Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aspecten in de prediking (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Aspecten in de prediking (3)

9 minuten leestijd

Tussen bijbels preken en bevindelijk preken is geen tegenstelling.

Zoals u bekend zal zijn, schreven wij een vorig keer iets over de confessionele bepaaldheid voor de prediking. Na de exegetische en theologische fundering is dit ons derde aspect dat wij onder ogen zien. Wij willen ons in dit artikel nogmaals bezighouden met dit aspect.

Groei en verscheidenheid

In de belijdenis van onze kerk zit groei en verscheidenheid. Niet allen worden als ware kinderen Gods gezien. In de gemeente Gods zijn oók hypocrieten. En onder de gelovigen zelf vinden wij ook een eindeloze variatie. De één staat aan het begin van de weg, de ander is verder geleid op de weg van het heil. De één zal oprecht bekommerd zijn over zijn staat en stand, de ander zal oprechte blijdschap en vreugde hebben in de God zijn heils. En tussen die allen zijn er nog heel wat varianten. Teveel om op te sommen. Om die reden kunnen wij nooit spreken van een standaardtype. Voor al die varianten nu heeft de belijdenis oog. En hiermee hebben wij in de Woordbediening rekening te houden. Wie als prediker in eigen leven weet van groei, zwakheid, strijd en aanvechtingen zal hier óók oog voor hebben evenals de confessie.

Wij kunnen ons dan ook in genen dele vinden wat Haitjema eens heeft geschreven. In zijn 'Prediking des Woords en bevinding' krijgt de confessie er geducht van langs, wanneer hij schrijft: 'het noemen van deze zaken (groei en verscheidenheid) in de belijdenis zou wijzen op een reeds ingetreden verval, waarbij de zekerheid van het geloof, zoals de reformatie die stelde, alreeds zou worden ingeruild voor de zekerheden in de gelovige'. Ofschoon deze professor vele mooie dingen gezegd en geschreven heeft, zijn wij het hierin grondig oneens met hem. Wie regelmatig Calvijns Schriftverklaringen erop naleest, zal bemerken, dat deze grote reformator hiervoor evenals bv. de Canones oog heeft gehad. De Dordtse Leerregels zeggen het zeker niet anders dan in de reformatie is gedaan, en leggen de zekerheid van het geloof niet in de gelovige. Op deze wijze mag men de nadere reformatie geenszins tegen de reformatie uitspelen. Wij menen, dat dit maar al te veel wordt gedaan. Doch: ten onrechte.

In dit verband moet trouwens de opmerking worden gemaakt, dat bv. de Dordtse Leerregels - als zij handelt over aanvechting, strijd, bekommernis - dit alles niet ziet als het kenmerk van het geloof. Bij de vele kenmerken die er zijn, mogen wij dit een kenmerk noemen. Dit kenmerk - de vrees óf de aanvechting óf de strijd - behoort tot de realiteit van het leven van de gelovige. Voor wie nooit heeft gevreesd, staat te vrezen of hij het leven van het waarachtig geloof wel kent. Aan de andere kant moet men zich bij het licht van Gods Woord eens grondig doorzoek; en, wanneer men altijd vreest. De Heere is toch geen land van uiterste duisternis! Na vrees, schenkt Hij rust.

Wanneer wij derhalve in de prediking geestelijke leiding willen geven, zullen wij op de verscheidenheid die er in het geloofsleven is moeten ingaan. Voor de rechte dienaar van het Woord is dit zelfs een heilig moeten. Als predikers zijn wij geen korporaals die aan zijn soldaten commando's geven. Wij bevelen niet, maar dienen de gemeente in al haar schakeringen, ook in al de schakeringen van het geloofsleven.

Onderscheidende prediking

Juist omdat de confessie zo onderscheidend is, zal ook de confessioneel bepaalde prediking onderscheidend zijn. Wij werpen alles en allen maar niet op één en dezelfde hoop. Doen wij dit wel, dan geven wij geen leiding in de prediking. Wij hebben dus onderscheidenlijk het Woord te bedienen met altijd in ons achterhoofd de woorden van ds. G. Boer: 'dat is geen zaak van datering, rubricering of constatering, maar van bestiering en leiding'. Wij komen hierop in een later artikel terug om reden, dat hier wel het levensgrote gevaar aanwezig is, dat de gelovige zal gaan geloven in zijn geloof - dat toch niet meer dan een instrument is - of in de kenmerken daarvan. Hoeveel goeds er van de nadere reformatie is te zeggen, ontkomen wij toch niet helemaal aan de indruk, dat een enkele vertegenwoordiger daarvan aan dit gevaar niet is ontkomen. Wij bedoelen een enkele vertegenwoordiger uit de zgn. natijd.

Bevindelijk preken

Wie bijbels preekt, preekt bevindelijk. Wie bevindelijk preekt, preekt bijbels. Alle bevinding buiten de Schrift om is geen bevinding, hoe dierbaar het ook mag klinken. Tussen bijbels preken en bevindelijk preken is geen tegenstelling. Er wordt onder ons wel eens gezegd: die of die preekt uit de Bijbel, maar...! En dan komt het, dat men de bevinding er meer of min in heeft gemist. Wanneer men dit zo zegt, zegt men dit ten onrechte. Want Bijbels preken is bevindelijk preken. Of men moet onder bevinding iets anders verstaan dan de Bijbel daaronder verstaat. Maar - laten wij wel zijn - dat is dan geen Bijbelse bevinding. Een Bijbelse preek geeft volle aandacht aan de geestelijke gesteldheden. Niet op een ziekelijke wijze, maar op een gezonde Bijbelse manier.

Wie trouw pastoraal werk verricht in zijn (wijk-)gemeente komt heel verschillende geestelijke gesteldheden tegen. Hierop dient de prediking in te gaan. Dat is bepaald niet ziekelijk zoals ons wel eens verweten wordt. Wie geestelijke leiding wil geven in de prediking ontkomt er niet aan om op een bijbels-pastorale manier hierop in te gaan. Wie dit bevindelijke element in de prediking ziekelijk vindt, doet er goed aan Van Rulers 'Vervulling van de wet' te lezen. Op blz. 228 schrijft hij: 'alle angst voor het woord "mystiek" en voor het woord "bevinding" bewijst alleen, dat men in de pneumatologie (de leer van de Heilige Geest) nog niet de consistentie (vastheid) bereikt heeft, die nodig is om haar volledig uit te werken. De anti-bevindelijkheid pleegt de bevinding niet anders te kunnen denken dan in een inderdaad verkeerde en gevaarlijke zin'. Wie hierover meer wil weten, leze zelf dit mooie boek.

Wij ronden nu dit derde aspect af met neer te schrijven, dat in een voorwerpelijke onderwerpelijke prediking de geestelijke gesteldheden de volle aandacht mogen en moeten hebben. Is dit niet het geval, dan kan men moeilijk spreken over een voorwerpelijk-onderwerpelijke d.i. bevindelijke prediking.

De werkelijkheid in de gemeente

Als vierde en laatste aspect voor de geestelijke leiding in de gemeente, stellen wij, dat wij moeten uitgaan van de gemeente zoals zij werkelijk is. Zomin als aan de confessie, mag ook aan de werkelijkheid van de gemeente de wijze en inhoud van de prediking ontleend worden. Geen gemeente-theologie op de kansel. In de gemeente-theologie gaat het doorgaans om bepaalde 'waarheden'. Deze behoeven op zich niet verkeerd te zijn, maar het gaat om het geheel van de waarheid. Nog eens brengen wij het woord van Calvijn in herinnering: 'de Heere onderricht ons in Zijn Woord niet slechts ter helfte, maar Hij biedt ons daarin een alleszins volmaakte en complete wijsheid aan'.

Dus geen gemeente-theologie. Niettemin hebben wij in de prediking de gemeente te zien zoals zij in werkelijkheid is. De gemeente mag maar niet benaderd worden alsof zij allen reeds kinderen Gods zijn. Dat is ook werken met een schema! Een heel verkeerd schema! Aan de andere kant schrijven wij opzettelijk neer, dat de gemeente ook niet gezien moet worden als een willekeurige groep of troep hoorders tot wie aan het begin van de preek wordt gezegd: waarde toehoorders! Dan doen wij de gemeente geen recht. Want let wel: in onze prediking hebben wij met de gemeente Gods te doen. Op deze gemeente heeft God een claim. Wij staan maar niet op een markt waar een mensenmenigte is samengestroomd. Maar wij staan in de kerk. En het woord 'kerk' wil nog altijd zeggen: wat van de Heere is. In onze prediking staan wij voor de Verbondsgemeente van God. Wij weten: met dit te zeggen, kan men alle kanten op. Toch, op het gevaar af verkeerd begrepen te worden, willen wij nadrukkelijk stellen, dat aan die Verbondsgemeente de Woorden Gods zijn toevertrouwd. Die hele gemeente - óf zij het horen wil óf niet - is betrokken in de woorden die haar van Godswege worden gezegd. Reeds tengevolge van de doop heeft God de gemeente onder Zijn bijzondere zorg d.i. Zijn Woord gesteld. Het zou goed zijn, wanneer dit in onze tijd meer werd overdacht. Temeer, omdat men soms schrikbarende gedachten heeft over de gemeente, zowel ter linker- als ter rechterzijde. In zijn 'Tweeërlei kinderen des Verbonds' merkt ds. I. Kievit op:

‘Het is een verkiezing Gods tot de gemeente te behoren'. Laten wij deze goede woorden ter harte nemen. Laten wij er ook eens op letten, hoe de Heere Zijn Verbondsvolk aanspreekt. Wij zijn dat eens nagegaan en hoorden de Heere menigmaal in Zijn Woord zeggen: Mijn zoon. Mijn dochter. Mijn (afkerige) kinderen, Mijn schapen.' En de Heere Jezus spreekt niet anders dan Zijn Vader. Hij zegt: kinderen des Koninkrijks, zoon van Abraham, ranken in de wijnstok. Genoeg hierover! Uit alles blijkt, dat de Heere beslag legt op de gemeente. En dat doet Hij met Zijn eisen en beloften. Hierin dient de prediking als bediening der verzoening haar basis te hebben en te houden. Hoe zullen wij ook anders het Woord in al zijn lengte, breedte en diepte kunnen laten spreken? Wanneer bovengenoemde basis wegvalt, valt ten diepste de gehele verkondiging weg. Wij kunnen in de prediking immers nooit uitgaan van een geschematiseerde verkiezing of verkiezingsidee. Eis en belofte is de basis. Wij gaan wel de fout in, zeg maar gerust de duisternis in, wanneer wij zouden onderstellen, dat in de Verbondsgemeente een ieder de geestelijke weldaden van het Verbond bezit. De eis dient wel op het hart gebonden te worden en de belofte vervuld. De wedergeboorte als een eenzijdig werk des Heeren kan zeker in de Verbondsgemeente niet gemist worden. Tot de bondeling Nicodemus zei de Heere Jezus: 'Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij iemand wederomgeboren wordt, hij kan het Konkinkrijk Gods niet zien’.

In een afsluitend artikel hopen wij hierop nog in te gaan.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Aspecten in de prediking (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken