Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bij de drempel van de eeuwigheid (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bij de drempel van de eeuwigheid (2)

7 minuten leestijd

Het is begrijpelijk dat Moody met zijn boeken over bijna-dood-ervaringen heel wat reakties heeft losgemaakt. In onze tijd is een opleving te zien in de belangstelling voor al hetgeen buiten de grenzen van de exakte en empirische wetenschap ligt. Velen zijn in de ban van de vraag: wat is er nog meer dan de zintuigelijk waarneembare werkelijkheid om ons heen? Bekend is dat nog al wat mensen die werkelijkheid achter en boven de werkelijkheid trachten te bereiken door zogenaamde psychedelische middelen (allerlei drugs) te gebruiken. Mystiek is'in'. De oostersereligiosijteit met zijn bonte verscheidenheid oefent aantrekkingskracht uit op een jongere generatie die genoeg heeft van alle zakelijkheid en kille nuchterheid. In deze kontekst komt ook de vraag op: hoe zit het met de dood? Is er wellicht sprake van reïncarnatie of juist van een onthecht zijn aan alle lichamelijkheid, een eindeloze 'trip' in ongekende werelden? Mensen die in de geschetste belangstellingssfeer leven, zullen Moody's boeken met gejuich begroeten. Het is koren op hun molen en ze zien graag uit naar een nog nieer opzienbarend vervolg.

Een geheel tegengestelde benadering komt van de zijde van hen die nog altijd vasthouden aan het oude wetenschapsideaal - alleen werkelijkheid is waarheid en werkelijkheid is zintuigelijk waarneembare of althans verifieerbare werkelijkheid. Met uiterste terughoudendheid worden de beweringen van Moody vanuit deze positie getoetst. Er wordt gezocht naar een verklaring van de door hem gesignaleerde verschijnselen die blijft binnen de grenzen van de wetenschappelijk te benaderen ervaringswereld. Moody somt zelf een aantal van dergelijke verklaringen op. De farmacologische verklaring die de ervaringen toeschrijft aan de bijwerking van de medicijnen. De fysiologische die ze ziet als een uitvloeisel van lichamelijk lijden. De neurologische die ze op één lijn stelt met hallucinaties en dergelijke. De psychologische die bijvoorbeeld met het verkeren in een isolement verbanden legt. Maar de auteur weet aannemelijk te maken dat geen van deze wetenschappelijke theorieën een afdoende verklaring geeft voor het door hem aangedragen materiaal.

Bijzonder interessant is wat hij zelf schrijft over de reakties die hij van de kant van de geestelijkheid heeft ontvangen. Deze waren drieërlei van aard. Allereerst kwam er kritiek van links. Theologen die sterk op het hier en nu gericht zijn en vanuit een maatschappij-kritische invalshoek werken, verweten Moody dat hij zijn tijd en aandacht verkeerd geïnvesteerd had. De belangstelling voor zulke zaken als leven na de dood zou immers toch tanende zijn in deze tijd. Beter ware het zich geheel en al in te spannen voor veranderingen in deze wereld. Het geluid klinkt ons maar al te bekend in de oren. Moody geeft deze ki; itici raak antwoord. In de eerste plaats weet ieder die zijn oor goed te luisteren legt onder tijdgenoten en zeker ook onder een jongere generatie dat de vraag 'sterven... en dan? ' helemaal niet verstomd is. In èen tijd waarin mensen tot nummers dreigen te worden, tot vergeten radertjes in een onoverzichtelijk grote machinerie, is er schreeuwend behoefte aan antwoorden op de allerpersoonlijkste vragen rond leven en sterven. Vervolgens valt nog te bewijzen of het geloof in een leven na dit leven in mindering komt op de inspanning voor het uit de weg ruimen van maatschappelijk onrecht hier en nu.

Een tweede katagorie theologen begroette Moody met zijn bijdrage als een bondgenoot in hun strijd. Hij ontving dan ook nogal wat uitnodigingen om zijn bevindingen te vertellen op gemeente-avonden en dergelijke. Het is natuurlijk ook wel heel mooi dat nu onafhankelijk van bijbel en geloof er een bevestiging komt van de overtuiging dat een uitspraak als 'dood is dood' niét waar is en dat sterven geen oplossing in het niets betekent, maar een vervolg heeft in een bewuste bestaanswijze. Het doet zeker ook goed bij Kübler-Ross te constateren dat zij haar agnosticisme over hetgeen op het sterven volgt heeft losgelaten. Eerst schreef zij bijvoorbeeld: 'De bedienaren van de kerk zullen vvaarschijnlijk niet erg veel succes hebben bij eventuele pogingen veel mensen terug te brengen tot het geloof in een leven na de dood, dat het sterven lonend zou maken...' Maar in een later boek komt zij op deze laatdunkende houding terug en zegt dan: 'Voordat ik met mijn werk bij stervenden begon, geloofde ik niet in een leven na de dood. Nu geloof ik zonder de minste twijfel in een leven na de dood... Door de begeleiding van de stervenden, waarmee ik mij nu al zoveel jaren bezig houd, ben ik zeker wel godsdienstiger geworden dan ik ooit geweest ben.' Echter-hoe verleidelijk misschien ook, laten we toch niet te gauw hoera roepen. We kunnen van Kübler-Ross zeker en van Moody in mindere mate ook wel het een en ander leren. We mogen voor deze rriensen bidden dat ook zij deel mogen krijgen aan 'de enige troost beide in leven en sterven'. Maar we kunnen ze toch niet zondermeer als bondgenoten begroeten. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat ik het eens ben met een derde groep theologen van wie de reaktie op Moody's werk wordt weergegeven. Zij - die tot de zeer conservatieven kunnen worden gerekend - schrijven alle door de auteur weergegeven bijna-doodervaringen aan demonen toe. Moody zelf zou dan een handlanger van de duivel zijn, een instrument waardoor de satan mensen in verwarring poogt te brengen met betrekking tot de dood en de eeuwigheid. Nu lijkt mij de duivel aktief en slim genoeg om ook van Moody's boeken een dergelijk gebruik te kunnen maken. Maar de knopen worden al te vlot doorgehakt wanneer de ervaringen van zovele informanten zondermeer aan demonische invloeden worden toegeschreven. Mij dunkt dat die conclusie even voorbarig is als de tegengestelde gevolgtrekkingen die de auteur voort durend maakt. De verdienste van de schrijver is dat hij de aandacht gevestigd heeft op een verschijnsel waarop de wetenschap geen ant-

woord paraat heeft. Maar zou het niet heel nuttig zijn dat de wetenschappers de grenzen van hun kennen en kunnen helderder onder ogen zien? Het is niet zo dat de menselijke wetenschap slechts een smalle donkere rand heeft overgelaten rond het gebied dat zij heeft kunnen onderzoeken en verklaren. Veeleer is het zo dat slechts een enkele lichtbundel is geworpen in de duisternis van vele onopgeloste vragen en ondoorgrondelijke raadsels. Maar voorlopig zou Moody dan ook zeker niet verder moeten gaan dan het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens en dat op zo objektief mogelijke wijze. Mijn fundamentele kritiek op zijn werkwijze (nu nog afgezien van inhoudelijke bezwaren vanuit Schrift en belijdenis) is dat hij in zijn boeken niet volstaat met het weergeven van de gevoerde gesprekken en afgelegde getuigenissen. Hij gaat daarentegen rubriceren, commentariëren en zo tussen de regels door (ook al beweert hij zelf het tegendeel) concluderen. Hij verlaat daarmee de nederige positie van een onderzoeker die de eerste aarzelende passen zet in een onontgonnen gebied. In feite treedt dan de wijsgeer op de voorgrond die de gevonden 'resultaten' gaat gebruiken als elementen bij de montage van een nieuw gebouw, een complete wereldbeschouwing.

Kübler-Ross schrijft in het voorwoord op 'Leven na dit leven' onder andere de volgende regels: 'Enkele leden van een religieuze sekte hebben reeds hun kritiek geuit op studies als deze. Eén hunner bestempelde ze als het aan de man brengen van derde-rangs genade.' Ik meen dat deze kritiek de spijker op de kop slaat. Is het geen derde-rangs genade wanneer alle mensen die het in dit leven niet al te bont maken en fatsoenlijk leven een schitterende toekomst na het sterven voor ogen wordt geschilderd - ongeacht welke hun religieuze achtergrond of overtuiging is? Is het geen derde-rangs genade wanneer wordt gesuggereerd dat de verwachting van een zalig leven na dit leven niet langer een zaak van puur geloof behoeft te zijn, maar nuchtere kennis gebaseerd op gegevens die langs (semi-)wetenschappelijke wijze verkregen zijn? Moody presenteert zichzelf graag als een wetenschapsman, maar in zijn beide boeken over 'bijna-dood-ervaringen' heeft hij zichzelf opgeworpen als een leider van een nieuwe reli­ gieuze sekte. Het heilige boek van deze sekte is de verzameling getuigenissen van mensen die op de grens van dood en eeuwigheid hebben verkeerd. In een alomvattende 'ruimdenkende' houding mogen dan de bijbel, Plato, het Tibetaanse dodenboek en de wereldliteratuur parallellen en illustratiemateriaal leveren bij de openbaring die door middel van deze grensgangers is geschied.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bij de drempel van de eeuwigheid (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken