Bekijk het origineel

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (1)

8 minuten leestijd

Oriëntatie

Een verhandeling over 'mens en arbeid' zou kunnen inzetten met een weergave van bijbelse gegevens inzake de arbeid in verband met het mensbeeld, zoals dat in de Schrift wordt geboden. Deze weergave kan zeker niet worden gemist, maar vanwege de klemtoon op het eigentijdse, 'mens en arbeid in de twintigste eeuw', zetten we nu liever in bij een oriëntatie op de aktuele situatie. Een goed hulpmiddel daarbij is de bundel 'Werken: zin of geen zin' (Baam 1986), waarin de hoogleraren van de theologische faculteit van de V.U. te Amsterdam vanuit verschillende vakgebieden bijdragen over de arbeid hebben geleverd. Zo schrijft G. Dekker over de vraag 'waarom is een betaalde baan in onze samenleving zo belangrijk? '. Het gaat in die vraagstelling om de waardering van de arbeid in de huidige maatschappij.

Werkloosheid wordt ervaren als één van de grootste problemen van deze tijd. Sommigen vinden het een ramp dat zij geen werk hebben. Ze proberen het zo lang mogelijk verborgen te houden voor hun omgeving. Er zijn baanlozen die zich afvragen: 'Wat heeft mijn leven nog voor zin nu blijkbaar niemand mij nodig heeft in de maatschappij? '

Tegelijkertijd is het zo dat velen die wél werk hebben, klagen dat zij geen vreugde in het werk vinden. Er wordt onderhandeld over A.T.V., arbeidstijdverkorting, en over verlaging van de VUT-leeftijd.

Hans Achterhuis heeft duidelijk gemaakt dat er een paradoxale situatie heerst rond arbeid en werkloosheid: 'Werken is mensbedervend, maar niet werken is ook on­ menselijk. Arbeid is ziekmakend, maar tegelijkertijd wordt er als naar een medicijn naar gesnakt'. Dit lijkt wel een heel negatieve benadering, maar geeft toch weer wat voor velen realiteit is: jarenlang hebben ze in een luidruchtige bedrijfshal aan de lopende band gestaan en hun werk als doffe ellende ervaren. Maar als hen op een kwade dag hun ontslag wordt aangezegd, is het alof hun wereld in elkaar stort! Liever uitgesproken slecht werk dan helemaal géén werk. 'WAO-ers zijn gehandicapt en ziek tengevolge van de arbeid die ze verricht hebben, maar ze blijken door de WAO nog zieker te worden'. Arbeid als een eigenaardig medicijn! (vgl. Hans Achterhuis; Arbeid, een eigenaardig medicijn. Baarn 1984). De werkeloosheid die mensen zozeer aangrijpt is beter te typeren als 'baanlooshéid'. Er kunnen allerlei vormen van vrijwilligerswerk en niet betaalde arbeid zijn, maar die kunnen het gemis van een baan niet vergoeden. Onder een baan of betaalde arbeid verstaan we 'economisch-produktieve arbeid', die verricht wordt in het huidige systeem van maatschappelijke voortbrenging, binnen een juridisch en economisch kader van rechten en plichten' (zo G. Dekker).

Van de plusminus 14, 5 miljoen inwoners van Nederland behoort ongeveer 40% tot de beroepsbevolking; er zijn ongeveer 5, 1 miljoen werkenden, ruim een derde van de totale bevolking dus. De gemiddelde full-time werkende werkt ongeveer 1600 uur per jaar, d.w.z. zo'n 18% van de totale hem of haar ter beschikking staande tijd wordt beroepsarbeid besteed. Dekker trekt op grond van deze statistische gegevens de

volgênae conclusies: ... aai siecAts ongeveer 6% van alle uren die alle Nederlanders tot hun beschikking hebben aan beroepsarbeid wordt besteed. Dat betekent — op gevaar af het te ridiculiseren — een gemiddelde van ongeveer 1, 5 uur per dag, dat wil zeggen ongeveer dezelfde tijd die we aan het gebruiken van onze maaltijd besteden'.

Als de beroepsarbeid dan slechts een relatief geringe sector van onze levenstijd beslaat, waarom heeft deze dan toch zo'n centrale plaats in de samenleving en ook in de belevingswereld van de mensen? Bij het antwoord op deze vraag moet worden gewezen op het bestaande arbeidsethos, d.w.z. onze waardering van en onze houding tegenover arbeid. In een publikatie van het Nederlands Gespreks Centrum, daterend uit 1983, wordt het arbeidsethos als volgt omschreven:

Van mannen, ongehuwde vrouwen en nog niet gehuwde vrouwen werd en wordt verwacht dat zij arbeid verrichten, en wel loonvormende arbeid. Voor de vrouwen met gezinsverantwoordelijkheid staat (niet-loonvormende) arbeid binnen het kader van het gezin en huishouden centraal. Voorts is de vrouw met gezinsverantwoordelijkheid elders inzetbaar. Afhankelijk van de noden van het gezin, de behoeften van de samenleving of haar eigen behoeften en wensen werkt de vrouw met gezinsverantwoordelijkheid mee in het gezinsbedrijf of werkt zij eventueel TDuitenhuis'. {Zwoegen, sloven, slaven: een verouderd arbeidsethos? Baarn 1983.) Dit arbeidsethos is tot nu toe in essentie recht overeind gebleven, hoewel er ook wel tekenen en tendenzen zijn die op verzwakking van dit arbeidsethos wijzen. Prof. Velema signaleert een 'golfbeweging in waardering van de arbeid' {Zin in het leven, Kampen 1987, 36). De benadrukking van de werkplicht en de bijna ongetemde werkdrang die Nederland eeuwenlang heeft gestempeld, de Calvinistische ijver om te werken, kwam onder zware kritiek. Er kwam meer aandacht voor de vrije tijd, meer afwending van het streven om vooruit te komen door hard werken. Maar de grote werkloosheid heeft weer voor een omslag gezorgd. Velen hebben er weer grote inspanning voor over om een plaats op de arbeidersmarkt te verkrijgen. Ook vandaag de dag onderschrijft het grootste deel van de Nederlandse bevolking dat er een morele plicht is om te werken, een visie die de kern van het arbeidsethos uitmaakt. Een belangrijk element is dat het hebben van werk status en een mogelijkheid tot maatschappelijke identificatie geeft. Je bént pas iemand als je economisch nuttig bent. Dat is de achtergrond van de diepe crisis die werklozen — of lie-. ver 'baanlozen' — kunnen doormaken.

Wat baanloosheid meebrengt

We wülen even wat nader stilstaan bij de gevolgen van baanloosheid voor hem of haar die dit treft alsook voor diens naaste omgeving.

Vanzelfsprekend is, er een grote verscheidenheid in de rekreatiepatronen van werklozen op hun situatie. Er zullen er zijn die zonder al te veel moeite zich aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Maar over het algemeen zal er van een crisis sprake zijn. Vele auteurs hebben een vergelijking getrokken met een rouw­ proces waarin verschillende stadia of fasen te herkennen zijn. Iemand die zijn of haar baan verliest, gaat door een partieel stervens-of rouwproces heen. Werkloos worden is een beetje sterven. Eerst is er de agressieve fase. Als een verdovende schok kan de werkeloosheid iemand overvallen. Wellicht is de eerste reaktie er een van schaamte en onberedeneerde schuldgevoelens. Ook al weet men zelf heel goed dat men niet door eigen schuld werkloos is geworden, toch is er de vrees anderen onder ogen te komen en een enkele ontaktische opmerking is dan al genoeg om iemand helemaal in zijn schulp te doen kruipen. Maar al gauw groeit het verzet, soms wel gepaard met uitgesproken agressie tegen de maatschappij in het algemeen, het bedrijf waar men gewerkt heeft in het bijzonder of tegen de vroegere kollega's die nog wel in het arbeidsproces zijn opgenomen en die veelal niets meer van zich laten horen. De werkloze is driftig aan het solliciteren, ook al heeft hij soms het gevoel dat het vechten tegen de bierkaai is. Hij of zij laat het nu niet langer over zijn kant gaan wanneer anderen generaliserende oordelen over 'die werklozen' vellen. Hen wordt — terecht — met kracht aan hun verstand gebracht dat werkloos niet hetzelfde is als werkschuw, eerder is weer te geven met de aanduiding 'werk-zoekend'. Een tweede fase zou de depressieve fase kunnen zijn. Het valt niet mee telkens weer de teleurstelling van een vruchteloos gebleven sollicitatie te moeten verwerken. De één denkt: 'ze moeten me niet meer, ik ben te oud, altijd heb ik hard gewerkt en nu word ik met een dank-jewel de laan uit gestuurd'. Een ander zegt: 'waarom krijgen die anderen, die leeftijdsgenoten van mij, wél een baan? Ik heb toch ook dat diploma — ik ben toch ook afgestudeerd — waarom kan en mag ik er nu niets mee doen? ' Zo gaan zelfbeklag en afgunst een rol spelen, wat ook op de omgeving van de werkloze zijn uitwerking niet mist. Werkloosheid is in vele gezinnen een stressfaktor: extra hoge eisen worden gesteld aan de huwelijkspartners en overige gezinsleden om samen de problemen de baas te kunnen. Wanneer de periode van werkloosheid wat langer gaat duren, wordt meer en meer duidelijk wat de werkloze allemaal missen moet. Wat verliest hij zoal? Om te beginnen een deel van het inkomen (a), waardoor de tering naar de nering moet worden gezet, dan tot op zekere hoogte zijn status (b), aangezien in onze maatschappij de waardering van een persoon sterk aan diens baan wordt opgehangen. Kinderen van een werkloze vader kunnen te horen krijgen: 'Jouw vader rijdt in een auto van de centen van mijn vader'. Het is bepaald niet prettig als je het gevoel hebt op de zak van iemand anders te moeten teren. Dan is er een verlies aan sociale kontakten (c), een verlies aan regelmaat (d) en als samenvatting van dit alles een verlies aan zin (e).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Mens en arbeid in de twintigste eeuw (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken