Bekijk het origineel

Wat hebben wij onder zending te verstaan (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wat hebben wij onder zending te verstaan (4)

11 minuten leestijd

Eén van de brandpunten tijdens de conferentie van Melbourne is ongetwijfeld de vraag naar de verhouding tussen het koninkrijk van God en sociale gerechtigheid.

Koninkrijk en gerechtigheid

Eén van de brandpunten tijdens de conferentie van Melbourne is ongetwijfeld de vraag naar de verhouding tussen het koninkrijk van God en sociale gerechtigheid. Voor het besef van velen ligt hier het thema van onze tijd. Inderdaad kunnen en mogen wij niet voorbijgaan aan de gigantische nood in de wereld: elke dag sterven zo'n 10.000 mensen in het arme deel van de wereld ten gevolge van honger en ondervoeding. Op dezelfde dag overlijden in het rijke deel van de wereld talloze mensen aan welvaartsziekten, ten gevolge van overvoeding en vetzucht. Er zijn onvoorstelbare situaties van onrecht, onderdrukking en economische uitbuiting.

Wat is nu de taak van de kerk t.a.v. het bevorderen van sociale gerechtigheid?

In het beantwoorden van deze vraag gaan de wegen in een heilloze polarisatie ver uiteen. Om de uitersten te noemen:

a. Aan de ene kant zijn er veel christenen die voor de kerk slechts één opdracht zien: nl. het brengen van het Woord Gods, als het Brood des levens. Deze wereld is alleen maar een voorbereiding op de eeuwigheid. Het heil bestaat uit de toekomstige zaligheid van de ziel. Daarom moet de kerk zich beperken tot het redden van zielen en zich maar liever niet met sociale en politieke vragen inlaten. Het koninkrijk is een puur geestelijke werkelijkheid.

b. Aan de andere kant zijn er die het heil volkomen binnenwerelds interpreteren en het alleen uitdrukken in termen van sociale, economische en politieke bevrijding. Het gaat om de maatschappij. Over de enkele mens wordt nauwelijks meer gesproken. Evenmin over vergeving en de wederopstanding. De taak van de kerk is dan deze wereld te transformeren in een leefbare wereld, desnoods met geweld. Het koninkrijk is een wereld zonder armen, hier en nu.

Men kan zich afvragen hoe het toch mogelijk is dat er over dit onderwerp zo diepgaand verschillend wordt gedacht. Is het begrippenpaar koninkrijk van God en gerechtigheid werkelijk zo vaag en duister dat men er alle kanten mee op kan? Dat valt te bezien. Reeds een vluchtig onderzoek in de Bijbel leert dat we zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament veelvuldig met de boodschap van het koninkrijk van God geconfronteerd worden. Woordenboeken leren ons dat we niet met een ruimtelijk of statisch begrip te doen hebben, maar dat het om een dynamische uitdrukking gaat:

Koningschap van God, Zijn koninklijke heerschappij, in tegenstelling tot alle aardse machten, meer nog: in tegenstelling tot alle heerschappij in hemel en op aarde.

JHWH, de Schepper van hemel en aarde, verlangt niet alleen de gehoorzaamheid en liefde van Israël, maar doet Zijn rechten gelden op alle volken, ja, op de gehele schepping. Vandaar de hunkering in het Oude Testament naar de dag, waarop de hele wereld de universele heerschappij van JHWH zal zien en erkennen (Zach. 14 : 9).

In direkt verband met Gods heerschappij is dikwijls sprake van Zijn gerechtigheid. God regeert en Hij eist gerechtigheid. D.w.z. dat de dingen in alle relaties tussen God en mens recht toegaan, dat is: zoals Hij het wil.

De geboden van de tora vormen de nadere uitdrukking van Gods gerechtigheid. Israël ontvangt de tora na de bevrijding uit de verdrukking van Egypte. Deze machtige daad van gerechtigheid heeft een bijzonder doel. Israël is geroepen om, naar het grondpatroon van.het verbond, zó te leven dat het, in al zijn relaties, leeft uit en gestalte geeft aan Gods barmhartigheid en gerechtigheid. Overal in de Bijbel wordt gehamerd op gerechtigheid voor de armen en verdrukten. Juist omdat zij Hem ter harte gaan, verwacht God hetzelfde van Zijn volk (Psalm 146). Op veel plaatsen in de Oud-Testamentische wetten vinden we bijzondere zorg voor de zwakken, zoals weduwen, wezen en vreemdelingen. Er worden structuren gewezen die gerechtigllieid bevorderen.

Jubeljaar

Gods speciale zorg voor de armen blijkt verrassend uit de instelling van het jubeljaar. Aan het eind van 7x7 jaar, op Grote verzoendag werd de jobel (-ramshoorn) geblazen, om aan te kondigen dat het volgende jaar, het vijftigste dus, een jubeljaar zou zijn (Lev. 25). Dat had grote sociale consequenties: schulden werden kwijtgescholden, slaven werden vrijgelaten, grondbezit werd teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar (Lev. 25).

De bedoeling is om de tegenstellingen tussen arm en rijk te verminderen en aan er ondergeraakte mensen opnieuw een kans te geven. Al is het mogelijk nooit zo in praktijk gebracht, het bleef staan in de tora. Aan dit gebod ligt ten grondslag de gedachte dat God de eigenaar is van alles. Hij verlangt een rechtvaardige verdeling van Zijn bezit.

De profeten aarzelen niet om keer op keer sociaal onrecht als zonde aan de kaak te stellen. Striemend en fel is de taal van Amos en Hosea aan het adres van de rijke bovenlaag in Israël, die de armen uitbuit en verdrukt, terwijl ze zelf weelderig leeft in prachtige paleizen. Het gaat hier om maatschappijkritiek die er niet om liegt. Wat we echter niet moeten vergeten is, dat de profeten de sociale misstanden altijd weer hekelen in samenhang met de ontrouw jegens de God van het verbond. De oproep tot het betrachten van gerechtigheid staat in het bredere kader van de oproep tot terugkeer tot JHWH en gehoorzaamheid aan het geheel van de geboden als de regels van het verbond (Mich. 6 : 6). De profeet Hosea raakt de kern, wanneer hij stelt dat het volk te gronde gaat, omdat het geen kennis heeft, d.w.z. de Here niet kent en liefheeft (Hosea 4). Tevergeefs herinneren de profeten Israël aan Gods bedoeling met Zijn volk. Het blijft dwarsliggen en wil niet zien dat God via Israël Zijn heilrijke heerschappij onder alle volken zoekt op te richten. Zo groeit in het Oude Testament de verwachting naar het komende rijk van gerechtigheid en vrede, dat als een gave van God door bemiddeling van de Messiaanse Koning zal komen!

Dan zal de tora in de harten geschreven staan en zullen zij allen de Here kennen.

Rijk van gerechtigheid

Het Nieuwe Testament is vol van de komst van het Rijk van gerechtigheid. De evangeliën berichten ons dat de verkondiging van het Koninkrijk van God de kern vormt van Jezus' optreden. Markus vertelt dat Jezus Zijn prediking als volgt begint: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk van God nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie' (Mare. I : 14). God gaat nu Zijn heerschappij over de wereld uitoefenen. De grote verlossing is aanstaande. Dat betekent dat vrede en gerechtigheid zullen heersen, dat de arme niet langer zal zijn onderdrukt, en dat de hongerige zal worden verzadigd. Ziekte en dood zullen niet meer zijn.

Het is van wezenlijk belang Jezus in de rij der profeten te zien staan. Evenals zij heeft Jezus ernstige kritiek geoefend op de misstanden in de maatschappij van Zijn dagen. Herhaaldelijk veroordeelt Hij zeer nadrukkelijk het sociale onrecht dat Hij opmerkt. Zelfs kiest Hij daadwerkelijk de gemeenschap met de uitgestotenen, de tollenaars. Ook Jezus' sociale kritiek staat echter in een breder kader, nl. dat van het geheel van de boodschap van het Rijk Gods.

In de bergrede volgens de weergave van Lukas lezen we scherpe woorden tot de rijken van Zijn tijd: 'Wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost reeds ontvangen. Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht, want gij zult treuren en wenen' (Luk. 6 : 24-25). Tegelijkertijd heeft Hij beloften voor de armen: 'Zalig zijt gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. Zalig zijt gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen' (Luk. 6 : 20-21). Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven. Er is op gewezen dat Jezus, in de synagoge van Nazareth, bij zijn eerste optreden, terwijl Hij Jes. 61 aanhaalt, teruggrijpt op de gedachte van het jubeljaar. Nu Hij gekomen is, is er goed nieuws voor de armen, vrijlating van de gevangenen, en worden de ogen van de blinden geopend.

Uitsluitend sociaal?

Meerderen geven deze en dergelijke woorden uitsluitend een spciale en politieke vulling. Dat is niet juist. Ook onjuist is het echter ze puur vergeestelijkend te willen uitleggen. Het begrip 'armen' is in het Nieuwe Testament en trouwens ook in de Psalmen en bij de profeten, zowel sociaal als religieus-ethisch bepaald. De armen zijn degenen die in het nauw gedreven zijn, zij die zich niet verdedigen kunnen, de vertwijfelden, die zich geheel op Gods hulp zien aangewezen en hun verlossing geheel en al van Hem verwachten. Zij zijn de dragers van de heilsbelofte, omdat ze in tegenstelling met degenen die hun hoop op deze wereld gevestigd hebben het heil dat God aan Zijn volk in het vooruitzicht heeft gesteld, verwachten (Ridderbos).

Verkuyl wijst erop dat, naarmate wij de evangeliën verder lezen het 'evangelie der armen' steeds diepere dimensies krijgt. Er vindt een concentratie plaats in de richting van onze diepste armoede.

'De armoede van ons aller leven wordt niet alleen ervaren in sociale of economische nood, niet alleen in onderdrukking door economische of politieke machten. Maar dan ligt de diepste nood, de diepste armoede in ons aller leven daarin dat wij allen zondaren zijn en onderworpen aan de macht van de zonde, demonen en dood en dat wij niet in staat zijn aan de duivelskring daarvan te ontkomen. Deze armoede, deze radeloosheid, deze hopeloosheid, deze geschonden relatie met God en de mensen is onze diepste nood. En daarin hebben wij van onszelf, of van andere mensen niets te verwachten. Daarin kan alleen Jezus, de van God gezondene ons helpen.'

Aldus Verkuyl, die er vervolgens op wijst, dat we hier het centrum van de oorspronkelijke boodschap van het Rijk naderen. Deze is nl. te vinden in de telkens herhaalde formule: ... dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden'. (1 Tim. 1 : 15). Het geheel eigene van Jezus' boodschap komt zuiver naar voren, wanneer we Zijn optreden vergelijken met dat van de Zeloten. Naast overeenkomsten is er een beslissend verschil. In een situatie vol onrecht en onderdrukking verkondigt Jezus Evenals de Zeloten de onmiddellijke nabijheid van het Rijk en het ingaan van het jubeljaar.

De laatsten menen het Godsrijk naderbij te brengen door revolutionaire veranderingen van politieke en economische structuren te forceren (bevrijding van het land, opheffen van grootgrondbezit en vrijlaten van slaven). Jezus echter weerstaat de verzoeking om naar voren te treden als een politieke Messias en Zich voortijdig als koning te laten kronen. De Zoon des mensen moet lijde.n en sterven. Jezus verstaat Zijn zending vooral vanuit Jes. 53; Hij is de lijdende knecht, die als Middelaar de zondeschuld van velen zal dragen. Alleen via deze diepe weg van vernedering, waarin niet wordt vooruitgegrepen op wat God op zijn tijd geeft, zal de universele heerschappij van God gestalte kunnen aannemen en zal het Rijk der gerechtigheid komen. Jezus weet dat het Rijk alleen kan doorbreken door het gericht heen en als een toekomstige gave van God.

Het hart van de mens

Een ander, hiermee samenhangend verschilpunt tussen Jezus en de Zeloten is, dat het kwaad voor Jezus niet in de sociale en politieke verhoudingen als zodanig ligt, maar dieper gezocht moet worden: in het zondige en verdorven hart van de mens. De profeten voor Hem hebben - misschien minder radikaal - niet anders verkondigd. Nieuw en revolutionair is dat Jezus, wanneer Hij mannen en vrouwen terugroept tot God, Hij daarbij op Zichzelf wijst. In Hem is het Koninkrijk van God ten volle aanwezig (autobasileia). Bij Hem is ook de gerechtigheid van het Koninkrijk te vinden. Zowel rijken als armen roept Hij op het Rijk binnen te gaan, door Hem hun zonden te belijden. Zijn woord van vergeving aan te nemen en Hem na te volgen.

Dit volgen van Jezus nu is te omschrijven als bekering, metanoia. Metanoia betekent eenvoudigweg, zegt Verkuyl, tot andere gedachten komen; maar dan wel in een totale heroriëntatie van de totale mens. Hoofdaccent valt op terugkeer tot God en oriëntatie van de totale mens. Hoofdaccent valt op terugkeer tot God en oriëntatie op de criteria van Zijn Rijk. Zijn deze criteria niet gegeven in de grondwet van het Rijk: de bergrede, als actualisering van de tora: waarnaar de profeten onophoudelijk verwezen hebben? De metanoia omvat het gehele leven, ook het maatschappelijke en sociale. Het is onbijbels scheiding te maken tussen persoonlijke bekering en deelname aan het maatschappelijk leven. Het gaat om de totale heling van het leven in al zijn relaties.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1980

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Wat hebben wij onder zending te verstaan (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1980

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken