Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Toen gaf Hij hun hun begeerte...

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Toen gaf Hij hun hun begeerte...

7 minuten leestijd

Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid' Psalm 106 : 15

'Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid' Psalm 106 : 15

Wie de psalmen 105 en 106 leest stuit op een wonderlijk contrast. In beide psalmen gaat het om de geschiedenis van Israël. Maar hoe verschillend! Psalm 105 gedenkt de daden des Heeren. En hoe zal dat anders kunnen dan hooggestemd, op de wijze van de lofzang? Psalm 106 heeft die hoge inzet nog, maar dan verandert de toon volkomen. De lofzang wordt een ontroerende klacht. Want tegenover de blijde herhaling van het 'Hij deed', komt nu, het voortdurende 'maar zij deden' te staan. Hij verloste hen uit de hand van hun haters..., maar zij vergaten haast Zijn werken. Een keten van heilsdaden tegenover een keten van zonden. En de voornaamste daarvan is het ongeloof, dat Gods werk verbreekt en Zijn raad verduistert en Zijn verbond veracht.

En dat, terwijl ze zoveel reden tot dankzegging hebben jegens de Heere. Wat heeft Hij Israël wonderlijk in leven gehouden in de woestijn. Ja, Hij heeft ze geleid als een Vader. Maar zie, die Vaderlijke zorg gaat hen niet ver genoeg. Het dagelijks hun toebedeelde manna gaat ze de keel uithangen. Het gemor stijgt op. We willen wat anders! Wat hebben we het dan in Egypte goed gehad! In het diensthuis? Jawel, maar dat was nog eens een broodhuis! Zo worden ze 'belust met lust in de woestijn'. Het volk schreeuwt om vlees. De God des verbonds mag hen wel leiden en van alle goeds verzorgen, als Hij tenminste vlees te eten geeft!

Toen gaf Hij hun hun begeerte! Een zwerm vogels valt neer tussen de tenten van de Israëlieten. Vlees in menigte! Ze vallen er op aan. Ze grijpen er zoveel beet als ze maar kunnen. Die grijpbare vogels in hun hand zeggen hen meer, dan dat ongrijpbare teken van Gods trouw, de wolkkolom, in de lucht. Ze vechten er om. En... velen stikken er in, sterven met het vlees tussen de tanden. En de overigen zullen er van eten tot ze er van walgen.

Wat een verhoring! Toen gaf Hij hun hun begeerte, maar hun zielen (d.i. henzelf zond Hij een magerheid. God gaf hun hun begeren, maar henzelf deed Hij wegteren! Ze hebben hun eigen dodelijke dag begeerd. De verhoring van hun roepen is hen tot een vloek.

Wat een woord voor de biddag! Ja, om ons te bewaren voor grote gevaren. Om ons te waarschuwen voordat bidden, dat God binden wil.

Dat bidden, dat Hem de vrijheid van Zijn handelen ontzegt, dat het er niet voor houdt, dat Hij beter weet dan wij wat wij nodig hebben. Dat bidden, dat bedoelt te zeggen: Heere, geef ons die en die weldaden, en anders bent U de Weldoener niet.

En wat is het gevolg als God zulk 'bidden' verhoort? Als Hij ons geeft waar ons hart naar uitgaat? De tekst leert: magerheid der zielen, wegteren van het leven. Het ligt voor de hand om de lijnen naar onze huidige samenleving door te trekken. De welvaartstijd, waarin wij hebben gekregen wat ons hart begeert. Wat is er nu van dat geschonken goed in onze handen geworden? Heeft het de mensen dankbaar gemaakt jegens God? En mededeelzaam jegens de naaste? Of heeft het juist van Hem afgevoerd? Heeft het niet geleid tot een geest van onverdraagzaamheid en ontbinding? De storm dezer dagen die is opgestoken rond de bezuinigingen geeft het beeld te zien van een volk dat schreeuwt om vlees.

En wij als gemeente die op de biddag samenkomt? Och, we weten op biddag de woorden wel te vinden. We spreken van verbeurde zegen. We bidden om ons dagelijks brood. Het 'voed mij met het brood mijns bescheiden deels' is een geliefde tekst. Maar... spreekt ons leven vaak niet een andere taal? Van halen en verzamelen. Hoeveel wereldgelijkvormigheid is er niet juist in dit opzicht? Wat erg als datgene wat ons op de biddag voor in de mond ligt: het Koninkrijk Gods zoeken, op het laatste plan komt in ons leven.

Laat daarom deze tekst ons tot heilzaam zelfonderzoek mogen aansporen rondom de biddag. Zodat we ons afvragen: Waar bidden we om? Alleen om Gods garantie van ons welvaartsbestaan? Is dat wat wij vaak met 'zegen' aanduiden, ook altijd werkelijk een, zegen voor ons? Jakobus spreekt over kwalijk bidden, opdat we het in onze wellusten zullen doorbrengen. Het kwalijke gebed om kwakkelen. Laten we beseffen wat geschiedt als God zulk 'bidden' verhoort! Want het aanzitten aan de volbeladen dis van het vlees doet ons vermageren! Ja, magerheid der zielen. Zien we het niet om ons heen en bij onszelf? Dat we alles hebben, maar er is geen geest in ons! En daarom hebben we vóór alles te bidden om de Heilige Geest.

Maar genoeg. Laten we niet blijven steken in de vermaning alleen. Hoe dan wel biddag houden? Hoe zullen we bewaard blijven voor een bidden dat ten verderve voert, voor een verhoring die ons verteert? Laten we daartoe opnieuw naar deze psalm horen! Hoor: de psalmist bidt een gebed: 'Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel'. Uw ontferming. Uw heil. Uw erfdeel! Geef dat daar mijn blijdschap liggen mag. Dat is beter dan kwakkelen in menigte.

En de keerzijde van dit gebed is de belijdenis: 'Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen!' Wat een wonder dan, dat zulke rechteloze mensen op kosten van de Heere leven mogen Die Zijn verbond gedenkt. Dit gebed onderwijst ons, dat het er allereerst om gaat, niet om wat we hebben, maar om wat we zijn voor God. Dan bidden we: Gedenk mij naar Uw welbehagen! Dat is: gedenk mij naar Uw ontferming in Christus. Bezoek mij met Uw heil in Hem. Hoe zullen we biddag kunnen houden zonder Hem? Hoe zullen we welbehagen van God vragen, buiten de ene weldaad van het verbond: Christus? Dat moet noodzakelijk leiden tot kwalijk bidden, dat ons ten dode voert. Want buiten Hem is er niets dan vertering, magerheid der ziel. In Hem ligt alles. In Zijn volbrachte werk is alles geschonken. Levensbehoud en levensonderhoud. Hoe heeft Hij gehongerd in de woestijn in onze plaats. Ja meer nog hoe heeft Hij geleden in de woestijn van Golgotha, waar Hij zonder enige lafenis onder de brandende toorn Gods heeft gehangen. Daar is Hem alles onthouden, opdat het ons alles met Hem geschonken zal worden. En wie Hem nu ontvangen mag als Gods grote Geschenk die hoeft er niet aan te twijfelen of in Hem komt alles mee wat we nodig hebben. Bent u zo gaan leven van Gods geven? Dan gaan we op biddag de dood vinden in wat wij zoeken. Maar het leven vinden in wat Hij geeft! Zeker, dat is een heel ding. Om in het gebed eerst de Heere te laten zeggen wat Hij begeert, in plaats van eerst te zeggen wat ik begeer. Maar wie zo bidt, wie zo leeft, wie de Heere niet tekort doet, die komt zelf ook niet tekort. En de vrucht zal niet zijn: magerheid der ziel, maar de vrede Gods die alle verstand te boven gaat.

Geef dat mijn oog het goed' aanschouw', 't Welk Gij in onbezweken trouw, Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen; Opdat ik U mijn rotssteen noem', En delend in Uws volks genoegen, Mij met Uw erfdeel blij beroem'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Toen gaf Hij hun hun begeerte...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken