Bekijk het origineel

De Schriftuurlijke prediking (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Schriftuurlijke prediking (2)

13 minuten leestijd

De Schrift alleen en geheel

Hij, die het Woord preekt, moet ook niets anders doen dan dat. Natuurlijk gaat dat niet buiten de persoon van de prediker om. Hij wordt geroepen zich op het Woord te bezinnen om de Godsgedachten door te geven aan de gemeente in zijn en haar eigen taal. Maar zelf moet hij altijd terugtreden achter het Woord van God. De gemeente moet niet eerst de dominee zien en dan in de achterhoede nog een keer het Woord van God. De prediker is dienaar van het Woord. Een gezant die de opdracht van Zijn Zender heeft uit te voeren, niet meer en niet minder. Daarbij gaat het om het hele Woord van God, Oude en Nieuwe Testament, het eerste altijd onder de belichting van het tweede. Dat moet borg staan voor een op den duur brede prediking, die allerlei aspecten van de Schrift in het licht stelt en moet de dienaar van het Woord bewaren voor al te selectief optreden, ook wat tekstkeuze betreft. Gereformeerd preken is héél de Schrift preken en dientengevolge heel het heil. Daarin zit een afbakening tegen het subjectivisme, hetzij van de groepen en secten, hetzij van andere vleugels binnen de kerk. De preek gaat niet op in het oproepen tot vervuld worden met de Geest en altijd durende blijdschap, evenmin in een eis tot geloof en bekering, of een verzuchting dat de hoorders nog eens waarlijk bekeerd zouden mochten worden. Gereformeerde prediking in deze breedte en diepte van de Schrift vereist van de predikanten zeer veel studie, exegetisch dogmatisch, zeer veel geestelijke overdenking en meditatie. Ik zou zeggen: gunt uw predikanten alstublieft de tijd en maak ze niet tot een loopjongen van kerkeraad en gemeente.

Objectief

Het kenmerkende en tegelijke bevrijdende van de gereformeerde prediking is dat zij uitgaat van het objectief in de Heilige Schrift als Woord Gods gegevene, de heilsopenbaring van de Schrift ontvouwt en deze als maatstaf bij het geestelijke leven aanlegt. Daarom is de prediking geen reflex van geloofservaring van een christen, maar verkondiging van de zuivere leer, brengen van het evangeUe. Daar liggen de bronnen van de Woordbediening, niet in het innerlijke van de prediker en evenmin in de religieuze ervaring van de gemeente. In dat geval Hgt de weg open voor een grenzeloos subjectivisme, voor hoogmoed op de toch al hoge kansel. Voor het doorjagen van de gemeente onder het juk van persoonlijke visies en opvattingen, waarbij soms de tekst geen ander doel heeft dan het gelijk van de prediker te onderstrepen. Het oude zeer komt hier naar voren van de verwording van de Christus-prediking tot christen-pre-444 N diking, tot een prediking naar de mens. Dat streelt dan wel de mond van Jeruzalem, maar laat haar hart ongemoeid. En waar mensen naar Jezus vragen, krijgen ze geen antwoord, dat bevrijdt en verlost. Ik kom straks nog terug op het hele aspect van het werk van de Heilige Geest en de toepassing van het Woord aan het hart. Maar wat valt er toe te passen als Christus niet wordt verkondigd als de verwervende en verdienende oorzaak van onze zaligheid? Hoekstra zegt: 'Het is een omkeren van de orde, wanneer men het werk des Geestes aan Christus zou willen laten voorafgaan en het objectieve uit het subjectieve afleiden'. De Heilige Geest neemt alles uit Christus en past het door Hem verworven heil aan ons toe.

Daarom, de dienaar van het Woord heeft z'n positie te nemen in het objectieve - het voorwerpelijke zo u wilt - en de Christus der Schriften te prediken, het Woord Gods. Daar voor moet hij het Woord naspeuren om de gemeente in het Woord te bouwen. Zo blijft de prediker altijd aan het Woord onderworpen en de gemeente komt nooit boven het Woord uit. Niemand kan, zonder weg te zinken, drijven op innerlijke ervaring, evenmin in de ambtelijke dienst op routine. Het Woord doet leven, verspreidt hcht, voedt, onderhoudt.

Toepassing

Onze Gereformeerde vaderen hebben verder altijd helder ingezien, dat geen preek kan zonder toepassing. Om het deftig te zeggen: het objectieve, wat voorop gaat en fundamenteel is, moet steeds gevolgd worden door en zich verwerkelijken in het subjectieve. De waarheid van het Schriftwoord moet uitgelegd worden, maar ook moet aangewezen worden hoe de waarheid van het tekstwoord in verband staat met ons hart en leven. Uitleg en geestelijke leiding moeten hand in hand gaan. De prediker moet niet alleen Christus verkondigen, maar ook de weg wijzen om tot Christus te komen en dan is er nog meer: het leven dat in Hem is en uit hem vloeit moet gepredikt worden. Op die manier wordt duidelijk, zoals prof. C. Veenhof schreef in zijn boek 'Predik het Woord', dat de prediking niet moet geven een preciese verhandeling over de fabricage en de samenstelling van het brood. Ook niet een tekening hoe het een mens te moede is vóór onder en na het nuttigen van dat brood. Nee, prediken is een uitreiken, in opdracht van God zelf, van het brood des levens, opdat het gegeten worden en de gemeente verzadigd worde. Dit mag ons duidelijk zijn: verklaring en toepassing samen vormen het lichaam van de preek. Nu is er tweeërlei toepassing. Die waarbij de hoorder zelf het subject is. Hij is verantwoordelijk voor het opnemen van het Evangelie, maar onmisbaar daarbij is de toepassing van het Woord door de dienaar van het Woord. De preek moet de hoorder prikkelen tot toepassing op hemzelf.

Maar... er is ook een toepassing van het Woord door de Heihge Geest. Deze is de belangrijkste. Als de Heilige Geest het hart niet opent en het Woord niet doet ingaan in onze ziel zal de uitnemendste toepassing door de dienaar van het Woord niet baten. Maar dat ontslaat de verkondiger van het Woord niet van de plicht om het Woord in contact te brengen met degenen, die het horen. Het moet aan de deur gelegd worden. Het edel metaal, opgedolven uit de Schrift, moet omgesmolten tot pasmunt. Het Woord moet aangelegd worden op het leven van de gemeente in al zijn schakeringen. Let wel... aangelegd, niet aangepast aan! Uit een overloed van teksten, die deze dingen beschrijven, neem ik 2 Tim 4 : 2: redik het Woord, houd aan tijdig en ontijdig, wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer... of 2 Tim. 3 : 16; De Schrift is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot opvoeding in de rechtvaardigheid. Opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden (Rom. 15 : 4). Augustinus omschreef in 'De doctrina Christiana' het doel van de prediking aldus: e waarheid moet het verstand verlichten, het gemoed bezielen en de wil buigen. Daarmee zijn zeker niet bedoeld die preken, waarin een concordantie over het hoofd van de arme gemeente wordt leeggestort, waarin woorden worden uitgeplozen in drie en vier betekenissen. Keukenwerk, dat niet op tafel gezet mag worden. Uit de tekst moet brood voor de zielen naar boven gebracht worden, een woord voor het hart en leven van de gemeente.

Onderscheidenlijk preken

Nu bestrijkt de toepassing een terrein, zo breed als het leven zelf. De gemeente staat in en gaat door het leven. De toepassing mag die praktische kant niet uit het oog verliezen, zonder dat de actualiteit van de dag het leidende principe mag zijn. Elke tekst bevat bovendien een speciale gedachte, die een eigen toepassing vereist. Maar heel de raad Gods moet worden verkondigd en in alle levenssferen moet het Ucht van het Woord stralen.

Toch is het terrein van het geestelijk leven hét terrein, waarop de prediking in haar toepassing zich richt. Omdat het hart van heel de Heilige Schrift is het heil dat God ons bereidt in Jezus Christus en in ieder onderdeel van de Schrift de slag van het hart wordt gevoeld, moet de gemeente in elke preek worden geplaatst voor het aangezicht van Christus en moet aangewezen worden, hoe ieder in 't verborgen en in 't openbaar tegenover Christus staat. De prediking oefent imrners de sleutelmficht uit (zie zondag 31). Vandaar uit moeten we een lans breken voor het onderscheidenlijke preken. En dat is méér dan de gemeente opdelen in de befaamde drie klassen van bevestigden, bekommerden en onbekeerden, voor welke laatste er dan misschien op de valreep nog een woordje of wensje afkan. Feit is dat wij de gemeente nooit kunnen of mogen zien als een gemeente van allemaal bekeerden of gelovigen. Bekeerd of onbekeerd is wel de geweldige aangrijpende scheidslijn, die dwars door de

gemeente loopt. En de prediking heeft daarmee te rekenen. Gaat men uit van een zeker verbondsoptimisme of - automatisme, dan kweken wij onwerkelijkheden, luchtbellen, schimmen. Hier liggen diepe probleemvelden en hier heerst grote verwarring. Vragen, die samenhangen met de theologische plaats van de mens. Hoe moeten we hem zien? Prof. Kremer noemt in zijn boek een aantal mogelijkheden: zondaar, kind, kerkhd, burger van het Rijk, Adamiet, Abrahamiet, Christen. Op dit punt is heilige bezinning nodig. Wie die niet kent, kan het adres van de preek niet schrijven, die tot allen, maar ook tot een ieder gericht dient te'zijn'. Hier dreigen de levensgrote gevaren van de schematisering, preken, die liggen onder de kramp van een theologisch systeem... variërend van een gemeentebeschouwing als van een hoop verlorenen, met een enkel verkoren pareltje, althans als men zich niet vergist... tot een verbondsschema, waarin de gemeente arrive is, en de prediking van wedergeboorte en bekering een verouderd begrip wordt. Men is immers samen in de vrijheid gezet op weg naar het Rijk, dat komt. Ik teken uitersten. Wie de Heere zelf ontmoet heeft in Zijn Woord - en wat is dat nodig voor een dienaar - kan als een wijs gezant een medicijn zijn... De confessie moet ons in de toepassing leiden. Zelf gaat zij niet uit een ideaUstisch beeld van de gemeente. Onze belijdenis heeft oog voor de gemeente als zodanig én de enkehng in haar. En onder deze enkehngen kent zij een grote variatie. Zij spreekt in de kerk ook over hypocrieten, over een waar geloof, over een zich niet van harte bekeren, over de merktekenen van de ware christenen en kent de verscheidenheid zoals die in trap en maat en stand van het geloof tot uiting komt. 'De belijdenis', aldus Kremer, 'heeft oog voor de groei, de zwakheid, de strijd, kortom voor de weg, waarin de Middelaar wordt gekend en de schatten van het verbond worden geschonken, aangenomen en genoten'. Het zou interessant zijn bijv. onze catechis­

mus systematisch op dit punt na te gaan. De conclusie is dat het veld van de toepassing, vanuit de grote deUng in bekeerd en onbekeerd wijd en ruim is. Ook de leerregels van Dordt geven blijk van een diepe kennis van het geestelijk leven in al zijn variëteiten. Soms klinken ook onder ons geluiden op als zou het noemen van deze zaken in de belijdenis wijzen op een reeds ingetreden verval, waarbij de zekerheid des geloofs, zoals de Reformatie die stelde, al reeds zou worden ingeruild voor de zekerheden in de gelovige. En evenmin is dat de rechte toepassing of de rechte prediking, die van al deze dingen niets weten wil en na de uitleg van de Schrift voor de gemeente niets anders heeft te bieden dan het bevel: geloof dit of anders nog: de constatering: dit is ons nu allemaal in Christus geschonken, leeft u het nu uit. De prediking is niet het trekken van rechtlijnige conclusies of het geven van commando's, hoe juist en zuiver op zichzelf ook, maar het dienen van de gemeente in haar verscheidenheid. Dan kweken wij geen nieuw soort Nicodemieten dat niet meer de noodzaak van de wedergeboorte verstaat om de rijkdom van het heil van God te zien en te begeren. Bakenen wij de prediking af naar een ontsporing, waarin het verbond ten enenmale niet functioneert, waarin slechts in wensende vormen wordt gesproken en gezucht, waarin de eis der bekering niet wordt gehoord en het bevel tot geloof wordt ontkracht, evenzeer moeten wij haar anderzijds afgrenzen naar die kant, waarin de prediking gemakkelijk wordt tot een heilsafkondiging en keer op keer gedane heilsverzekering en waarin ze niet de verkondiging is van het heil Gods met de noodzaak van de persoonlijke deelachtigmaking en toeëigening door het geloof. Er is dan geen plaats voor het persoonlijk geestelijk leven in de preek. En voor de gemeente dreigt het gevaar dat ze leeft bij beredeneerde geloofsconclusies en geen weet heeft van doorleefde geloofsvervrijmoediging, waarbij de Heilige Geest, door de verkondiging van het Evangelie het geloof in de harten werkt en het versterkt door het gebruik van de sacramenten. Voor de rechte, gereformeerde prediking is daarom altijd nodig een schriftuurlijke visie op de gemeente.

Zij het ons een voortdurende zorg om in de prediking het volle Hcht van de zon te laten schijnen. Dan komt het verschil tussen de levende plant en de kunstbloem uit, schrijft Kremer. De eerste groeit, de tweede verkleurt.

Hoe dan wel?

Voor alle duidelijkheid zij gezegd hoe wij dan in de prediking en haar toepassing de gemeente hebben te zien. Wel, wij staan in haar voor de verbondsgemeente. Voor haar, voor haar leden geldt de aanneming tót kinderen en de verbonden en de belofte. Gods woorden zijn haar toevertrouwd. God Zelf heeft de gemeente onder Zijn bijzondere zorg gesteld. Het is een verkiezing Gods orp tot haar te mogen behoren. De aanspraak is veelzeggend: mijn zoon, mijn dochter. Mijn volk. Mijn schapen, kinderen des koninkrijks, ranken van de wijnstok. De Heere zelf heeft deze relatie gelegd tussen Zich en Zijn gemeente door Zijn Woord. Hij mag beslag op haar leggen met Zijn beloften en Zijn eisen. Daar heeft de leiding in de prediking en toepassing haar basis. Maar wij gaan verkeerd, wanneer wij zouden veronderstellen, dat deze relatie in feite bezit van de geestelijke weldaden veronderstelt... Juist in de verbondsgemeente geldt het: Indien iemand niet wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien en niet ingaan. En zo dient de prediking te leiden tot het besef, dat radicale vernieuwing van het verbondskind naar het verbond moet, mag en kan geschieden, juist omdat God het verbond met ons en onze kinderen aanging. Dat moet juist als evangelie ten volle verkondigd worden (Kremer). En zo kan er ook plaats komen voor Christus als Borg en Middelaar.

Daarom dient de prediking gericht te zijn. Wie er onder zit, moet het weten: het gaat mij aan en het gaat om mij. Daarom mag een preek nooit ontaarden in beschrijving, van wat dan ook. De mens moet niet besproken, hij moet aangesproken worden. Er zitten in de kerk geen toeschouwers, maar mensen op wie God recht heeft. Op wie, naar een woord van Calvijn, het bloed van Christus moet druppen.

Gehouden voor vergadering van ambtsdragers te Veenendaal, 2 mei 1985

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Schriftuurlijke prediking (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken