Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het onkruid tussen de tarwe IV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het onkruid tussen de tarwe IV

6 minuten leestijd

Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: et koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker. En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe en ging weg... Matth. 13 : 24—30 Matth. 13:36—43

Wat daaraan te doen?

Met deze vraag vatten we de draad van de gelijkenis weer op. Het was de vraag van de slaven. 'Heer', zeggen ze in hun ijver, 'zullen we al dat onkruid er niet gauw uittrekken? ' Zij verwachten dat de boer zeggen zal: 'ja natuurlijk, opruiming houden. Aan het wieden jongens. Eruit met dat onkruid'.

Zij menen het echt. Precies zoals wij geneigd zijn op te treden. Die wel en die niet. Toch krijgen zij van de bouwboer geen fiat om hun gang te gaan. Nee, beste mensen, nu niet aan het wieden, maar de hele zaak laten opwassen en laten rijpen tot de bestemde tijd van de oogst.

Wil hij daarcee verdraagzaam zijn jegens het onkruid? Dat in geen geval.

Maar de heer van de akker behoudt zichzelf het recht voor om de uiteindelijke scheiding aan te brengen. Precies zo handelt Jezus, 't Is niet dat Jezus geen scheiding wil tussen rechtvaardigen en goddelozen, tussen ware-en schijn christenen, tussen leven en dood. Wonderlijk genoeg, maar wel opmerkelijk, de landheer wil niet dat zijn slaven gaan wieden met het oog op de tarwe. De wortels van het onkruid en de tarwe waren inmiddels zo in elkaar gegroeid, dat het voor de tarwe nadelig zou zijn als op dit moment het onkruid er tussen uitgehaald werd.

Voorzichtig met de tarwe, anders gaan hun tere worteltjes er aan en gaat de tarwe dood. De Heere van de grote oogst is zuinig op het kleinste plantje.

Pas op voor die ruwe hand en dat driftige hart. Met wieden maak je zoveel stuk. Wij hebben veel opdrachten, waar we wel eens wat meer aan mochten doen. Maar niemand krijgt van God opdracht om te wieden, om wat er aan verkeerds groeit uit te halen. Waarom niet? Opdat ge ook mogelijk met het verkeerde het goede niet uittrekt. Het is heel goed mogelijk — omdat wij maar aanzien wat voor ogen is — dat we tarwe voor onkruid aanzien en omgekeerd. Misschien is de voetstap van Christus wel over de akker van een zondaarshart gegaan, toen die zondaar nog een kleuter was en is het goede zaad er diep ingevallen. Toen kwam de boze er achteraan. Hij deed zijn nachtelijk werk. Wat een onkruid, wat een goddeloos leven. Heere moet die niet nodig weg? Laat maar staan, straks komt de oogst.

Ineens komt Gods werk openbaar. Wij hadden de goddeloze Manasse er al lang uitgetrokken en Saulus van Tarsen en David misschien wel en zo velen meer. Maar hoeveel tarwe zou er dan niet verloren gegaan zijn? Gods werk draagt soms vrucht na vele, vele jaren. Kohlbrügge zegt van Manasse: 'Dat hij bad in de gevangenis had hij niet van de afgoden geleerd, maar van zijn godvrezende vader en moeder.

Een allesbeslissend einde

Van dat einde spreekt de oogst. Gods einde valt wat betreft de tijd samen met de oogst. Dan gaan de dienaren uit, dat zijn niet de slaven aan wie het wieden niet 'is toegestaan. Ze heten in de gelijkenis de maaiers. Alweer hoeven we niet te gissen wie dat toch wel zijn; de maaiers zijn de engelen (vs. 39). Deze maaiers brengen de tarwe samen in de schuur, de hemelse bewaarplaats van al Gods kinderen. Het huis des Vaders, de Tempel Gods, waar ze de Heere dienen zullen nacht en dag.

Voor de grote scheiding heeft de Heere ons mensen niet nodig, dat doet Hij Zelf. Voor het maaien heeft Hij ons evenmin nodig, daar heeft Hij apart personeel voor, de engelen. We zijn wel eens moedeloos als we al dat onkruid maar welig zien tieren. We hebben het er wel eens intens moeilijk mee als we al de werkers der ongerechtigheid zien bloeien ... We mogen zonde gerust zonde noemen en de zondaar bij zijn ware naam. We hoeven tegen onkruid geen tarwe te zeggen en tegen wat zich als tarwe openbaart op de akker geen onkruid. Want al moeten wij ze beide laten staan, nochtans openbaart zich onkruid als onkruid en tarwe als tarwe.

Verder moeten wij doen wat het moeilijkste is, wat ons de meeste inspanning en zelfverloochening kost; zaaien. Niet wieden. Want God zegt: loze halmen van echte onderscheiden is uiteindelijk Mijn zaak en niet de uwe.

Kunt u weten of er onder het onkruid een plantje verborgen is, dat omhoog schiet aan de voet van het kruis? ze zijn er die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en hunkeren naar vrede met God. Ik weet wel, Gods zaadkorrels zijn soms vreemd verpakt als tarwe tussen het onkruid. Maar straks ... Dan komen de maaiers en zij binden het onkruid in bossen bij elkaar. De eindbestemming van de kinderen des bozen is een oven van brandend vuur. Wening zal er zijn en knersing der tanden. Het heet de plaats der buitenste duisternis. Eeuwige verstoting van voor Gods aangezicht. Niet om mee te spotten, zeker niet om er mee te schermen.

Huiveringwekkende realiteit om er rekening mee te houden en zoeken te ontvlieden de toekomende toom. Eeuwige verdoemenis. We schrijven het bevend neer. Door een opzettelijke daad Gods wordt de scheiding zichtbaar gemaakt. Alle ergernissen, alle aanstoot en alle daders van ongerechtigheid naar het vuur. Zo is er een rijpen in de zonde, de grote oogst tegemoet.

Maar door alles heen gaat er een roep uit tot bekering. Stel uzelf de vraag: ben ik voor de schuur of voor het vuur? Het heden der genade is de zaaitijd. Bid de Heere van de oogst om nederwaarts te wortelen en opwaarts vrucht te dragen.

Op de akker der wereld staat ook tarwe. Dat zaad is goed. Het is een zaad door de Heere gezegend. Het zijn de kinderen des koninkrijks, rechtvaardigen, vrijgesproken dus en vrijgekochten des Heeren. De tarwe zal het halen tot de oogst. Als tarwe staat Gods Kerk te rijpen in de bittere beklemming van het onkruid, de kinderen des bozen. Ze kunnen zich daarvan niet afzonderen en een apart hoekje op de akker vormen. Ze zijn in de wereld, niet van de wereld. Juist in het samen opgroeien zal openbaar worden waarin ze zich van het onkruid onderscheiden. Hierin dat zij werkelijk leven uit het Woord.

De grote Zaaier weet wat Hij gezaaid heeft; goed zaad.

De vrucht van een handvol koren zal ruisen als de Libanon. Dan zullen Gods kinderen uit de schaduw en de hatelijkheden van de Gode-vijandige-wereld gebracht worden in de hemelschuur om te blinken als de zon in het koninkrijk des Vaders.

Huns Vaders, zegt Jezus. Wat is dat rijk en diep en groot.

God is geen vreemde. Hij is hun Vader. Zoals een zonsopgang vanaf de toppen der Alpen een onvergetelijk, onvergelijkelijk schouwspel der natuur is, zo heerlijk. neen, nog heerlijker zullen de rechtvaardigen opgaan als de zon.

Stralen en blinken in bovenaardse glans en heerlijkheid van eeuwigheid tot eeuwigheid. Dat is de erve der vromen. Als God zal zijn Alles en in allen. De grote Zaaier komt binnen met Zijn oogst.

Ja Hij zal zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur. Zijn schoven dragen in de schuur.

B.

H. Visser

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 17 August 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het onkruid tussen de tarwe IV

Bekijk de hele uitgave van Thursday 17 August 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken