Bekijk het origineel

Het vaste fundament Gods

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het vaste fundament Gods

7 minuten leestijd

Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: en ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. 2 Tim. 2 : 19

De twee brieven van de Apostel Paulus aan Timotheüs geven aanwijzingen voor de opbouw van de gemeente als Huis Gods. Ze dragen een persoonlijk karakter. Dat bevreemdt ons niet. Er bestond een hartelijke verhouding tussen deze beide mannen. De Apostel noemt zijn mede-arbeider meer dan eens zijn geliefd kind, dat hij zelf in het Evangelie mocht telen.
De brieven zijn vaderlijk van toon. De tweede nog meer, dunkt ons, dan de eerste.
Maar al zijn deze herderlijke brieven wat anders getoonzet dan de brieven die aan bepaalde gemeenten werden geschreven het thema van alle brieven is hetzelfde: Jezus Christus en Die gekruisigd (1 Cor. 2 : 2).
In de eerste brief aan Timotheüs geeft Paulus het met deze woorden aan:
Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken (1 Tim. 1 : 15).
In de tweede brief neemt hij het weer op; Schaam u niet voor het getuigenis van onze Heere (1 : 8).
Timotheüs moet er echter wel mee rekenen, dat wanneer men van geen ander Evangelie wil weten dan dat van Jezus Christus en Die gekruisigd, verdrukkingen mee zullen komen. Maar hij moet voor het verzet tegen dit Evangelie, ook al brengt het hem in lijden, niet op zij gaan.
Is Paulus bevreesd geweest, dat dit wel eens zou kunnen gebeuren?
In de eerste brief aan zijn geliefde zoon schreef hij: 'Gelijk ik u al eerder vermaand heb te Efeze' – de plaats van Timotheüs werkzaamheid, waar zich geduchte tegenstand tegen het Evangelie openbaarde – 'te blijven, zo vermaan ik het u nog' (1 Tim. 1 : 3). Dus bevreesd dat Timotheüs het wel eens op zou kunnen geven?
Laten we niet vergeten dat Paulus deze brief schreef, toen hij zelf om de wille van het Evangelie een gevangen man was en dat uit alles wat hij erover schrijft blijkt, dat het een andere gevangenschap was dan die waarover het boek Handelingen der Apos­telen ons bericht. Toen werd Paulus rede­­lijk goed behandeld, maar daar is nu geen sprake van. Paulus moet er diep onder door. Hij is oud geworden en hij kan haast niet meer. Hij ziet zijn einde naderen. Ik weet, schrijft hij, dat de tijd van mijn ontbinding aanstaande is (2 : 6-8). Blij vooruitzicht, dat hem streelt! Ontbonden te worden en dan met Christus zijn, is voor Paulus immers zeer verre het beste!
Maar dan overvalt hem, als zo dikwijls, de zorg van al de gemeenten (2 Cor. 11 : 28), die hij moet achterlaten, als de tijd van zijn 'verherbergen' aanbreekt. Dan denkt hij aan Timotheüs, die hij alleen zal moeten laten in de moeiten van de worsteling om de gemeenten bij het Evangelie te bewaren. Hij weet ook, dat het er niet eenvoudiger op zal worden: Weet dit, dat in de laatste dagen zware tijden ontstaan zullen (3 : 1). Leugenleer en wetteloosheid zullen steeds meer om zich heen grijpen. Het zal aan de gemeenten niet voorbijgaan. Het 'peil' daarvan zal zakken, tengevolge waarvan de dwaling steeds meer ingang zal vinden en de gemeenten van binnen uit verwoest zullen worden.
De 'gedaante des godzaligheid' zal men weten op te houden, om niet te zeggen op te poetsen, maar de kracht daarvan zal meer en meer verloochend worden (3 : 5). Hoe mooi het ook allemaal mag lijken, het Evangelie der waarheid wordt miskend, verraden!
Timotheüs moet er zich toch niet door van de wijs laten brengen. Heb een afkeer, schreef Paulus al in de eerste brief, van dat ongoddelijk ijdel roepen van hen, die van de waarheid van het Evangelie afwijken. IJdel roepen, diepzinnig geredeneer, waarmee men hovaardig en lasterlijk het Evangelie dat ik brengen mocht en gij predikt, denkt te overtroeven. Hoe indrukwekkend het ook lijkt, het is uiteindelijk niets anders dan loze praat! Het loopt uit op meerdere goddeloosheid. Houdt u er ver van! Benaarstig u om u zelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, omdat hij het Woord der waarheid recht snijdt naar het in Christus geopenbaarde Evangelie.
Zo vermaant Paulus zijn zoon. Zijn jongen, zouden we haast zeggen. Maar hij bemoedigt hem ook door hem een hart onder de riem te steken. Het is moeilijk en het wordt nog erger: Maar het vaste fundament Gods staat!
Het fundament Gods. In 1 Cor. 3 : 11 schrijft Paulus, dat niemand een ander fundament kan leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. In een andere brief, Ef 2 : 20, zegt hij van de gemeente Gods, dat zij gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten. Dat is geen tegenstelling. Paulus voegt immers aan die laatste woorden toe: waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. Die het geheel draagt. Onze catechismus belijdt dan ook, dat de Zone Gods Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof vergadert, beschermt en onderhoudt (antw. 54).
Die gemeente, deze kerk zal als bouwwerk Gods onwrikbaar blijven staan temidden van alles wat haar van buitenaf tot niet dreigt te brengen en van binnenuit tot de ondergang zoekt te doemen. Het vaste fundament Gods stáát! De Heere houdt getrouw Zijn Woord en Zijne grote Naam ten prijs gedenkt Hij Zijn Verbond gestadig.
Dit mag ook ieder, die de zaligheid buiten zichzelf door het geloof in Christus vindt en als een levende steen in dat geheel van ware christgelovigen, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis de kerk noemt, wordt ingevoegd, vertrouwen.
De Heere laat de werken van Zijn hand niet varen. Niemand rukt de Zijnen uit Zijn hand.
En een arbeider in het Woord, die het om God en Diens eer te doen is, mag weten: Uw arbeid zal niet ijdel zijn in de Heere.
God staat voor Zijn eigen werk in en daarom blijft er ook in tijden van aanvechting van inzinking, bestrijding en polarisatie uitzicht en toekomst voor de kerk. Want zij is Gods werk en er staat – let wel – een tweevoudig zegel op.
We hebben bij dat zegel te denken aan inscripties, die op de voor een bouwwerk gebruikte stenen werden aangebracht. Oudtijds gebeurde dat dikwijls. Opgravingen hebben dat aan het licht gebracht. Soms vermeldden die stenen de naam van de bouwheer. Dat is te vergelijken met de handtekening waarmee een kunstenaar zijn schilderij signeert om het als zijn werk veilig te stellen. Zo dragen de stenen van het bouwwerk Gods Diens stempel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Zijn kennen sluit een verhouding van toegenegenheid, van liefde in. Het wil zeggen, dat Hij het in de aanvechting en bestrijding voor hen opneemt en het op Zijn tijd zal doen blijken, wie Hem werkelijk zijn toegedaan en in Zijn Naam spreken. Dat mag Timotheüs, als hij zich houdt aan en zal staan voor het Evangelie van Jezus Christus zich voor gezegd houden. Dat mag iedere arbeider in het Woord, die zich benaarstigt zichzelf Gode beproefd voor te stellen (2 : 15) zich voor gezegd houden. God beschaamt niet die op Hem hopen!
Ook werd in de oude tijd op de stenen van het bouwwerk wel een inscriptie aangebracht, die de bijzondere bestemming van dat bouwwerk aangaf. Dat was dikwijls het geval met tempels. Nu, zo staat op de stenen van het huis dat God bouwt, van de kerk die Christus vergadert ingegrift: Een ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. Dat is de bestemming van de gemeente des Heeren: Een heilige tempel in de Heeren te zijn (Ef. 2 : 21).
Eén ding moet ons nu wel duidelijk zijn. Dit, het is bijzonder bemoedigend en vertroostend, dat hoeveel boze stukken en raadslagen er ook tegen Gods kerk worden ondernomen: dat bij al dat gepolariseer dat tot geen ding nut is, dan tot afkering van de toehoorders, het fundament Gods vast staat, dragende het zegel dat God hen kent, die de Zijnen zijn. Dat God dit op Zijn tijd en wijze ook zal doen blijken.
Maar het tweede merk herinnert ons er aan, dat de Heere Die Zijn kerk naar Zijn ontwijfelbare belofte nooit begeven of verlaten zal, nergens en nooit gezegd heeft, dat Zijn gemeente daarom wel zorgeloos en slordig er op los kan leven. Dát zegel wijst de roeping van de gemeente en al haar leden aan om in de kracht Gods, dat is biddend, te staan naar een levensopenbaring, waarin met de ongerechtigheid in persoonlijk en gemeentelijk leven gebroken wordt. Naar het woord des Heeren: Weest heilig, want Ik ben heilig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het vaste fundament Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken