Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De schuldvraag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De schuldvraag

13 minuten leestijd

Ik borduur nog even wat verder op' het artikel, dat ik enkele weken geleden schreef in de serie over de Gereformeerde Gezindte. Ik stelde daarin de vraag of in de vorige eeuw bij Afscheiding en Doleantie de eenheid van het Verbond verbroken mocht worden of dat het, zoals ten tijde van Israël in het Oude Testament, moet gaan om verbondsvernieuwing. Ik stelde ook de vraag of het Gods bedoeling kon zijn dat met Afscheiding en Doleantie een proces op gang werd gebracht van een herhaald uitéénscheuren van het lichaam van Christus. Ik stelde ook de vraag naar de schuld, in die zin of in de huidige kerkelijke verdeeldheid de schuld wel diep genoeg wordt gevoeld en gepeild. Ieder loopt voor eigen huis en het huis des Heeren wordt woest gelaten.

Ik ontving daarop onder meer een brief van iemand uit de kring van de Afscheiding, die de schuldvraag zó interpreteerde dat ik had moeten zeggen: de schuld ligt bij de Hervormde Kerk, want die heeft De Cock eerst afgezet en pas daarna heeft hij de Acte van Afscheiding getekend. De schuld ligt bij de Hervormde Kerk, want die heeft De Cock 'eruit gegooid'. Ik moet zeggen dat deze briefschrijver niet heeft gepeild wat ik bedoelde. Het ging er mij niet om wie de schuldige was bij de Afscheiding. Natuurlijk heeft de Hervormde Kerk een groot stuk schuld ten aanzien van alles wat de Afgescheidenen in de vorige eeuw is aangedaan. Dieper nog — dat schreef ik ook in mijn vorige artikel — juist ook ten aanzien van het verbond staat de Hervormde Kerk ten zeerste schuldig, gezien het feit dat Christus als het Hoofd van het Verbond niet die plaats kreeg die Hem rechtens toekwam.

Maar toch stel ik opnieuw de vraag: peilen we de schuld van de verdeeldheid, van het breken van de eenheid van het verbond nog wel? Want we staan als kerk van Nederland hier schuldig, omdat het voor God nimmer te verantwoorden is dat we als kerk van Nederland — om welke aanwijsbare en begrijpelijke oorzaken dan ook — in zoveel delen uiteen zijn gevallen. Ter illustratie van wat ik bedoel laat ik in dit artikel wat stemmen uit het verleden aan het woord.

Brakel-Koelman

Toen Jean de Labadie in de zeventiende eeuw een zuivere kerk wilde pellen uit de afvallige Hervormde Kerk vond hij mannen als Wilhelmus a Brakel en Jacobus Koelman tegenover zich. Brakel noemt in zijn Redelijke Godsdienst de Labadie meermalen en zegt o.a.: 'Men moet zich nooit van haar (van de kerk, v. d. G.) afscheuren en die verlaten onder voorwendsel van de verdorvenheid der kerk om een zuivere op te richten, want de Heere heeft nooit zulk werk gezegend. Daar zijn te allen tijde zo in de eerste kerk, vóór de overheersing derzelve door de antichrist, als daarna van de tijd der hervorming af, zodanige geweest, die zich onder dat voorwendsel van de kerk afscheurden, doch de Heere heeft er altijd in geblazen en zij zijn vanzelf gesmolten als de eerste aanleiders gestorven waren. (Redelijke Godsdienst, uitgave D. Bolle, Rotterdam, deel l, p.604).

Koelman heeft een tweetal boekjes over de Labadie geschreven, te weten: Historisch verhaal nopens d er Labadisten-scheuring (1682) en Der Labadisten dwaling grondig ontdekt en wederlegd (1684). Hij schreef daarin onder meer dat het een onschriftuurlijke en valse stelling is dat wanneer een kerk zeer verdorven en vervallen is en de kerkelijke tucht niet recht beoefend wordt, de gelovigen zich dan van die kerk zouden moeten afscheiden en een nieuwe kerk zouden moeten stichten. Dat kan nooit uit de Schrift bewezen worden, zo zegt hij, wèl het tegendeel. Hij noemt als argument dat 'de vromen van de Joodse Kerk, hoe verdorven zij ook dikwijls was in de voorgangers en lidmaten', niet mochten afscheiden maar bij haar moesten blijven en 'de godsdienst onder haar en met haar verrichten'. De profeten hebben in de meest verdorven tijd nooit een afscheiding gepredikt, maar vanuit het verbond het volk opgeroepen tot vernieuwde gehoorzaamheid.

Tegenover de Labadie, die het verbond alleen beperkt zag tot de ware gelovigen en die daarom de gelovigen wilde uitpeilen uit de kerk stelde Koelman op grond van de Schrift dat het verbond de gelovigen en hun zaad betrof. Met Calvijn wees hij erop dat het verbond zich uitstrekte over de gehele gemeente, over de hele kerk, waarin kaf en koren is — altijd geweest is en blijven zal — en waarin zelfs de dwaalleer zijn kan. Ondanks de afval blijft toch het verbond van kracht. Dat zicht op het verbond maakt het onmogelijk de eenheid van het verbond te breken. Ook Paulus wekt daartoe in het Nieuwe Testament niet op, zelfs in Corinthe niet, waar de ongerechtigheid welig tierde tot aan de avondmaalstafel toe. Wel riep Paulus op zich af te scheiden van de heidenen en hun gebruiken maar niet om zich af te scheiden van de gemeente. Aldus Koelman. Bij Brakel treffen we dezelfde lijnen. Men leze daarvoor zijn prachtige uiteenzetting over de kerk in zijn Redelijke Godsdienst.

Ledeboer-Ten Bokkel Huinink

Dan wat de schorsingen betreft. Ledeboer is buiten de Hervormde Kerk geraakt — óók geschorst — nadat hij het gezangboek en de reglementenbundel begraven had. Ik noem dat hier omdat de briefschrijver, die ik in het begin aanhaalde, wees op de schorsing van De Cock. Hoe heeft Ledeboer zijn schorsing verwerkt? Acht jaar na zijn afzetting had hij nog geen kind gedoopt omdat hij geen eigen kerk wilde. Ondanks alles bleef hij op de Hervormde Kerk aangelegd. 'God zal haar ons wedergeven', zei hij en daarom kon hij ook zeggen: houd die kerkgebouwen maar goed bij.

Opmerkelijk is wat hij in het latere van zijn leven over zijn gemeente zei: 'Betreurenswaardig is de toestand van de ge-' meente. Mijns is de grootste schuld. Wat ik ervan zien mag te mijnen opzichte wil ik 't eerst openbaren of aan den dag leggen. Dit is vleeselijk begonnen, vleeselijk voortgezet en de Heere verhoede dat het niet wordt vleeselijk geëindigd. Vleeselijk begonnen, op mensen gesteund. God uit het oog en hart verloren. Menselijk gewerkt. Menselijk bijeengeroepen, besluiten genomen, ouderlingen aangesteld. Alles buiten het Woord, zonder voorafgaand onderzoek, beproeving, vasten en bidden, zonder des Heeren mond naar behoren te raadplegen en dus zonder God en Zijn zegen. Het is tevergeefs op bouwen toegeegd als de Heere zelf het huis niet bouwt.' Een merkwaardige uitspraak!

Ledeboer was bevriend met ds. Ten Bokkel Huinink, die oorspronkelijk vrijzinnig predikant was maar in Sprang tot bekering kwam. Toen deze predikant te Oud-Alblas stond ging Ledeboer hem opzoeken om er eens met hem over te praten hoe hij toch nog Hervormd kon blijven. Toen 'ze echter aan het praten waren spraken ze wel over geestelijke dingen maar over dat ene niet. Toen Ledeboer naar huis ging besefte hij dat pas maar begreep hij óók waarom Ten Bokkel Huinink bleef.

Wanneer de kerk schuldig staat lossen we de schuld niet op door de eenheid te verbreken. De vraag is of zo de schuldvraag nog leeft bij Hervormden, Afgescheidenen en Dolerenden.

Ds. Keek

Ik wijs nog op een ander geval. In 1916 werd ds. D. Th. Keek, predikant te Bergambacht geschorst omdat hij weigerde kinderen in te schrijven in de doopboeken, die in een andere gemeente bij een niet rechtzinnige predikant waren gedoopt. Hij kwam toen terecht in de buitenkerkelijke gezelschapskringen. Zeven jaar na zijn afzetting, in 1923, keerde hij terug in de Hervormde Kerk en schreef hij aan de gezelschapsmensen een brief. In die brief komen verschillende namen van gezelschapsmensen voor, terwijl ook allerlei passages in de brief aan de gezelschappen herinneren. Juist ook omdat ds. Keek in die brief wijst op het verbond laat ik de inhoud van deze brief hieronder geheel volgen.

'Met deze deel ik u mede, dat ik 'n besluit heb moeten nemen, dat misschien u bedroeven zal en dat mij dan ook zwaar valt, namelijk om wederom predikant te worden in de N.H. Kerk. Ik ben overtuigd zeer te hebben gedwaald in de oorzaken, waarom ik voor mijn dienst werd ontslagen, niet alleen dat ik, hoewel door een gevoel van liefde gedreven, eigenwillig en eigenwerkelijk handelde, maar ook wat de grond zelve aangaat, dat er geen reden kon wezen met Gods Woord overeenkomstig om te weigeren de eenmaal in een andere gemeente gedoopte kinderen in te schrijven, zoals ik gedaan heb. Het prediken buiten de Kerk, dat daarop volgde, moest wel eindigen, zodra ik enigermate ernstig werd en in dit opzicht tot mij zelve kwam, daar daarvoor alle grond ontbrak, zowel inwendig als uitwendig. Maar nu ik mijne wegen heb moeten herzien, bevind ik dat:

I. er geen bevel is noch toelating in Gods Woord dat grond geeft de Kerk te verlaten, hoe verdorven ook;

II. er geen bevel is noch toelating in Gods Woord voor een predikant om zijn dienst, waartoe hij eenmaal wettig is geroepen, neer te leggen;

III. dat het algemeen gevoelen der Oude Kerk van voor 1800, en dus toen zij nog licht had, en inzonderheid van Calvijn en Augustinus, die zeker het meeste licht in het wezen der Kerk gehad hebben, is, dat de zaak van orde en tucht behoort tot het welwezen en niet tot het wezen der Kerk en ondergeschikt is aan de Waarheid en eenheid, zodat niemand de Kerk mag verlaten, noch enig leraar zijn bediening in haar mag nederleggen, ook al is de orde verstoord, en wordt de tucht niet uitgeoefend, evenals een hof een hof blijft al is de muur verwoest en wordt hij omgewoeld door het zwijn des wouds; geen wachter mag zeggen die hof is geen hof meer en de Eigenaar ziet er niet meer naar om, dus verlaat ik hem;

IV. dat de grond voor roeping voor een leraar is, dat hij van de Kerk is geroepen en daarom niet over zichzelve heeft te beschikken, ook al kan hij geen inwendige roeping vinden;

V. dat de Ned. Herv. Kerk, door welke God ons volk in Zijn verbond eenmaal omhelsd heeft, nog de Kerk is, want dat de verandering van orde in 1816 en de verwaarlozing van tucht, hoe jammerlijk en - betreurenswaardig ook, 't wezen der Kerk niet heeft veranderd en men vrij is gebleven om de zuivere Waarheid ^te verkondigen en de zuivere bediening der Sacramenten uit te oefenen; zoals blijkt o.a. in ds. Ten Bokkel Huinink;

VI. dat daarom een predikant van die Kerk geroepen, een ware roeping heeft gxi men dan in die Kerk zijn kinderen moet laten dopen, hetgeen men alleen moet laten doen in de ware Kerk en door haar leraars;

VII. dat waar ik eenmaal door de Kerk der vaderen tot predikant geroepen ben, ik voor God verantwoordelijk ben voor die roeping en niets mij vrijheid geeft om die te verlaten. Zie ik op mij zelve, dan mis ik alles wat een recht leraar heeft, maar ik ben schuldig en verantwoordelijk, eenmaal geroepen zijnde, daaraan te voldoen en ben niet vrij dit talent te begraven. Dan zou ik Gods Woord en de gevoelens der Oude Kerk tegen mij hebben en een deserteur zijn. Och, ik heb alles in blindheid gedaan en buiten Gods Woord om. Daar had ik mij aan moeten houden. Ook heb ik te zeer geleefd onder de bekoring van mijn hoogachting voor. hen voor wie ik ontzag had, zod^t ik hen meer volgde dan dat ik acht gaf op Gods Woord. Was ik niet door tegenspoed gedwongen geweest, mijn wegen nauwkeuriger te bezien, ik was misschien zo doorgegaan. Maar nu ook de slapte van mijn hand mijn tegenwoordig werk onmogelijk gaat maken, ben ik genoopt geweest mijn gronden nauwkeuriger te bezien en durf ik zonder Gods Woord niet doorgaan. Het is de Hemel bekend hoe ik hieronder zuchtende en verlegen verkeerd heb en aan de gedachten daaromtrent eerst geen toegang heb willen verlenen, vrezende mijn eigen arglistig hart, en hoe behoeftig ik geweest ben om het licht van Gods Woord. Maar ik kan hier niets tegen de klare getuigenissen der Waarheid en der Oude Kerk, hoe donker en eenzaam de weg zelf ook is. Ook heeft het gezegde van Piet de Bie, dat de kinderen in de Herv. Kerk moesten gedoopt worden, een schok door mijn hart gegeven en mijn gedachten veel gaande gemaakt en mij doen zuchten hoe het dan toch met deze zaak gelegen'was.

Niet dat ik mij op hem wil beroepen, want hij heeft dat niet zo bedoeld, maar ik had dat woord nodig om weer wakker gemaakt te worden. Het is met een zwaar hart dat ik tot dit besluit gekomen ben, want deze weg is eenzaam en woest en het doet mij zeer wee het hart te bedroeven van u en De Bie en Teun Blom, voor wie ik zo een hoogachting heb en aan wiens voeten ik zo gaarne zit om te leren wat het ware leven is, en o kon ik ooit uwe vriendschap en liefde vergelden, maar ik kan en durf niet anders, al moet ik voortaan alleen gaan. Ook ziet in deze dingen, die niet in de verborgenheden der Godzaligheid behoren, een onbekeerd mens soms scherper, dan een bekeerd mens, gelijk blijkt dat Godzaligen in vroeger tijd, zoals Koelman en anderen in dit opzicht gedwaald hebben en onbekeerde leraars rechtzinnig gegaan zijn. Gelukkig die nooit predikant zijn geworden in deze donkere tijden, maar die het eenmaal is, die is niet vrij meer, maar in conscientie gebonden aan zijn roeping, gewillig of onwillig.

Ik moet u dan vaarwel zeggen, misschien zie ik u nooit weer, noch de andere vrienden, want het zou maar bitter vallen, waar onze wegen uiteenlopen, hoewel de gedachte mijn hart doet wenen. Zeg ze nog eenmaal van mij vaarwel. Aan mijn kant wens en hoop ik dat de hoogachting in mijn hart, moge blijven. Ik denk aan dit versje:

Jeruzalem, dat zo ik U vergete. Mijn rechterhand niet van zichzelve wete. Dat mijne tong aan mijn gehemelt' kleev' Indien ik U niet steeds mijn achting geev'.

Vaarwel'.

(w.g. D. Th. Keek)

Ik wilde deze dingen hier graag nog eens weergeven om daarmee te illustreren hoe juist ook allerlei personen, die de ingezonken toestand van het kerkelijk leven naar zich toe kregen en daaruit bepaalde consequenties trokken, toch op een bepaald moment het verbond zagen en zo ook zicht kregen op de eenheid van het verbond. In het breken van de eenheid ligt dan ook dé schuldvraag die ik in mijn vorige artikel bedoelde. Leeft deze schuldvraag nog? Ik hoop het. Want als we aan deze vraag niet meer toekomen geloof ik dat alle eenheidsstreven pleisteren is met loze kalk. Dan mag overigens de conclusie niet zijn dat deze vraag alleen de Afgescheidenen geldt. De vraag geldt ook de Hervormden, niet in het minst de Hervormden. Die vraag is telkens als we de Reformatie herdenken een uiterst aangelegen vraag.

V. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De schuldvraag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken