aan allen. Anders dan Zwingli, die de overheid tot 'Zuchtherrin' maakte, accentueerde Bucer steeds meer de autonomie van de kerk en haar ambt, naarmate hij te maken kreeg met de onwil van de overheid om de tucht door te zetten. Daarin blijkt Bucer geheel in overeenstemming te zijn met Oecolampadius.

charisma en ambt

Vervolgens valt het op, dat charisma en ambt ten nauwste bij Bucer op elkaar betrokken zijn. ledere gelovige heeft zijn eigen gaven van Gods Geest ontvangen. En daarin ligt ook zijn roeping. Zo ligt dan ook de roeping van de ambtsdragers in de bijzondere gave, die hij daartoe van God ontving. Het charisma (de genadegave) is meteen ook de opdracht. De kerk herkent, als het goed is, deze roeping, in de gaven geschonken en verkiest daarom haar ambtsdragers op een 'ordelijke' wijze.

Bucer wil niet weten van een beschouwing, waarbij het charisma geacht wordt te behoren bij de oorspronkelijke (NTische) gemeentevorming, terwijl de ambtsopvatting van de pastorale brieven (Timotheus, Titus, Filemon) geplaatst wordt in het kader van de vroeg katholieke ontwikkeling. De Nieuw-testamentische canon is één. Dat wil zeggen, dat Bucer exegetisch de gegevens van 1 Cor. 12, Rom. 12 en Ef. 4 verbond met die van de pastorale brieven.

Gemeente en ambt

Sterker dan zo heeft Bucer het ambt niet aan de gemeente kunnen binden. Via de bijzondere genadegaven, door Christus verleend in de weg van het algemeen priesterschap der gelovigen, voedt Christus Zijn eigen Lichaam. Ambt en gemeente buigen samen onder het éne Hoofd, Christus. Het ambt komt dus niet uit de gemeente op, het staat er ook niet tegenover. Is er een tegenover, dan is het dat van het Woord.

Verscheidenheid in het ambt. Geen bisschoppelijke lijn

Over de verscheidenheid in het ambt spreekt Bucer niet in die zin, dat het aantal ambten te bepalen zou zijn. Hij kent niet alleen maar het bekende drie-of viertal (ouderling, predikant, diaken, doctor). Het kunnen er, al naar gelang de behoefte van de gemete meer zijn. Specialisatie is dus niet uitgesloten. De grondstructuur dient in ieder geval presbyteriaal te zijn. Nadruk blijft liggen op het ouderlingenambt. Er zijn (zoals bij Calvijn) leer-en regeerouderlingen en zelfs de diaken heet bij Bucer de derde soort van presbyter. De ouderling dient ingeschakeld te zijn bij de toelating tot de dienst des Woords en in het bijzonder bij de uitoefening van de tucht.

Reeds eerder merkten we op, dat deze visie van Bucer niet opgevat kan worden als een ruimte-scheppen voor de bisschoppelijke lijn, ook al heeft hij de figuur van de bisschop bij al zijn critiek op het Engelse episcopaat niet zonder meer veroordeeld.

Helaas is, dtmkt ons, Bucer al te optimistisch geweest in zijn vertrouwen, dat de hiërarchische elementen bij een waarlijk geestelijke vulling van de ambten, geleidelijk aan zouden verdwijnen. De aanpassing aan de behoeften van zijn tijd en terwille van de droom der hereniging, is trouwens niet datgene, wat ons bij Bucer het meeste aanspreekt.

Overigens was Bucer wel de bisschop (superintendent) van Straatsburg, daartoe officieel benoemd door de overheid (1541) maar stelde hij tegelijk eigen prioriteit discutabel door zich te omringen met een moderamen.

Ook is, dunkt rhij, de ruimte, die Bucer laat in zijn presbyteriale ambtsopvatting voor specialisatie, niet in die zin op te vatten, dat de inhoud van de ambtelijke arbeid bepaald zou mogen worden door de behoeften van de gemeente. Aan een zeke­ re specialisatie is niet te ontkomen. Maar Wcinneer wij de behoeften van de huidige veelszins gedegenereerde gemeente als maatstaf zouden willen aanleggen voor de vormgeving en vulling van de kerkelijke ambten (met specialisatie op voorschrift van sociologie en psychologie) verwijderen we ons in elk geval van het Bijbelse grondpatroon van het ambt als een instituut van Christuswege tot verdieping van het geestelijke leven met Christus en elkaar. Over de inhoud van het pastoraat heeft Bucer trouwens dusdanig geschreven, dat daarbij de persoonlijke zielzorg aan de mens in geestelijk en lichamelijk opzicht meteen in het oog valt.

Een keus uit de N.T.-ische gegevens!?

Als laatste opmerking nog het volgende (Over de tucht, punt 7 van de conclusies in het boek van dr. Van 't Spijker) schreef ik reeds. Bucer heeft zijn opvatting over het ministerium Ecclesias (de ambelijke bediening in de kerk) afgelezen uit de Schrift (als totaliteit), zonder daarbij biblicist te worden. Ook wist hij zich levend verbonden met de kerk der eerste eeuwen. Dr. Van 't Spijker schrijft: 'Hier ligt naar ons inzicht éen van de oorzaken, dat Bucer tot een keuze kwam ten aanzien van de vele kerkelijke functies, die het Nieuwe Testament noemt. Hoe is het anders te verklaren, dat van de vele charismatische diensten uit het Nieuwe Testament in feite slechts enkele een rol .speelden in Bucers ambtsopvatting'. Dr. Van 't Spijker meent, dat Bucer door het aanbrengen van een grote mate van specialisatie binnen het presbyteraat, meer dan andere hervormers recht gedaan heeft aan de gegevens van de Schrift.

Als wij de lezing van dit prachtige boek over Bucer beëindigen met grote dankbaarheid voor alles, wat ons hier geboden wordt, zetten we bij dit laatste toch een enkel vraagteken. Eerlijk gezegd hebben wij uit de verzamelde gegevens over Bucers ambtsleer niet kunnen aflezen, dat Bucer 'een grote mate van specialisatie in het ambt' begeerde. Bovendien hebben we ook niet de indruk, dat de door Bucer voorgestelde ambtsstructuur van de kerk door hem gezien is als een ketize uit de veelheid van Nieuw-Testamentische gegevens, afgestemd op de behoefte van de tijd. We dachten, dat zelfs in de Nieuwtestamentische gemeente, niet ieder charisma of charismatische bediening gewaardeerd is als dat charisma, dat leidt tot het ouderlingschap in ambtelijke zin. Als Bucer en andere reformatoren met hem de predikant, ouderling en diaken (doctor) naar voren haalt als degenen, die leiding geven in de gemeente, dan moge daarmee een verdere specialisatie niet geheel uitgesloten zijn, maar ik zou het toch liever niet een keuze uit 'de veelheid van de Nieuw Testamentische kerkelijke functies' willen noemen. Alsof we bij een andere (ook mogelijke) keuze tot een andere gemeente-en ambtsstructuur ktmnen komen, met net zoveel recht van spreken.

Het argument, dat de reformatoren slechts een keuze deden al naar gelang de behoefte van hun tijd, is de laatste tijd meer gebruikt. Men weet, dat dit dan éen van de argumenten is om de kerk te beroven van een bestaande (verouderde) ambtsstructuur. Naar ons inzicht mag hetgeen de reformatoren, bij alle verscheiden heid, ons over het ambt leerden en wat in onze belijdenisgeschriften is vervat, de beste vertolking heten van wat de apostolische verordeningen in het Nieuwe Testament ons als noodzakelijk en goed voor de opbouw van Christus Lichaam voorhouden.

Dat de schrijver van het boek over Bucers ambtsleer niet voor heeft om het breekijzer te zetten in een bestaande ambtsstructuut als onder ons, kan ieder weten. Niettemin blijft het onze vraag, of de opmerkingen, die we boven aanhaalden, historisch gesproken recht doen aan de zaak.

Er zou veel meer te noemen zijn, o.a. de prachtige uiteenzettingen over de taak van de diaken, de betekenis van de handoplegging (In tegenstelling tot de apostolische successie). We beëindigen de bespreking van dit rijke boek niet zonder onze hartelijke dankbaarheid uitgesproken te hebben voor het vele, dat ons aangeboden is. In een tijd, waarin aan haast alles, en ook aan het ambt getornd wordt, komt dit boek niet te vroeg en niet te laat. Of er ook naar geluisterd en gedaan wordt? Als Christus Zijn kerk regeert, dan waakt Hij ook over de Zijnen in die zin, dat Hij waakt over de dispensatio (uitdeling) van het door Hem verworven heil.

Zeist

C. den Boer


* Dr. W. van 't Spijker, De ambten bij Martin Bucer; uitgave J. H. Kok N. V., Kampen; 480 pag., ƒ 28, 75.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De uitdeling van het Heil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken