Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor het forum van de Schrift

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor het forum van de Schrift

8 minuten leestijd

Het elfde artikel van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat handelt over de Godheid van de Heilige Geest, eindigt met een paar eenvoudige woorden: 'Gelijk ons de heilige Schriften leren'. Daarmee is uitgesproken, dat het geloof in God de Heilige Geest geen uitvinding van mensen of alleen maar kerkleer is, waarmee wij willekeurig zouden kunnen omgaan.

In het onderstaande zijn een aantal Schriftgegevens verzameld, terwijl wij in het tweede gedeelte van dit artikel nader willen ingaan op de modernistische opvattingen van prof. H. Berkhof, ten beste gegeven in zijn laatste boek 'Het Christelijk geloof'.

Het Schriftbewijs

Het valt op, dat er in artikel 11 van de Geloofsbelijdenis geen Bijbelteksten worden genoemd om de geloofsuitspraak over de Godheid van de Heilige Geest te staven. U vindt wel een aantal teksten in artikel 9, waar het Schriftbewijs gegeven wordt van het leerstuk der heilige Drieëenheid. We zouden kunnen zeggen: Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Men moet wel blind zijn, als men niet ziet, dat de Bijbel de waarachtige en eeuwige Godheid van de Heilige Geest alom predikt.

Reeds eerder is gesproken over de zg. doopformule van Mattheus 28 : 19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes....! Vader, Zoon en Heilige Geest staan in dit doopbevel v^n Christus als volkomen gelijkwaardigen naast elkaar. Hetzelfde geldt van de apostolische zegen (2 Cor. 13 : 13) 'De genade van de Heere Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met U allen'.

Verder wordt in dit verband vaak gewezen op wat we lezen in Handelingen 5 over de zonde van Ananias en Saphira. Zij bedrogen de Heilige Geest. Petrus noemt dit uitdrukkelijk een liegen tegen God (Hand. 5:5). Het is trouwens ook wel duidelijk, dat in die plaatsen van de Bijbel, waarin gesproken wordt over dé zonde tegen de Heilige Geest, die een onvergeeflijke zonde heet, de Heilige Geest op geen enkele manier ondergeschikt kan worden gemaakt aan de Vader en de Zoon. De onvergeeflijke zonde is een zeer speciaal zondigen tegen God Zelf. Zij bestaat in het levenslange verzet van een zondaar, die zich tegen de verlichting des Geestes in, losrukt van de levende God. Deze zonde is dus een zonde tegen God, juist in Zijn meest genadige en krachtige openbaring aan de ziel.

Letten wij vervolgens op de werken van de Heilige Geest, zoals deze in de Bijbel worden beschreven. Dat zijn duidelijk de werken van God Zelf. Was de Heilige Geest het niet, die als een duif broedde op de wateren van de chaos bij het scheppingswerk van God de Almachtige? De kosmos, 't welgeordend geheel van de dingen, die gezien worden, is het kunstwerk van God de Heilige Geest. 'De Geest Gods zweefde op de wateren' (Gen. 1:2). 'Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door de Geest Zijns monds al hun heir' (Ps. 33 : 6).

Dan is er de zending en bezieling van de profeten onder het Oude Verbond om nog maar iets te noemen. Ook dat is het werk van God. Maar het heet ook het werk des Geestes (Num. 12 : 6; Jes. 63 : 10; Hand. 28 : 25). terecht is er tenslotte ook steeds gewezen op de levendmaking als een werk van de Heilige Geest (Ez. 36 : 26, 27; Joh. 3:5). Is het, zo kunnen we vragen, van iemand anders - dan van God alleen te verwachten, dat'een mens van dood levend wordt gemaakt? Hoe rijk, dat een mens, die dood is in zonden en misdaden, een adres heeft, waarheen hij verwezen kan worden om tot leven te komen, nl. de levende God Zelf, met name de Heilige Geest. Dat adres is reeds genoemd, toen wij als klein kind in de armen van onze moeder naar het doopvont werden gedragen. De Heidelbergse Catechismus zegt, dat 'de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder aan kleine kinderen dan aan volwassenen in dat teken van de doop wordt toegezegd' (H.C., Zondag 27).

Nog andere dingen zouden kunnen worden genoemd, als we de Heilige Schrift onderzoeken met betrekking tot de Persoon van de Heilige Geest. Daarin worden de Geest nl. steeds Goddelijke deugden en eigenschappen toegeschreven.

Hij heet alwetend (Joh. 15 : 13; 1 Kor. 2 : 10, 11), eeuwig (Hebr. 9 : 14), almachtig (Luk 1:35; Hand. 2:1-4), alomtegenwoordig (Ps. 139 : 7; 1 Kor. 3 : 16; 6 : 10; 2 Kor. 3:6), vrijmachtig (Hebr 2 : 4; 1 Kor. 12 : 11). Artikel i; van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: De Heilige Geest is van éénzelfde wezen, majesteit en heerlijkheid met de Vader' en de Zoon'.

In één woord, in de heilige Schrift openbaart Zich de Heilige Geest overal als God. Hij heet de Geest, Die uit God is (1 Kor. 12 : 11), God in Zijn meest genadige toewending naar de mens toe. Hij is aanbiddelijk groot en verheven. En ^niet voor het minst hebben wij Hem die eer te ontroven. Als wij dat doen, richten we daar trouwens ook onszelf mee te gronde.

Niet gemaakt noch geschapen noch geboren

Gelet op het bovenstaande is het eigenlijk onbegrijpelijk, dat dezg. Pneumatomachen in de Ie eeuwen van onze jaartelling hebben gemeend, dat de Godheid van de Heilige Geest nergens in de Schrift wordt geleerd en dat de Geest gelijk te stellen was met de engelen. Zoals men steeds gepoogd heeft in de loop der eeuwen de verhouding tussen de Vader en de Zoon voor te te stellen als een verhouding van Schepper en schepsel, zo zo heeft men ook de Heilige Geest wel beschouwd als het meest voortreffelijke schepsel van de Zoon (Eunomius). Het waren de Anhomeeërs, die nadruk legden op het ongelijk zijn in wezen van de Vader en de Geest. Anderen wilden nog wel zover gaan, dat zij de Heilige Geest homoios (gelijk) verklaarden met de Vader, maar dan wat betreft zijn wil en gezindheid, niet ten aanzien van Zijn Persoon en Wezen. Weer anderen spraken over de Heilige Geest als de dienaar van de Vader en de Zoon.

Nadrukkelijk echter wordt in artikel 11 van onze Geloofsbelijdenis uitgesproken, dat de Heilige Geest niet gemaakt noch geschapen noch geboren is. Misschien mogen we zeggen, dat de kerk, naarmate zij met meer stelligheid de Godheid van Christus belijden ging, ook haast vanzelfsprekend geen moeite meer had met de belijdenis van de Godheid des Geestes. H. Bavinck zegt (Ger. Dogmatiek, II, 321): 'En nu één van beide: de Heilige Geest is een schepsel, hetzij dan eene kracht, eene gave, een persoon óf waarachtig God. Indien Hij een schepsel is, dan kan Hij ons niet inderdaad en in der waarheid God zelf, den Vader en den Zoon met al hunne weldaden deelachtig maken; dan kan Hij niet het principium (beginsel) zijn van het nieuwe leven in den Christen en in de gansche gemeente; dan is er geen waarachtige gemeenschap van God en mensch, dan blijft God boven en buiten ons en woont Hij niet in de menschheid in als in zijn tempel.... Hij, Die ons God zelven schenkt, moet zelf waarachtig God wezen'.

Na aanvankelijke aarzelingen is het in elk geval klaar in het credo (de geloofsbelijdenis) van Nicéa (het zg. Nica en o-Constantinopolitanum) komen te staan: 'En in de Heilige Geest, die Heere is en levend maakt, die van de Vader uitgaat, die te zamen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten'. Wel moeten we vaststellen, dat op het concilie van Nicéa deze zaak nog niet zo duidelijk onder woorden is gebracht als wij thans weergegeven vinden in de geloofsbelijdenis, die naar deze synode is genoemd. Eerst in 381 op het tweede oecumenische concilie, nl. van Constantinopel heeft men de formuleringen gegeven, zoals zojuist genoemd.

De geloofsbelijdenis van Athanasius, die in de artikelen 6 en 23' soortgelijke uitspraken doet, is zeer vermoedelijk veel later, nl. pas in de achtste eeuw ontstaan als een bundeling van eerder gedane uitspraken over de Drieëenheid. Ten onrechte zou dan deze geloofsbelijdenis de naam van Athanasius dragen.

De zojuist gemaakte opmerkingen, die een stukje oude kerkgeschiedenis weergeven, lijken overbodig. De Godheid van de Heilige Geest is een oud katholiek belijden. Wie tornt daar vandaag nog aan?

Toch vergissen we ons, als we dat zouden menen. Het schijnt in onze tijd veeleer mode te worden om af te rekenen met theologische gegevenheden van vroeger. In ieder geval vinden we in het jongste boek van prof. H. Berkhof een voorbeeld van een critische theologie, waarin weinig meer overeind blijft van dit katholieke belijden. Maar daarover willen wij in ons volgend artikel over artikel 11 van de N.G.B, nog enkele opmerkingen maken.

Wageningen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Voor het forum van de Schrift

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken