Bekijk het origineel

Prof. H. N. Ridderbos reageert op kritiek op de Proeve van belijden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Prof. H. N. Ridderbos reageert op kritiek op de Proeve van belijden

35 minuten leestijd

In twee uitvoerige artikelen heeft prof. dr. H. N. Ridderbos gereageerd op de kritiek, die drs. K. Exalto leverde op de Proeve van b el ij d en, opgesteld door hem. en prof. dr. G. C. Berkouwer. Elders in ons blad. gaan we nader op deze artikelen in. Hieronder volgt een weergave van de artikelen van prof. Ridderbos, wat betreft de zakelijke punten, die hier in het geding zijn. De uitvoerige inleiding, waarin prof. Ridderbos zich beklaagt over het feit dat uit de hoek van de Gereformeerde Bond zo kritisch op deze proeve werd gereageerd, laten we achterwege, omdat dat in de beoordeling minder relevant is. Dat moest prof. Ridderbos eerst van het hart alvorens hij tot de zaak zelf kwam. Hij vervolgt dan aldus:

En die zaak is, of het waar is, dat deze Proeve, zoal niet in haar bedoeUng, dan toch in haar zakehjke strekking een verloochening is van de gereformeerde belijdenis. Ik zal mij er niet af-maken door mij te beroepen op anderen, die wellicht in hun trouw aan de gereformeerde belijdenis bij drs. Exalto meer in achting zijn dan prof. Berkouwer en ik. Toch wil ik gaarne ds. Kooistra citeren, redacteur van het confessionele 'Hervormd Weekblad', die de vorige week óók over de proeve schreef. Hij schrijft — en misschien is het goed dat ook de verontrusten in onze eigen kerk hiervan eens kennis willen nemen: 'Ook nu is wel gebleken, dat het onzinnig is om de Geref. Kerken te beschuldigen van vrijzinnig denken. De Geref. Kerken zijn confessioneler dan vele hervormden denken'. Ds. Kooistra zegt diep teleurgesteld te zijn over de gang van zaken: 'Ik zag mijn ideaal (geïnspireerd door Hoedemaker) in duigen vallen: het herstel van het gereformeerde karakter van de Hervormde Kerk en daardoor de hereniging met de Gereformeerde Kerken'. Er zijn dus ook andere mensen. Dat zal ook wel daaraan liggen, dat niet alle mensen over hetgeen als reformatorisch en als confessioneelgereformeerd in de historische zin van het woord mag gelden, éénzelfde oordeel hebben. Ds. Kooistra schrijft ook over het art. van drs. Exalto en zegt van mening te zijn, dat dit meer het standpunt van de Gereformeerde Gemeenten dan dat van de Geref. Bond vertegenwoordigt. En dat brengt ons dan weer tot de vraag, wie er dan eigenlijk wel gekwalificeerd is om zichzelf de (gereformeerde) erepalm uit te reiken en anderen te diskwalificeren. Ik zal mij in dergelijke beschouwingen niet begeven, maar mij liever houden aan de maatstaf van de gereformeerde belijdenis zelf. Dat wil drs. Exalto immers ook en dat geeft dan op zijn minst een zekere basis van discussie.

Drs. Exalto wil door vergelijking van de gereformeerde belijdenis met de Proeve aantonen hoe on-gereformeerd de laatste wel is. Hij schrijft (ik zal hem uitvoerig citeren):

Nu heeft de gereformeerde religie en hebben derhalve de gereformeerde belijdenissen altijd een paar kenmerkende trekken gehad. Wij denken aan de leer der dubbele predestinatie: verkiezing én verwerping, beide van eeuwigheid; wij denken ook aan de leer van de totale onmacht van de zondaar tot het goede, wat men wel noemt zijn dood zijn in zonden en misdaden; wij denken aan het geloof in het werk van de H. Geest die als Enige bij machte is een zondaar tot Christus en tot het heil te brengen; wij denken aan het erkennen en beleven van het volstrekte goddelijke gezag van het Woord Gods, gegeven in de H. Schrift, die door de Geest geïnspireerd is. Wij denken ook aan de leer van de verzoening door voldoening. Christus heeft, volgens alle gereformeerde belijdenissen, de toom Gods tegen de zonde gedragen, de schuld der Zijnen verzoend, een schuld die al dateert vanaf het paradijs. Geen belijdenis kan zich als gereformeerd aandienen die deze zaken niet duidelijk en onomwonden uitspreekt. Dan is er een ander verstaan van het Evangelie in het geding. Alleen al door het erover zwijgen. Welnu, leg den ieuwe Proeve hier eens naast. Op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde; in de meeste gevallen een totaal zwijgen erover.

Boude uitspraken, die de argeloze lezer — en ik vrees, dat vele lezers van de Waarheidsvriend het in dit geval wel zullen zijn! — het ergste van de Proeve moeten doen vrezen. Maar laat ons eens nader toezien. Dan blijft er niet zoveel van over.

Drs. Exalto schrijft dat de gereformeerde belijdenissen altijd een paar kenmerkende trekken hebben gehad, en dat geen belijdenis zich als gereformeerd kan aandienen als zij deze zaken niet duidelijk en onomwonden uitspreekt. Als eerste voorbeeld van deze trekken noemt hij dan de leer der dubbele predestinatie: verkiezing en verwerping; beide van eeuwigheid (voegt hij er voor alle zekerheid aan toe). Maar - om ons nu maar tot onze drie formulieren te beperken - zou drs. Exalto mij nu eens willen aanwijzen waar de Heidelbergse Catechismus en waar de Ned. Geloofsbelijdenis van 'de verwerping van eeuwigheid' spreken ? Het mag aan mijn onkunde liggen, maar hoewel ik de Heidelbergse Catechismus verscheiden malen heb doorgepreekt, heb ik daarin nooit een enkel woord over deze dubbele predestinatie of deze eeuwige verwerping gevonden. Zij spreekt die in ieder geval nergens 'duidelijk en onomwonden uit'. Kan dus ook de Catechismus en óók de Ned. Gel. Bel. zich niet als geref. aandienen ? Zij doen het wél. Maar dus geheel ten onrechte, volgens drs. Exalto ? Hier klopt iets niet. Of de Catechismus is dus op de keper beschouwd niet zo gereformeerd als wij wel gedacht hebben; óf de beweringen van drs. Exalto dat een belijdenis, waarin 'de verwerping van eeuwigheid' ontbreekt, niet gereformeerd is, zijn niet steekhoudend en bewijzen alleen, dat hij een verengd begrip heeft van wat als gereformeerd mag gelden. Ik houd het voorlopig op het laatste en vraag dan weer of hij dan eigenlijk wel de man is om niet maar eigen theologische opvattingen ten beste te geven, maar ook zulke loodzware confessionele oordelen óver anderen te vellen als hij in het door mij aangevochten artikel doet. .

Wat nu de Proeve aangaat, deze spreekt over de verkiezing van eeuwigheid in onmiskenbare woorden, nogal wat uitvoeriger dan de Catechismus en misschien ook wel wat 'Dordtser' dan deze. In de Catechismus wordt van de gemeente enkel gesproken als 'uitverkoren tot het eeuwige leven'. Of hier de verkiezing van eeuwigheid bedoeld wordt, blijkt niet uit de bewoordingen zelf, al kan men dit wellicht met recht veronderstellen. In de Proeve echter wordt gezegd, dat 'de gemeente door God f5 uitverkoren vóór de grondlegging der wereld (Eph. 1:4). Want de enige en onwankelbare grond van haar bestaan is gelegen in Gods raad en welbehagen om in Christus uit de van Hem afgevallen en vervreemde wereld een nieuwe mensheid te formeren en als Zijn volk tot zich te roepen'. Ik cursiveer enkele zinsneden. Drs. Exalto belieft dit dan te noemen: Op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde'. Ik heb een (geringe) hoop dat drs. Exalto, wanneer hij de Proeve er inderdaad 'eens naast legt' zich zal schamen niet alleen voor de denigrerende toon, waarvan hij zich bedient, maar ook voor de volstrekte zakelijke onjuistheid van zijn beweringen. Als dit dan 'de band met het verleden doorsnijden is', dan eindigt voor mij hier iedere discussie.

Ik ontken uiteraard niet, dat in de Proeve niet van een verwerping van eeuwigheid gesproken wordt, evenmin als in de Catechismus en in de Ned. Gel. Bel., al wordt zij in de Proeve niet bestreden. Ik ontken wél, dat de Proeve door zich in dit opzicht dichter bij de Catechismus en de Ned. Gel. Bel. dan bij de Leerregels van Dordt aan te sluiten, minder gereformeerd zou zijn. Het kon wel eens zijn dat zij daarin de oorspronkelijk reformatorische gedachte, die óók aan de Dordtse leerregels ten grondslag ligt, nl. dat de enige en onwankelbare grond van ons heil gelegen is in de vrije en genadige verkiezing van God, beter bewaard heeft dan wat men, op grond van allerlei niet aan de Schrift ontleende redeneringen onder invloed van remonstrantse probleemstellingen) gemeend heeft in het negatieve eraan toe te moeten voegen. Ik heb in dit verband echter geen behoefte om daarover te strijden. Ik zou alleen willen weten met welke pretentie iemand óns van verloochening van het reformatorisch belijden zou menen te kunnen beschuldigen wanneer wij ons in de Proeve over de verkiezing hebben uitgesproken zoals wij dat deden

Een tweede punt is dan 'de leer van de totale onmacht van de zondaar', zoals drs. Exalto die beschrijft. Ook daarover zegt hij, dat de Proeve daarvan 'op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde heeft'. Welnu, laat ons zien. De Proeve zegt daarvan het volgende:

'.. .Daardoor (nl. doordat de mens zich van God heeft afgekeerd) heeft vanaf het ogenblik dat de mens onder de bekoring van het kwaad is gekomen en in zonde is gevallen, de geschiedenis van het menselijk geslacht een wending genomen in, strijd met haar goddelijke bestemming. Want wel is de mens mens gebleven en is hij van zijn menselijke gaven en verantwoordelijkheid niet beroofd, doch in plaats van deze in de ongestoorde gemeenschap met God te mogen bezitten en uitoefenen, heeft deze kwade keuze als moeder van alle kwaad, heerschappij gekregen in zijn leven. In plaats van het ongedeelde hart is de tweespalt gekomen, in plaats van de vrijheid de aanvechting en de slavernij. Ja zozeer heeft de zonde vaste voet gekregen in het hart van de mens en in heel het menselijk geslacht, dat het goede nergens en nooit bestaat zonder het kwade, dat de zonde een macht is geworden, die heel het menselijk leven, individueel en gemeenschappelijk, doortrekt en bepaalt en dat de mens ook wanneer hij de strijd tegen het kwaad en zijn gevolgen wil aanbinden, een vijand ontmoet die hij niet meer kan overwinnen. Daarom geloven wij, dat de mensen, ieder voor zich, maar ook allen te zamen, schuldig staan voor God, niet in staat zichzelf te verlossen en tot hun bestemming te komen; dat ook geen menselijk ideaal, hoe verheven ook, zelfs niet de wet van God zelf daarin kan voorzien, maar dat alleen in de macht van het bloed en van de Geest van Christus de verzoening en de vernieuwing van het menselijk leven is gelegen.'

Als ik het alles overlees denk ik: het had wel wat korter gekund. Maar als ik van drs. Exalto moet lezen, dat van de menselijke onmacht in de Proeve nauwelijks

sprake is; dat zonde en genade nog 'wel genoemd worden', maar 'dat al wat zij erover zegt zo mat en zo vlak is'; dat het heil in deze proeve humanistische trekken krijgt en dat men in deze proeve 'niets, zonder meer niets !' vindt wat tegen de humanisering van het Christendom en de secularisering van geloof en leven zou .kunnen dienen, maar dat 'integendeel daaraan voet en voedsel wordt gegeven' (men zal het niet geloven, maar het staat er letterlijk), dan vind ik — met het oog gericht op dit lange citaat uit 'de Proeve' —• dat drs. Exalto zijn valse beschuldigingen bij de lezers van 'de Waarheidsvriend' (die van de werkelijke proeve natuurlijk nooit één woord onder ogen hebben gekregen en immers ook niet mógen krijgen) behoort terug te nemen; en dan veroorloof ik mij de opmerking dat als 'de Waarheidsvriend' óók t.o.v. de gereformeerden de waarheid zo lief heeft als in haar vaandel is geschreven, het blad thans wel eens mag overwegen wat haar te doen staat.

Intussen is hetgeen ik boven aan onjuistheden in drs. Exalto's art. moet signaleren nog maar een begin. Als het over de verzoening, de autoriteit van de Schrift en over het humanisme gaat en over het doorgang verlenen aan de vrijzinnigheid, staan de zaken zo mogelijk nog schever opgesteld. Ik wil het uithoudingsvermogen van de lezers niet tot het uiterste brengen. Maar de onderste steen zal nu boven komen.

Behalve de leer van de predestinatie en van de totale onmacht van de zondaar noemt drs. Exalto nog enkele andere punten, waaraan zou kunnen worden gedemonstreerd, hoezeer de proeve de band met de reformatorische belijdenis doorsnijdt. Ik wil mij tot twee centrale punten beperken, nl. de leer van de verzoening en die aangaande het gezag van de H. Schrift. .

Volgens drs. Exalto is de proeve bezig de weg vrij te maken voor een van de geref. belijdenis afwijkende leer van de verzoening. Hij zegt, dat zij daarvoor een kweekplaats schept en hij noemt ook de naam en toenaam voor wie dit zou gelden

Zelf omschrijft hij de gereformeerde belijdenis als 'de leer van de verzoening door voldoening, waarbij Christus de toorn Gods tegen de zonde heeft gedragen en de schuld der Zijnen heeft verzoend'. Leg hiernaast de nieuwe proeve en men zal zien: op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van het zojuist genoemde; in de meeste gevallen een totaal zwijgen daarover. Aldus drs. Exalto. Wat is echter de realiteit ?

Om te beginnen wordt in de aan de proeve voorafgaande en als commentaar daarop gekwalificeerde 'bezinning' uitvoerig en expliciet over de toorn van God gesproken, als achtergrond van Het Evangelie. Ik citeer uit dit uitvoerige stuk een aantal op ons onderwerp betrekking hebbende passages:

... 'in de verkondiging van het heilig Evangelie wordt de liefde Gods in Jezus Christus onthuld, niet als een tolerantie tegenover de zonde ( ), maar als de radicale veroordeling van het kwaad, in welke gestalte het zich moge vertonen. De diepte van het Evangelie — voor zondaren — wordt getekend tegen de achtergrond van de Goddelijke afkeer van de zonde ( ), zichtbaar in zijn oordeel en toorn over alle ongerechtigheid. .. .Hij is waarlijk vér van de goddeloosheid en van het onrecht (Job 34 : 10; Ps. 92 : 16), te rem van ogen om het kwaad te zien en die het onrecht niet kan. aanschouwen (Hab. 1 : 13) en die dan ook te allen dage toornt (Ps. 7 : 12). Het is de diepte van het Evangelie, dat ( ) in de verschijning van de genade Gods de schuld der zonde niet vervaagde, maar gedragen en weggenomen werd toen God onze schuld op Christus heeft gelegd en Hem in onze plaats tot zonde heeft gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem (2 Cor. 5 : 21).'

Tot zover deze 'Bezinning'. En wat de proeve zélf betreft, deze moet niet alleen in het licht van deze 'Bezinning' worden verstaan, maar zij is ook zelf ten aanzien van de belijdenis der verzoening voor geen misverstand vatbaar. Men leze b.v. wat zij belijdt aangaande 'Jezus Christus, Gods Zoon, onze Heer':

'.. .En niet alleen dit, maar Hij heeft tot onze verlossing ook ons schuldig en aan de dood onderworpen bestaan op zich genomen en Zich voor ons overgegeven, toen Hij, in de diepe vernedering van Zijn lijden en sterven aan het kruis. Zich in onze plaats in het gericht van God heeft gesteld, als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt'.

En over 'rechtvaardiging en verzoening' zelf:

'Wij geloven, dat de door Christus aangebrachte verzoening allereerst betrekking heeft op de verhouding van de mens tot God. ( ) Deze verzoening rust zozeer in Gods genade in Christus, dat de Schrift zegt, dat God de goddeloze rechtvaardigt. Want daarmee wordt niet slechts bedoeld, dat wanneer wij ons tot God wenden Hij ons wil aannemen, maar veeleer, dat God, eer wij tot Hem kwamen of tot Hem riepen, in Christus' zoenoffer het vonnis over onze zonden heeft weggedaan en voor ons de toegang tot Zich heeft ontsloten. Daarom kan ook gezegd worden, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof alleen, zonder de werken der wet, om uit te drukken dat de verzoening met God niet rust in onze goede werken of in ons berouw, doch alleen in het volbrachte werk van Christus en dat wij daarvan om niet, door het geloof alleen, deelgenoot mogen worden'.

Ik heb hier en daar enkele woorden aangestreept, niet alsof deze Proeve niet beter, niet vromer, niet wervender geschreven zou kunnen zijn, maar wel om een ieder, die enigszins tot oordelen bevoegd is, te vragen of er dan één woord van waar is, dat in deze proeve de band aan de reformatorische belijdenis der verzoening is 'losgelaten' of 'doorgesneden'. Of zij inderdaad bedoeld kan zijn om 'ruimte te scheppen' voor een leer, die ontkent, dat Christus van Godswege met de schuld van onze zonde werd beladen, ja of zij daarvoor een 'kweekplaats' is; of zij 'op zijn best genomen hier en daar een vage aanduiding in de richting van de gereformeerde belijdenis bevat, maar in de meeste gevallen daarover zwijgt'. Daarop zou nu eigenlijk voor datzelfde brede front, waarvoor deze beschuldigingen zijn gelanceerd, wel een antwoord mogen komen.

Eindelijk - want er moet een einde komen - wat de proeve zegt over de Heilige Schrift. Laat mij nu de zaak eens omkeren en eerst (gedeelten van) de proeve aan het woord laten en daarna afschrijven wat drs. Exalto ervan maakt. De proeve:

'Wij geloven dat God niet alleen in de geschiedenis van Israël op allerlei wijze de wil en de raad van Zijn verlossing heeft geopenbaard, maar dat Hij ons in de Heilige Schriften van het Oude en Nieuwe Testament door de dienst van mensen het getuigenis van deze Zijn openbaring heeft gegeven als de onbedrieglijke en onwankelbare grondslag voor de kerk om daarop haar geloof te bouwen en te bevestigen.

Want God heeft van oude tijden af mensen geroepen en begiftigd door Zijn Geest om door hun woord Zijn Woord op een duidelijke, betrouwbare en gezaghebbende wijze mee te delen en te vertolken en het voor de kerk aller eeuwen te boek te stellen.'

Aldus de proeve. Nu drs. Exalto's presentatie daarvan:

'De Heilige Schrift heet in dit stuk getuigenis van de openbaring (dat staat er zo niet, maar allez! R.). De openbaring zelf zoekt men in de geschiedenis van Israël (ja, maar niet alleen, zie de tweede alinea van de proeve, R.). Wel heet het (sic, alsof men maar niet moet geloven, dat ze het ook menen ! R.), dat God mensen geroepen heeft door Zijn Geest en ze met Zijn Geest begiftigd heeft om door hun woord Zijn Woord mee te delen en te boek te stellen — doch zo'n uitdrukking kan toch niet verhullen, dat dus de Schrift zelf aan de openbaring Gods onttrokken wordt. De Schrift is volgens deze Proeve eigenlijk niet meer dan een woord van mensen, die daarin Gods Woord vertolken.'

Aldus drs. Exalto. Maar ieder kan nu zien, hoe hij ook hier de proeve in haar bewoordingen en bedoeling maltraiteert. Hoe kan hij zeggen, dat dus de Schrift zelf aan de openbaring Gods onttrokken wordt, als in iedere zin God het onderwerp is van de totstandkoming van de Schrift:

'Hij heeft ons die gegeven als onbedriegelijke en onwankelbare grondslag. Hij heeft mensen geroepen en begiftigd om Zijn Woord op een duidelijke, betrouwbare en gezaghebbende wijze mee te delen.' Hoe kan dan ondanks dit alles de Schrift zelf toch (zelfs: dus! aan Gods openbaringswerk onttrokken zijn ? De conclusie dat volgens de proeve de Schrift 'eigenlijk niet meer is dan een woord van mensen', is dan ook zo ongegrond als het maar kan. Zij is dat, als men eerlijk en onbevooroordeeld leest, 'eigenlijk' juist wél.

Het requisitoir vervolgt:

'Bovendien haasten de schrijvers van de proeve zich (waarom toch die tendentieuze suggesties, als zouden wij slechts haast gehad hebben om tot het menselijk karakter van de Schrift te komen ? ) om direct hierop te laten volgen, dat de Schrift niet alleen wat de vorm, maar ook wat de inhoud betreft tijdgebonden is en wordt het Schriftkritisch onderzoek (dat ook in de Geref. Kerken volop aan de gang is) in bescherming genomen en aangeprezen.'

Ja, zo staat het nu in 'de Waarheidsvriend' afgedrukt. Maar in de proeve staat dit:

.. .'wij verwelkomen alle onderzoek en studie van de Schriften, die ons hun plaats en achtergrond in de geschiedenis, hun aard en doel beter leren onderscheiden.'

En dat is natuurlijk wel héél wat anders ! Uiteraard ontken ik niet, dat volgens de proeve de inhoud van de Schrift op allerlei wijze mede bepaald is door de omstandigheden en de tijd waarin de bijbelschrijvers leefden. En daar zal wel een verschil liggen tussen drs. Exalto en mij, dat ik niet als tot nu toe enkel aan het boze oog kan toeschrijven, waarmee hij de hele proeve leest en voor zijn lezers interpreteert. Voor drs. Exalto is de inhoud van de Schrift blijkbaar in het geheel niet mee bepaald door de tijd waarin zij geschreven is.

Het is uiteraard niet mogelijk dit probleem hier in het voorbijgaan te behandelen. Ik denk wel, dat drs. Exalto zich vergist, als hij meent, dat voor hem (wellicht ? nog wel de vorm, maar niet) de inhoud van de Schrift niet mede bepaald is door de tijd, waarin zij is geschreven. Ik zou hem wel eens willen horen preken over de oudtestamentische wetten, over de zevende dag als rustdag, over de positie en haardracht van de vrouw, over de getallen in de geslachtsregisters, ook in dat van Matth., om nu maar eens enkele dingen te noemen. Maar ik wil niet suggereren dat hij en ik de Bijbel toch wel precies op dezelfde manier lezen. Ik ontken niet, dat wij hier op een moeilijk punt stuiten, misschien moet men wel zeggen: gevaarlijk pimt. Maar de vraag is natuurlijk wel of er binnen een gereformeerde Schriftbeschouwing van zulk een bepaaldheid sprake zou mogen zijn en of daarmee tekort gedaan wordt aan het gezag der Schrift, waarvan de belijdenis zo krachtig getuigt. Voor mijn besef hangt dit af van wat men denkt van het doel waarvoor de Schrift ons is gegeven, van de sleutel van haar uitlegging en van de grond van haar gezag; zaken waarover de proeve zeer expliciet spreekt en drs. Exalto zwijgt. Als hij met inachtneming

van deze passages nóg eens over die zg. tijdgebondenheid zou willen nadenken en daarna de krachtige, maar zeer bezonnen taal van de Ned. Geloofsbelijdenis ter vergelijking zou willen aanvoeren, zou hij wellicht tot een andere conclusie komen dan thans. Die conclusie luidt thans:

'Wanneer er in de Proeve tenslotte staat: 'Wij kunnen op geen andere wijze ons geloof in w, aarheid belijden dan in een eerbiedige onderwerping aan dit Woord en aan dit Woord alleen', dan klinkt ons dat na al wat er tevoren over de Schrift gezegd is als een loze kreet (vetgedrukte van mij, R.) in de oren'.

De proeve daarentegen zegt, nadat zij over het menselijk aandeel in de Schrift gesproken heeft:

'Maar wij verwerpen iedere gedachte, als zou de Schrift, omdat zij aldus door mensen te boek is gesteld, voor ons niet meer het Woord van God zijn. Want de kennis van de ware God komt in haar verlichtende en verlossende werking daarin zo klaar en krachtig tot ons, dat de Schrift geen ander getuigenis behoeft van door God zelf ons te zijn gegeven dan hetgeen zij daarvan in zich zelf bevat. En wij zijn daarvan te meer overtuigd omdat Christus zelf ons aldus de Schriften als het Woord Gods heeft leren verstaan en ontvangen, enz.'

'Loze kreten !' zegt drs. Exalto. Wat kan ik daarop antwoorden ? Hier kom ik in de situatie, waarvan ik in het begin gezegd heb, dat ze mij tegen de borst stuit: het tegen elkaar opbieden, wie toch wel het meest Schrift-gelovig etc. etc. is.

Ik zal er niet aan beginnen. Schriftgelovigheid bestaat niet in woorden, maar in kracht. Dat zal ook drs. Exalto met zijn uitspraak wel bedoelen. Maar daarom zal hij, als hij ons ónze eerbied voor de Bijbel wil betwisten en ons de zz'/ne als zoveel beter en echter wil aanprijzen, alvorens ons daarvan te overtuigen, toch eerst onze stukken wat beter moeten lezen en daarvan een wat waarheids-getrouwer getuigenis moeten geven. De kenmerken van het grote liggen nl. meestal in het kleine. En het kenmerk van de waarheid daarin, dat zij nauw-(keurig) luistert alvorens haar stem op de straten te verheffen.

Verloochening

Het heeft de toorn van prof. Ridderbos opgewekt, dat aan het eind van het artikel van drs. Exalto gesproken werd over 'verloochening van wat de kerk op grond van het haar toevertrouwde Woord Gods door Zijn genade en Geest in het verleden heeft mogen belijden en wat zij nóg dient te belijden.' De zin ervóór laat prof. Ridderbos bij deze citering weg: 'een dergelijke proeve kunnen wij onmogelijk als belijden aanvaarden'. Dat zou voor óns verloochening zijn van het oude belijden.

Als wij de proeve zouden aanvaarden in de plaats van de oude confessie dan zou dit betekenen dat wij enkele fundamentele elementen, behorend tot de reformatorische confessie, zouden prijsgeven. Nu kan men over een woord twisten, maar welk woord moeten we hanteren als het erover gaat, dat er iets prijs gegeven wordt wat niet mag en kan worden prijsgegeven ? Als punten verzwegen worden mogen we dan vragen: wat zit daarachter ? Als dingen anders gezegd worden, mogen we dan vragen: worden er wellicht geen andere dingen gezegd ? We hadden best kunnen stellen, en hebben er geen moeite mee om dat alsnog te doen, dat de proeve goede passages bevat, authentiek gereformeerde noties, waar we van harte amen op zeggen. Maar we weten ook, er zijn vanuit de historie gezien drie concentrische cirkels, de christelijke, de protestantse en de gereformeerde; al weten we ook dat er eigenlijk geen wezenlijk verschil tussen deze drie kan bestaan en het gereformeerde alleen ontstaan is vanwege afwijkingen in het christelijke. Maar gegeven deze onderscheiding wensen we een confessie niet op haar algemeen christelijk karakter te toetsen hoezeer we daarin de dingen, die gezegd worden, zouden kunnen beamen, maar op haar gereformeerd karakter. In kerken die een gereformeerde confessie hebben dient een nieuw belijden op dit gereformeerd karakter getoetst te worden. Bij beoordeling van de Proeve zagen wij er in dat licht nog geen vervanging van de oude confessie in.

Is ter inleiding van de Proeve op de hervormde synode niet door de opstellers gezegd, dat men in de Gereformeerde Kerken zo langzamerhand wat is komen te 'zitten' met de oude confessie ? Wij voor ons zitten met die oude confessie niet, zij het dat de vertolking ervan in elke tijd de aandacht vraagt en voor problemen stelt. Maar wij zitten niet met de inhoud. Integendeel, wij willen daar staan, waar de oude confessie staat

. Er is nog een ander punt. Een nieuw belijden staat tegen de achtergrond van eigentijdse ontwikkelingen en dwalingen. Een duidelijke afwijzing van die dwalingen vinden we in de Proeve niet. In onze tijd wordt het gereformeerd belijden tot in de fundamenten aangetast, het christelijk belijden gaat door de maalstroom van de moderne theologie heen. Kan in een actueel belijden daarover gezwegen worden ? Moet het belijden niet geactualiseerd worden met betrekking tot eigentijdse dwalingen, die in de kerken, of het nu de Hervormde Kerk of de Gereformeerde Kerken betreft, gesignaleerd worden ? Het hervormde Getuigenis van 1971 bedoelde geen nieuw belijden te zijn maar gaf wel signalen óver en een duidelijke afwijzing van die theologieën, die het wezen van het christelijk geloof in de kerken ondermijnen (waar bleef toen overigens die 'éne uitgestoken vinger' van de gereformeerden? ). Van die signalen vinden we in de Proeve weinig terug. Daarom ervaren we de proeve enerzijds als

een reductie van het oude belijden, wat voor ons gevoel iets anders is dan concentratie, en tevens als een negatie van die punten die momenteel 'zozeer omstreden en verzwegen' worden (Getuigenis). Daarom willen we kort ingaan op die reductie en die negatie.

Dubbele predestinatie

Gewezen is op het feit, dat in de Proeve de dubbele predestinatie ontbreekt. Prof. Berkouwer heeft er ter hervormde synode op gewezen dat dit bewust is gedaan. Prof. Ridderbos zegt nu dat het leerstuk van de verwerping van eeuwigheid ook in de Nederlandse Geloofs Belijdenis en in de Heidelbergse Catechismus ontbreekt maar slechts in de Dordtse Leerregels voorkomt. Als diegenen — zo stelt hij verder — die de belijdenis van de 'verwerping van eeuwigheid' niet aanvaarden, niet gereformeerd worden genoemd dan is dit een verengd begrip van wat als gereformeerd mag gelden. Wij achten dit een onjuiste probleemstelling. De belijdenis is één. Het is onjuist om het ene belijdenisgeschrift te isoleren van het andere. De Nederlandse Geloofs Belijdenis is van 1559, de Heidelbergse Catechismus van 1562 en de Dordtse Leerregels zijn van 1618/1619. Wat in de eerste twee belijdenissen niét stond, stond in de derde wél, tegen de achtergrond van de remonstrantse dwalingen. Het argument van prof. Ridderbos zou sterker geweest zijn als deze leer van de dubbele predestinatie wel in de eerste twee geschriften zou zijn beleden en in de derde was weggelaten.

Met erkenning van de pastorale vragen, die aan het vraagstuk van de dubbele predestinatie zitten, aanvaarden wij van harte toch de Dordtse Leerregels, waarin het souvereine van Gods verkiezing — en wat is verkiezing zónder verwerping ? — ondubbelzinnig wordt beleden. Loslating van die belijdenis achten we niet niets. Integendeel! De Gereformeerde Belijdenis is voor ons wel de belijdenis inclusief de Dordtse Leerregels. En dat temeer omdat de urgentie van de leer van Dordt in onze dagen in niet minder sterke mate aanwezig is dan in de dagen van de Dordtse Synode. Wij worden overspoeld door remonstrantisme. Wij staan opnieuw voor dit dilemma: een brug willen slaan tussen een semi-pelagiaans gevoelen enerzijds en de leer van de vrije genade anderzijds, óf het remonstrantisme van onze dagen met duidelijke woorden weerspreken.

Men kan weten, dat het juist de remonstranten waren, die in Dordt de voorstanders van de leer van vrije genade wilden vastpinnen op verkeerde gevolgtrekkingen, die men zou kunnen maken uit deze leer. Dat heeft de Dordtse vaderen er echter niet van weerhouden om duidelijke taal in deze te spreken, integendeel het heeft hen juist geprikkeld om dat te doen. Prof. Ridderbos beweert nu in zijn artikel, dat de Proeve dichter bij de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofs Belijdenis staat dan bij de Dordtse Leerregels en dat zij de genadige en vrije verkiezing van God beter bewaard hebben dan wat men in de Dordtse Leerregels, met allerlei niet aan de Schrift ontleende redeneringen, gemeend heeft daar in het negatieve aan te moeten toevoegen. Men mag het ons kwalijk nemen als wij zeggen dat datgene, wat de Dordtse vaderen 'in het negatieve gemeend hebben te moeten toevoegen' altijd weer aan de orde komt als men op bijbels verantwoorde wijze over de verkiezing denken en spreken wil ? Kan men het ons euvel duiden, dat wij in het geweer komen, als juist een dergelijke redenering als van prof. Ridderbos in onze kerk steeds weer bleek te functioneren als het ging om het indragen van een heilsobjectivisme en een eliminering van het particuliere van het heil uit prediking en pastoraat ?

De Heilige Schrift

De Proeve zegt: 'Maar ook de inhoud van de Schrift is op allerlei wijze mede bepaald door de omstandigheden, waarin de bijbelschrijvers leefden'. Prof. Ridderbos moet toegeven dat daar wel een verschil zal liggen tussen drs. Exalto en hem, dat hij niet enkel aan 'het boze oog kan toeschrijven'. Dat is natuurlijk geen onbelangrijke zaak. Voor wie de Bijbel de enige kenbron is van het heil, is het van het grootste belang hoe men ten aanzien van de Schrift belijdt. Wat hebben de opstellers met bovenstaande zinsnede bedoeld ? Dat vinden we in de Proeve zelf niet uitgewerkt. Is het dan illegitiem om deze uitspraak te leggen naast visies, die de laatste jaren ook in de Gereformeerde Kerken opgeld deden ? Wat moeten we aan met deze zinsnede als we daarnaast leggen de visie die prof. Baarda ontwikkelde ten aanzien van de historische betrouwbaarheid van de Evangeliën ? Wat moeten we aan met deze zinsnede als we daarnaast leggen de publikatie van prof. Kuitert 'Verstaat gij wat gij leest ? ' Hebben deze visies vrij baan met deze Proeve ? Maar ook prof. dr. G. C. Berkouwer, één van de opstellers van de proeve heeft in zijn Dogmatische studiën één en ander over de Schrift gezegd. Toen enkele jaren geleden ds. G. Boer in ons blad het deel van de dogmatische studiën over de Heilige Schrift (deel II) besprak schreef hij: 'Heel het boek van Berkouwer geeft ons een diepe indringende studie over het menselijk karakter van de Heilige Schrift maar weinig over de openbaring. Hoe ook de weg van het ontstaan van de Schrift precies geweest is, het goddelijk karakter van de Schrift staat in de Bijbel voorop. Prof. Berkouwer ontkent dit allerminst, maar het functioneert niet in zijn overtrokken aandacht voor het menselijk karakter van de Schrift.... Daarbij valt het op, dat krasse uitdrukkingen in eigen kring door de auteur niet weersproken en niet bevestigd worden. Wegen lopen ergens heen. De vraag mag worden gesteld: Waar gaan wij met de kerk heen ? Waar gaan wij met de belijdenis van de Schrift als het Woord van God heen ? Dit is geen overbodige vraag. Wij hebben in de Hervormde Kerk te veel meegemaakt om niet uiterst beducht te zijn voor een ontwikkeling, waarin ook deze boeken van Berkouwer een fase kunnen zijn'.

Hier zitten we bij de kern van de kwestie. Is deze proeve ten aanzien van het belijden aangaande de Schrift ook niet een fase op een weg ? Op die weg zal de één verder zijn dan de ander, maar de vraag is of in feite de poorten niet openstaan voor allerlei Schriftkritische visies, die in onze tijd welig tieren. Is nadruk op de tijdgebondenheid van de Schrift overigens niet altijd een invalspoort geweest voor de Schriftkritiek ? Dan kunnen de opstellers zeggen: dat bedoelen wij niet. Maar de vraag is niet wat bedoeld wordt maar wat de Proeve zegt.Wij weten echt wel dat met name prof. Ridderbos stelling genomen heeft tegen uitspraken van prof. Baarda over de betrouwbaarheid van de Evangeliën en gezegd heeft dat zonder die historische betrouwbaarheid het met het christendom niets is gedaan. Maar anderzijds lezen we óók bij hem, dat het mensenwoord in dienst van God participeert aan de autoriteit en onfeilbaarheid van het Woord Gods en dat de Schrift een menselijk inadequaat werktuig is. Wordt ook hier niet het goddelijk en het menselijk karakter van de Schrift teveel mteengelegd?

Maar genoeg hierover. Mag men het ons kwalijk nemen als wij, bij alles wat in de laatste jaren uit de Gereformeerde Kerken over de Schrift is gezegd — waarbij dan de één weliswaar verder op een bepaalde weg is dan de ander — op onze hoede zijn voor formuleringen, waarin telkens maar weer de nadruk wordt gelegd op tijdgebondenheid van de inhoud van de Schrift ? Prof. Berkouwer stelde al dat wat in de Proeve over de Schrift wordt gezegd niet losstaat van wat de Gereformeerde Kerken hebben besloten ten aanzien van de leerbesluiten van de synode van Assen. Zouden daar dan toch de wegen wel eens niet fundamenteel uiteen kunnen gaan ? En zouden op het punt van de Schrift niet de fundamentele beslissingen vallen ? En zouden daar per consequentie ook niet ingrijpende gevolgen liggen voor de soteriologie ?

De verzoening

Het moet wel opvallen, dat enerzijds prof. Ridderbos in zijn reactie op het artikel van drs. Exalto zo fel is maar dat hij anderzijds op twee zwaarwegende punten van de inhoud van de kritiek de critici in het gelijk stelt. Niet alzo echter ten aanzien van de verzoening. Drs. Exalto heeft gezegd dat de proeve op z'n best een vage aanduiding heeft in de richting van de gereformeerde belijdenis over 'de leer van de verzoening door voldoening, waarbij Christus de toom van God tegen de zonde heeft gedragen en de schuld der Zijnen heeft verzoend'. In zijn reactie daarop verwijst prof. Ridderbos dan allereerst naar de 'Bezinning' op de Proeve, zoals die in een deputatenrapport aan de Gereformeerde Kerken werd voorgelegd. Inderdaad wordt daar over de toorn van God gesproken. Maar in de Proeve zelf niet, al ligt er wel een aanduiding in die richting. Maar waren we geroepen de Bezinning op de Proeve te beoordelen of de Proeve zelf ? Als een dergelijk stuk als de Proeve als nieuw belijden zou gaan fungeren dan wordt later niet gevraagd: wat bedoelden de opstellers in hun bezinning maar wat schreven zij in de Próéve ? En moet dan ook hier niet gezegd worden dat, gegeven de discussies over de verzoening én in de Hervormde Kerk in de zaak-Smits én in de Gereformeerde Kerken in de kwestie-Wiersinga, duidelijker gesproken had moeten worden ? Toegegeven, de Proeve bevat hier passages waarmee we van harte instemmen — laat dat dan hier ook gezégd worden — maar men kan de waarheid aangaande de verzoening door voldoening, aangaande het stillen van de toorn Gods behalve door deze te weerspreken óók geweld aandoen door de loochening ervan niét te weerspreken. Ligt achter dit alles niet de inhoud van de zondagen 4 t/m 6 van de Heidelbergse

(vervolg op pag. 165)

(vervolg van pag. 164)

Catechismus ? En wordt nu in de Proeve werkelijk duidelijk hoe ten aanzien van de verzoening, ten aanzien van het stillen van Gods toorn beleden wordt? Dit temeer als we bedenken hoe de inhoud van de Heidelbergse Catechismus op deze punten wordt aangevochten en dat niet voor het éérst in de geschiedenis ? Daarom zeggen we ook hier: niet zozeer wat in de Proeve staat als wel wat er niet staat roept ons verzet op om deze Proeve louter als een concentratie van de oude confessie te zien.

Negatie

We stelden dat de Proeve — welke goede elementen deze op zich mag bevatten — niet alleen op essentiële punten een reductie is maar ook op andere punten een negatie. Wanneer we in onze tijd, waarin de fundamenten van het christelijk geloof zozeer bedreigd worden, moeten komen tot een nieuw en actueel belijden, moeten dan de worteldwalingen van onze tijd niet worden blootgelegd ? En is één van de aberraties van het christendom in deze tijd niet het politiek messianisme ? Had deze stroming in het theologisch denken, die zich momenteel zo breed maakt, niet duidelijk weersproken moeten worden?

Het Getuigenis heeft ondubbelzinnig afgewezen de gedachte als zou het Koninkrijk Gods zich baanbreken langs de weg van de evoluties en de revoluties in de wereldgeschiedenis, en gesteld dat de geschiedenis als zodanig ons het heil niet brengen kan. Bij alles wat het Getuigenis hierover zei is scherpe oppositie losgekomen, niet in het minst ook uit de Gereformeerde Kerken. We denken aan de bijdrage van prof. Verkuyl in het boek Wat vindt u van het Getuigenis ? Hoe kan men deze dingen in een proeve van nieuw belijden negeren, terwijl het hier gaat om de omstreden punten van onze tijd, waarin al de andere momenten van het belijden — ook die ten aanzien van de verzoening en de gerechtigheid — ook in het geding zijn ? Hier zwijgen is óók spreken. Maar verder nog: laat de Proeve in feite deze visies niet ongemoeid ? Waarom gaat prof. Ridderbos niet in op de opmerkingen van drs. Exalto, dat in deze Proeve de wending, die de theologie heeft genomen ten aanzien van de komst van het Rijk Gods, ook doorklinkt ? Herlezing van de passages over het Rijk van Christus, van kerk en wereld en van de toekomst des Heren deden ons dat temeer beseffen. Want bij alle spreken over 'het leven in de hoop op het komende Rijk van God' over 'het op weg zijn naar de toekomst des Heren' ontbreekt déze centrale notie, dat de komst van het Rijk naar bijbels belijden plaatsvindt door het gericht aan het eind van de tijd heen, door de breuklijn aan het eind van de geschiedenis heen en dat in Zijn toekomst alleen diegenen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde beërven, die Hem door een waarachtig geloof zijn ingelijfd.

En weer zeggen we: worden die stromingen, waarin het Rijk zo centraal staat en die de komst van het Rijk (mede) afhankelijk stellen van onze activiteiten, niet ongemoeid gelaten ? Het geeft ons te denken dat, bij de behandeling van de Proeve in de Gereformeerde Kerken, zo duidelijk adhesie met de Proeve werd betuigd, ook door diegenen die zich al even duidelijk tegen het Getuigenis hadden gekeerd, met name op het punt van het politiek messianisme. Dat geeft ons te denken.

Ten besluite

We hebben ons in deze beantwoording gericht op datgene wat ons op inhoudelijke punten deze Proeve doet afwijzen. Intussen gaat het er ons ook niet om om de Gereformeerde Kerken in een bepaalde hoek te zetten. Wij willen ook daar met en voor de broederen het goede zoeken, maar dat mag eerlijke positiekeuze niet verhinderen. Door deze discussie willen wij niet bijdragen aan een vervreemdingsproces tussen twee kerken, die dezelfde belijdenis als grondslag hebben (Runia). We hebben door de jaren heen congenialiteit gevoeld met de theologie van de oude gereformeerde theologen in het bijzonder van Kampen. Thans vindt echter een wezenlijke ombuiging plaats in de theologie van de Gereformeerde Kerken die velen in deze kerken weinig meer doet verschillen van de midden-orthodoxie in onze kerk. Daarmee is naar ons gevoel wel een fundamentele vraag aan de orde gesteld inzake de oorzaken van het vervreemdingsproces. Wat ons met de Gereformeerde Kerken blijft verbinden is niet slechts de overtuiging dat we dezelfde belijdenis als grondslag hebben maar ook het besef dat velen in die kerken een — naar ons gevoelen vaak eenzame — strijd strijden tegen een oprukkend modernisme.

In dat opzicht hadden we graag een Proeve van nieuw belijden gezien die in deze strijd duidelijke(r) taal zou hebben gesproken.

Het hoofdbestuur van de Geref. Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Prof. H. N. Ridderbos reageert op kritiek op de Proeve van belijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken