Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De zesjaarlijkse stemming (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De zesjaarlijkse stemming (I)

8 minuten leestijd

Enkele geschiedkundige details

Een belangrijk periodiek gebeuren staat onze Hervormde Gemeenten in november aanstaande weer te wachten: de zogeheten 'zesjaarlijkse stemming' zal dan moeten worden gehouden. De uitslag van déze stemming is bepalend voor de wijze waarop de ouderlingen en diakenen verkozen worden gedurende het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1992.

Een viertal historische flitsen

— Calvijn vertelt ons in zijn Institutie (IV, IV, 10) het volgende:

'Oudtijds werd... niemand in het gezelschap der clerici opgenomen zonder toestemming van het ganse volk, zodat Cyprianus zich naarstig verontschuldigt over het feit, dat hij een zekere Aurelius zonder de kerk te raadplegen tot voorlezer had aangesteld: aangezien dat tegen de gewoonte, ofschoon niet zonder reden geschied was. Hij nu spreekt aldus: 'Bij het ordenen van geestelijken, zeer geliefde broeders, plegen wij u van te voren te raadplegen en de zeden en verdiensten van een ieder in gemeen overleg te beoordelen'. Maar aangezien in die geringere oefeningen niet veel ge­ vaar gelegen was, omdat zij tot een langdurige beproeving en niet tot een groot ambt aangenomen werden, heeft men opgehouden de toestemming van het volk te vragen'.

In de Hollandse vluchtelingengemeente in Londen geschiedde naar de wens van de superintendent (geestelijke leider) Johannes a Lasco (1499-1560) de keuze van de ambtsdragers door de gemeenteleden.

De Nationale Synode te Dordrecht in 1574 maakte een kwalitatief verschil ten aanzien van de verkiezing van predikanten én ouderlingen en diakenen, door bij de verkiezing van de eerste 'huijsvasten ende bidden' voor te schrijven, 'het welcke niet soo naw en sal behoeuen onderhouden te worden inde verkiesinghe der Ouderlingen ende Diaconen' (art. XXIII).

Onder de Dordtse Kerkorde van 1618-1619 ging de benoeming van ouderlingen en diakenen vrijwel geheel buiten de Gemeente om. Ook al mocht zij afkeuren of uit een dubbeltal kiezen, de aanwijzing van de in aanmerking komende personen bleef toch geheel bij de kerkeraad. (Art. XXII (+ II - f-XXIV). De argumenten van hen die later deze regeling verdedigden (bijv. H. H. Kuyper en F. L. Rutgers) waren: aangezien de kerkeraad voor de leiding verantwoordelijk is, moet hij ook de regering uitoefenen; de gemeenteleden hebben hoogstens medewerking en veto-recht.

De 'Reglementenbundel'

De tienjaarlijkse stemming

Onder de vigeur van de zogenoemde 'Reglementenbunder, die in 1816 door Koning Willem" I (1772-1843; koning:1815-1840) dwingend aan de kerk werd opgelegd, bleef de kerkeraad een zichzelf aanvullend college.

Het nieuwe 'Algemeen Reglement' van 1852 (dat dus het eerste 'Algemeen Reglement' van 1816 verving) bepaalde in art. 23, dat 'het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen, ..., berust bij de gemeente'.

Apropos: Als de Rooms-Katholieke dr. Armand Fiolet O.F.M, een vergelijking maakt tussen '1816' en '1852' als zodanig, komt hij tot de navolgende weinig vleiende beoordeling:

'Al is dit hiërarchisch-aristocratisch karakter van het Algemeen Reglement sinds 1816 heel wat getemperd en heeft men daardoor de schijn willen wekken, dat de Kerk medezeggenschap kreeg, toch is juist de ongeestelijkheid van dit kerkelijk bestuursapparaat de ongeneeslijke kinderziekte, die de Kerk machteloos maakte. Al verklaarde de regering in 1842, dat zij zich niet (meer) bevoegd achtte om in kerkelijke geschillen te beslissen en kwam in 1852 een algemene herziening van het Reglement langs kerkelijke weg tot stand, toch had deze 'bevrijding' (J. Th. de Visser) bedenkelijk veel van de schijnvertoning, waarmee een grote mogendheid zich uit een bezet land terugtrekt na haar satellieten in het zadel gezet te hebben. De Kerkorde van 1816 was ongeneeslijk, omdat zij on-kerkelijk van orgine was en geïnspireerd door het idee van een besturenkerk'.

('een kerk in onrust om haar belijdenis' — Nijkerk/1953 — blz. 29)

De realisering van de nieuwe stelregel zou intussen nog wel op zich laten wachten! 'De hogere besturen, bang voor de stem van het kerkvolk, wisten de zaak vele jaren op te houden' (dr. R. B. Evenhuis), maar per 1 maart 1867 kon het toch in werking treden. De nadere uitwerking van 'dit democratisch grondbeginsel' (zoals de voetnoten formuleerden) werd geregeld in het 'Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten' (1 maart 1867).

Artikel 2 van dit 'Synodaal Reglement' bepaalde — o.m. —:

'Binnen drie maanden na de invoering van dit Reglement onderwerpt de Kerkeraad aan het oordeel der stemgerechtigden de vraag, of zij het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten zelven wenschen uit te oefenen op de in dit Reglement verder beschreven wijze, dan wel den (Algemeénen) Kerkeraad bepaaldelijk machtigen om daarmede op den bestaanden voet voort te gaan'.

In artikel 6 lezen we — o.m. —:

'De in Art. 2 bedoelde beslissing van de meerderheid der stemgerechtigden blijft van kracht gedurende vier jaren. Na verloop van dezen termijn, en vervolgens telkens na verloop van tien jaren, roept de Kerkeraad van nieuws de stemgerechtigden op, om te beslissen over de vraag of zij het recht tot verkiezing der kerkeraadsleden zelven wensen uit te oefenen op de in dit Reglement beschreven wijze, dan wel den Kerkeraad daartoe Bepaaldelijk machtigen'.

Dr. J. Rs Slotemaker de Bruine beschouwde de verandering als een verbetering:

'De gemeente kan haar recht zelve uitoefenen of telkens voor tien jaren den kerkeraad bepaaldelijk machtigen. Geschiedt dit laatste, dan oefent niettemin de gemeente het recht uit via den daartoe door haar gemachtigden kerkeraad en is dus niet de toestand van vóór 1852 aanwezig'.

('Nederlandsch Hervormd Kerkrecht' (1939) — blz. 34)

Eerst sedert 1871 kende onze Nederlandse Hervormde de facto de 'tienjaarlijkse stemming'!

Het kiescollege

Het 'Synodaal Reglement op de benoeming enz.' (1 maart 1867) deed ook het zogeheten 'kiescollege' ontstaan, d.w.z. in gemeenten met méér dan honderd stemgerechtigde manslidmaten, die de verkiezing van ouderlingen en diakenen (en predikanten) bij de tienjaarlijkse stemming niet aan de kerkeraad hadden overgedragen. In kleine gemeenten kreeg de Gemeente dat recht zonder meer.

Het college voor deze verkiezingen bestond uit de predikant(en), ouderlingen en diakenen van de Gemeente en uit tweemaal zoveel gemachtigden als er kerkeraadsleden behoorden te zijn. Deze gemachtigden werden gekozen door en uit de stemgerechtigde lidmaten, voor een tijdvak van vier jaar; de aftredende gemachtigden waren terstond herkiesbaar.

Postscriptum: Vanaf 1897 zijn er voorstellen geweest tot wijziging van 'manshdmaten' in 'lidmaten' — herhaaldelijk zonder blijvend succes. In 1922 viel de besHssing dat ook vrouwen stemrecht ontvingen, maar men ging niet zover dat vrouwen óok verkiesbaar waren tot ambtsdrager. De in 1922 definitief vastgestelde wijziging, die per 1-1-1923 in werking trad, hield wél in dat vrouwelijke lidmaten leden van het kiescollege konden zijn.

Latere pogingen om aan vrouwelijke lidmaten ook het passieve kiesrecht te geven, liepen schipbreuk: in 1931 voor ouderHng en diaken; in 1937 voor het ambt van diaken.

In het prachtige werk van wijlen dr. R. B. Evenhuis 'Ook dat was Amsterdam', kunt u in Deel V vanaf bladzijde 310 lezen hoe 'het kiescollege' in de Hervormde Gemeente te Amsterdam functioneerde.

De Nieuwe Kerkorde van 1951 kent geen kiescollege meer!

Indertijd liet dr. A. J. Bronkhorst zich critisch uit over het afschaffen van 'het kiescollege'. Ik citeer:

'Het is voor mij de vraag of de kiescolleges deze 'mort sans phrase' hebben verdiend. In vele gemeenten hebben zij m.i. voortref­ felijk werk gedaan en een waardevolle samenwerking van kerkeraad en gemeente tot stand gebracht. Moeilijkheden ontstonden allereerst in de zeer grote gemeenten, waar de kiescolleges uit honderden leden gingen bestaan en verder in die plaatsen, waar kiesverenigingen achter de kiescolleges aan ongekroonde pausen het aanzien gaven, die buiten alle apostolische successie om de gemeente beheersten. Waar de leden van het kiescollege opbouwende samenwerking met de kerkeraad zochten heeft het kiescollege m.i. voortreffelijk kunnen werken. Ave pia collegia!'

('Inleiding tot het nederlandse hervormde kerkrecht' — deel I: de inrichting der kerk — 's-Gravenhage/1951 — blz. 46)

Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk

Het Nederlands Hervormd kerkrecht is sinds 1 mei 1951 te vinden in een Kerkorde met 30 artikelen — aanvankelijk 29 —, nader uitgewerkt in een 20-tal Ordinanties, terwijl Overgangsbepalingen de wijze regelen, waarop een en ander in werking ging en gaat treden. Bovendien verwijzen de Ordinanties telkens naar door de Generale Synode vast te stellen Generale Regelingen.

Voor ons is thans met name van belang Ordinantie 3 voor de verkiezing van ambtsdra­ gers. De beslissende invloed op de wijze van verkiezing van ouderlingen en diakenen binnen het kader van de in Ordinantie 3 gegeven mogelijkheden is—evenals in 1867 — bij de Gemeente gelegd.

Volgens artikel 4 kunnen de tot stemmen bevoegde lidmaten der (wijk)gemeente hun bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen zichzelf voorbehouden of de kerkeraad machtigen namens hen deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk uit te oefenen. Hierover nu moet iedere zes jaar een beslissing worden genomen. In artikel 4, lid 2, lezen we: 'In 1951, daarna in 1956 en vervolgens om de zes jaren, ...'.

Eerst seder 1956 kent onze Nederlandse Hervormde Kerk de facto de 'tienjaarlijkse stemming'!

Het mooie praeludium van Ordinantie 3, zoals we dat lezen in art. 1, wil ik tenslotte de lezer niet onthouden (en de volgende maal er nog graag aan herinneren !)-'Bij de voorbereiding en leiding van de verkiezing van ambtsdragers herinnert de kerkeraad de gemeente aan de plaats en het werk van de ambten in de gemeente des Heren'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De zesjaarlijkse stemming (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken