Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over Adam en Christus 4

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over Adam en Christus 4

11 minuten leestijd

Adam èn Christus

Na in het voorafgaande artikel uitvoerig te hebben stilgestaan bij de historiciteit van Adam en van hetgeen hem is overkomen in het paradijs willen wij thans nagaan hoe de Schrift beiden, Adam en Christus, met elkaar verbonden heeft. De uitkomst van dit onderzoek zal leren dat Adam en Christus zowel naast als tegenover elkaar gesteld zijn. Er is het een en ander waarin zij op elkaar gelijken maar er staat tegenover dat er ook een grote ongelijkheid tussen beiden is, dat Christus vergeleken met Adam veel groter en veel meer is.

Het Schriftgedeelte dat wij vooral zullen moeten bekijken is een perikoop uit Paulus' brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5 : 12—21.

Letten wij eerst eens op het verband waarin dit Schriftgedeelte voorkomt. In Rom. 4 en het eerste gedeelte van Rom. 5 heeft Paulus gesproken over de rechtvaardiging door het geloof. Na aangetoond te hebben dat ook Abraham door het geloof gerechtvaardigd is, is zijn conclusie: 'Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus' (vs. 1). Paulus wijdt daarna aandacht aan de vruchten van deze vrede met God maar komt in vers 7 opnieuw op de rechtvaardiging terug. Toen wij nog zondaren waren, zegt hij, is Christus al voor ons gestorven (vs. 8). Nadrukkelijk onderstreept de apostel dat wij deze genade te danken hebben aan Gods Zoon, Jezus Christus (vs. 11). Hierna volgt hèt gedeelte dat voor ons doel van zoveel belang is, waarin Paulus ook Adam ter sprake brengt om dan beiden, Adam en Christus, naast en tegenover elkaar te stellen.

Bij de uitleg van dit gedeelte zal niet over het hoofd mogen worden gezien dat Christus de aanleiding is geweest tot Paulus' spreken over Adam. Adam komt alleen in verband met Christus hier ter sprake; het voorafgaande bewijst dat voldoende. Het zal dan ook nimmer iemands bedoeling mogen zijn om Adam en Christus als twee figuren die zonder meer parallel lopen naast elkaar te stellen, Christus gaat in alle opzichten Adam ver te boven. Paulus' evangelieprediking was de Christusverkondiging. Ook als hij Christus stelde tegen de achtergrond van de Adamfiguur ging het hem om de prediking van de genade Gods. Rom. 5 geeft er allerminst grond voor om in de prediking niet verder te komen dan Adams val in het paradijs.

Hier staat evenwel tegenover dat door Paulus hier Adam dan toch maar wordt genoemd; en niet slechts genoemd maar ten voeten uit wordt getekend in wat zijn positie was, in wat hij gedaan heeft, in zijn val, en wat dit alles ook voor ons betekent. Wie de Adamfiguur in Paulus' onderwijs voor slechts een leermodel houdt ontneemt hem alle zelfstandigheid en berooft Rom. 5 van zijn kracht. De betekenis van Christus en de rijkdom van Zijn genade heeft Paulus slechts kunnen laten uitkomen door Hem te stellen tegenover Adam, maar deze tegenstelling heeft pas kracht gekregen doordat Paulus ook gewezen heeft op hetgeen beiden, Adam en Christus, gemeen hebben, hetgeen waarin zij op elkaar gelijken. Op die gelijkenis tussen Adam en Christus gaan wij nu eerst wat dieper in.

Wat beiden gemeen hebben

Gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is..., met die woorden begint Paulus de perikoop. Hij laat dan volgen wat die zonde heeft uitgewerkt (vs. 12). Tegenover de éne mens die Adam was stelt hijvwat verderop de éne mens Jezus Christus (vs. 15). Vooral het woordje gelijk uit vers 12 willen wij even onderstrepen. Het is duidelijk dat Paulus tussen Adam en Christus, die hij beiden kwalificeert als de éne, gelijkheid heeft gezien. Beiden hebben een positie ingenomen die geheel enig in haar soort was, maar onderling vergelijkbaar. Ja de positie van de éne die Jezus Christus was is ten nauwste verbonden aan die van de ander, te weten Adam. Christus had niet het Hoofd van een nieuwe mensheid kunnen zijn als Adam niet was geweest het hoofd van de oude mensheid, die gevallen is. Wie tornt aan de positie van Adam komt ook ten aanzien van de positie van Christus in grote moeilijkheden, kan niet anders dan aan de betekenis van Christus tekort doen.

Beiden, Adam en Christus, worden dus aangeduid als de éne, beiden waren hoofden. De zonde is in de wereld gekomen door één mens, de genade hebben wij eveneens te danken aan één mens, waarmee Christus is bedoeld. De zonde gaat op Adam terug, de genade gaat terug op de Heere Jezus Christus.

Adam en Christus hebben elk voor zich — daarin komen zij overeen — een geheel enige (unieke) positie ingenomen. Beiden hebben iets gedaan wat bepalend is geweest voor allen die tot hen behoren. Adams zonde wordt toegerekend allen die tot hem behoren en dat zijn van nature alle mensenkinderen; Christus' gerechtigheid en genade worden eveneens allen toegerekend die tot Hem behoren en dat zijn door genade de gelovigen.

Wat Adam en wat Christus gedaan hebben staat lijnrecht tegenover elkaar maar in het feit dat zij beiden een unieke positie hebben ingenomen, daarin komen zij overeen; en ook hierin dat aan degenen die tot hen behoren wordt toegerekend hetgeen zij elk op zich gedaan hebben.

Wanneer in de oude gereformeerde theologie gesproken wordt over Adam en Christus als twee hoofden der mensheid, de een het hoofd van de gevallen mensheid en de ander het Hoofd van de verloste mensheid, voert men de idee van een verbond in. De vaderen hebben zich daarvoor beroepen op verschillende bijbelteksten, onder andere de tekst uit Hosea die wij al een keer hebben aangehaald: Zij hebben het verbond overtreden als Adam, etc.' (Hosea 6:7). Maar zij hebben zich ook beroepen op het feit dat wanneer één voor allen gesteld wordt de verbondsgedachte als vanzelf voor de hand ligt. Trouwens, heet Christus niet het Hoofd van de gemeente (Efeze 5) en de Middelaar van een nieuw verbond (Hebreeën 8)? en waarom zou men dan Adam niet mogen noemen het hoofd van een oud verbond? Met dat oude verbond is dan bedoeld wat men noemde het verbond der werken. Deze verbondsgedachte lijkt ons inderdaad volkomen recht te doen aan al­ lerlei bijbelse gegevens, zodat het legitiem is te spreken over Adam als ons aller bondshoofd.

De toerekening

Aan de toerekeningsgedachte willen wij nog even aparte aandacht schenken. Zij ligt al zonder meer opgesloten in de parallel die Paulus trekt tussen Adam en Christus en hetgeen beiden voor de hunnen betekend hebben. Als aan de gelovigen Christus' gerechtigheid wordt toegerekend dan houdt dat reeds op grond van de parallelle verhouding die er is tussen Adam en Christus in dat aan de ongelovigen Adams ongerechtigheid wordt toegerekend. Het is niet mogelijk de leer van de toerekening van de gerechtigheid van Christus aan allen die in Hem geloven te handhaven wanneer men een vi aagteken zet achter de leer van de erfschuld, de toerekening van Adams zonde aan ons allen. Er liggen echter in het Schriftgedeelte dat wij hier behandelen nog meer bewijzen voor de toerekeningsgedachte. Wij wijzen allereerst op vers 19.

Hier staat met zoveel woorden dat door de ongehoorzaamheid van één mens, te weten Adam, velen tot zondaren zijn gesteld. De vertaling gesteld worden is inderdaad de beste. De Nieuwe Vertaling heeft wat anders, daarin staat: zondaars geworden zijn - ^ naar ons gevoelen beantwoordt deze vertaling niet aan wat er staat in de grondtekst. Immers, er is hier door Paulus niet gedacht aan een ingrijpende daad Gods waardoor men iets wordt, maar aan een oordeel Gods waarin Hij ons voor zus of zo houdt. Adams zonde heeft teweeggebracht dat wij in het oordeel Gods zondaren zijn, Christus' gehoorzaamheid heeft teweeggebracht dat wij, als wij in Hem geloven, in het oordeel Gods rechtvaardigen zijn. Hoe anders is te verklaren dat Paulus in dit gedeelte telkens spreekt over verdoemenis, en over leven als het tegenovergestelde daarvan? Er kan onmogelijk een vonnis zijn als er geen veroordeling is. De verdoemenis is het vonnis dat God ten uitvoer brengt aan degenen die Hij op grond van Adams zonde heeft veroordeeld, omdat Adams zonde hun wordt toegerekend. Daartegenover is het leven Gods genadegift aan allen die in Christus, om zijn gehoorzaamheid, worden vrijgesproken.

Aangezien de toerekening van Adams zonde wel wordt geloochend schenken wij hieraan zoveel aandacht. Zij is nl. voor heel het verstaan van het evangelie van het hoogste belang. Behalve naar vers 19 waarheen wij reeds verwezen hebben kunnen wij ook nog wijzen op de verzen 13 en 14.

Paulus spreekt hier, in deze verzen, over een tijdperk dat ver in het verleden ligt, te weten het tijdperk dat geduurd heeft van Adam tot en met Mozes. De Wet was er toen nog niet, zegt Paulus, immers die is pas met Mozes gegeven. Hoewel echter de Wet er nog niet was, was er toch al de dood; en waar dood is daar moet zonde zijn, daar moet schuld zijn, hoe zit dat? Niet voor niets heeft Paulus dit probleem gesteld, hij wil scherp laten uitkomen dat Adams zonde betekend heeft voor diens nageslacht. In heel het tijdperk dat duurde van Adam tot en met Mozes was er nog niet zonde als overtreding van een door God gegeven Wet, want die Wet is pas later op de Sinaï gegeven en toch moet er ook al zonde geweest zijn, getuige het feit dat de dood als straf op de zonde er al wel was. Het kan niet anders, wil Paulus zeggen, dan moet Adams zonde zijn nakomelingen toegerekend zijn. Ook al vóór Mozes stierven de mensen.

want in Adam waren zij schuldig voor God. Hoe duidelijk en overtuigend is hier de toerekeningsgedachte! Wie de erfschuld wil wegredeneren zal zich met deze versen uit Rom. 5 voor ogen in heel wat bochten moeten wringen.

Er is nog een vers in de perikoop dat duidelijk wijst in de richting van een toerekening van Adams zonde aan al zijn nakomelingen, wij bedoelen vers 16. Paulus stelt hier tegenover elkaar verdoemenis (katakrima) en rechtvaardiging (dikaioma). In beide hebben wij te maken met wat de uitkomst ofwel het resultaat is van Gods oordeel (Fritz Rienecker). Er zijn er die verdoemd worden en er zijn er die gerechtvaardigd worden en in beide gevallen hangt dit af van het oordeel Gods. Wie God de zonde van Adam toerekent, wordt verdoemd, wie God de gerechtigheid van Christus toerekent wordt gerechtvaardigd. Alles hangt af van het oordeel Gods.

Wij vatten samen wat wij gevonden hebben. Gemeenschappelijk hebben Adam en Christus dat beiden een geheel enige positie hebben ingenomen, dat zij beiden hoof-den waren, Adam het hoofd van het ganse menselijke geslacht en Christus het Hoofd van degenen die in Hem geloven. Adam stond voor allen die hem toebehoren, Christus stond ook voor allen die Hem toebehoren. Adams ongehoorzaamheid is allen toegerekend, Christus' gehoorzaamheid is ook allen toegerekend, te weten allen die in Hem geloven. Adam is een beeld (tupos, type) van Christus geweest (vs. 14). Een beeld en het afgebeelde lijken op elkaar, anders zou de vergelijking geen zin hebben. Zo is er dus ook gelijkenis tussen Adam en Christus. Het is juist op grond van deze gelijkenis dat de apostel Paulus ook het grote verschil dat er is tussen Adam en Christus heeft kunnen voorstellen.

Wij geven op dit alles nog een kleine aanvulling vapuit een ander Schriftgedeelte, in Corinthe 15, waar de verhouding Adam-Christus door Paulus eveneens behandeld is. Hier worden Adam en Christus tegenover elkaar gesteld als de eerste en de laatste mens (vs. 54 v.v.). Christus is de tweede ofwel laatste Adam. Met Hem is een nieuwe mensheid begonnen. Zowel Adam als Christus hebben beiden veel betekend, hetzij ten kwade hetzij ten goede. Er is ook een betrokkenheid van de een op de ander, zij staan niet los van elkaar. Reeds het feit dat zij beiden Adam worden genoemd, nl. de een de eerste en de ander de laatste Adam bewijst dat. Was er nooit een tweede Adam gekomen dan was er geen heil, maar was nooit de eerste Adam gevallen, dan had er geen tweede behoeven te komen. De val van de eerste Adam heeft de komst en het werk van de tweede Adam noodzakelijk gemaakt. Wat de tweede Adam geweest is en wat Hij gedaan heeft kan niet worden verstaan dan tegen de achtergrond van wat de eerste Adam geweest is en wat hij gedaan heeft, met andere woorden zijn diepe val. Het moge duidelijk zijn dat wie Adams val niet ten volle in rekening brengt onmogelijk Christus' verzoeningsen verlossingswerk verstaan kan. Het rechte verstaan van het evangelie en dus ook de rechte verkondiging van het evangelie staat hiermee op het spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Over Adam en Christus 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken