Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Alternatieve leefvormen erkennen?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Alternatieve leefvormen erkennen?

10 minuten leestijd

Binnenkort zal het kabinet zich uitspreken over een aantal voorstellen van de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojeten (in de wandeling Toetsingscommissie). Het betreft hier een in december 1991 uitgebracht advies van de Commissie over leefvormen, ofwel de Commissie Kortmann. In dit advies wordt de vraag onder ogen gezien of er rechtsgevolgen verbonden moeten worden aan andere leefvormen dan het huwelijk? Het is immers een onmiskenbaar gegeven dat er de laatste decennia naast het huwelijk vele andere samenlevingsvormen in zwang zijn gekomen. Juridisch heeft het burgerlijk huwelijk nog altijd in hoge mate een monopoliepositie, maar feitelijk is het in onze maatschappij één vorm naast anderen geworden. De opmars van de alternatieven lijkt niet te stuiten. De cie. Kortmann zag vragen onder ogen als: is het geheel van rechten en plichten voor elke leefvorm wel in evenwicht? Kan een publiekrechtelijke registratievorm van leefvormen een bijdrage leveren aan vermindering van de problemen waar de overheid voor staat ten aanzien van uitkeringen, belastingen en pensioenen? In de praktijk treedt immers rechtsongelijkheid op wanneer bijvoorbeeld een ouder stel dat samenwoont meer geld ontvangt krachtens de sociale wetgeving dan een overigens in vergelijkbare omstandigheden verkerend bejaard echtpaar. Het criterium van de gezamenlijke huishouding blijkt in de praktijk fraudegevoelig. Het is namelijk niet eenvoudig te controleren of iemand die zichzelf als alleenstaande kwalificeert ook inderdaad geen min of meer duurzame relatie heeft. Sinds de stelselherziening in de sociale zekerheid per 1.1.1987 zijn ongehuwd samenwonenden in het algemeen gelijkgesteld aan gehuwden. Maar de overheid zou er in haar ordenende taak mee geholpen zijn wanneer zij over een duidelijker criterium beschikte over wat nu exact onder 'samenwonen' verstaan dient te worden.

Tweeërlei registratie
De cie. Kortmann is nu met het voorstel gekomen om tweeërlei registratie van alternatieve leefvormen in te voeren. De lichte vorm houdt in dat partners in persoon of door middel van een schriftelijk stuk afkomstig van de notaris een verklaring afleggen (c.q. overleggen), die dan wordt opgenomen in de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie). Deze VOS (Verklaring Omtrent Samenleving) is een met name administratieve regeling die slechts aangeeft dat partners ten opzichte van elkaar een zekere aanspraak op onderhoud hebben.
De zware vorm is de 'registratie als publieke erkenning van duurzame verantwoordelijkheid van de partners ten opzichte van elkaar'. Het gaat hierbij om echte lotsverbondenheid, om partners die wel en wee met elkaar willen delen, maar geen huwelijk kunnen of willen sluiten (bijvoorbeeld omdat het om twee partners van hetzelfde geslacht gaat, maar ook waar het twee zusters betreft). De cie. Kortmann stelt voor aan deze zware registratievorm, die bij de Burgerlijke Stand plaats te vinden, de privaatrechtelijke rechtsgevolgen te verbinden die thans alleen het huwelijk heeft. Juridisch gezien gaat deze vorm dus heel veel op een huwelijk lijken. Weliswaar geeft de cie. nog geen gevolgen aan voor de kinderen die de partners bij het aangaan van zo'n relatie eventueel meebrengen. Maar wanneer er binnen die relatie kinderen geboren worden, ontstaat er een afstammingsrelatie en worden die kinderen dus officieel als het nageslacht van de betreffende partners geregistreerd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen al dan niet seksuele, hetero of homofiele relaties. Wel beperkt de registratie zich tot twee-relaties.
Samenvattend: er wordt geadviseerd twee publiekrechtelijke registratievormen naast het huwelijk in het leven te roepen, vooral om het handhavingsprobleem in verband met leefvormen in een groot aantal publiekrechtelijke regelingen met financiële gevolgen terug te dringen.

Zo zijn we niet getrouwd
Een geschrift dat vanuit christelijk perspectief een beoordeling geeft van deze ontwikkelingen is de brochure 'Zo zijn we niet getrouwd – Over de registratie van niet-huwelijkse samenlevingsvormen' van drs. Th Haasdijk e.a. (Groen van Prinsterer-reeks, 70; Barneveld 1992; 46 blz., ƒ 14,90). Het betreft hier een uitgave van het wetenschappelijk bureau van het GPV. In deze brochure wordt enerzijds de volstrekt unieke plaats van het huwelijk als een duurzame relatie tussen een man en een vrouw nog eens onderstreept. De overheid moet in het ordenen van het openbare leven recht doen aan dit scheppingsgegeven. Maar tegelijkertijd, zo wordt gesteld, kan de overheid vanwege diezelfde ordenende taak in de samenleving niet zomaar aan een bestaande situatie voorbijgaan. Daarom kan registratie van niet-huwelijkse samenlevingsvormen onder de huidige omstandigheden gewenst zijn. Aan die registratie kunnen dan bepaalde rechten op materieel gebied, die ook aan het huwelijk verbonden zijn, gekoppeld worden. Daarbij zal dan wel het onderscheid met het huwelijk overeind dienen te blijven. Vandaar de titel van de brochure: zó, namelijk in een samenlevingsvorm op grond van een door betrokkenen gesloten samenlevingsovereenkomst, die vervolgens door de overheid is geregistreerd, zijn we niet getrouwd! De sluiting van deze overeenkomst dient volgens de brochure bij de notaris plaats te vinden. 'Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het niet gaat om het door de overheid te erkennen huwelijk met zijn grote publieke betekenis, maar om een "gewone" overeenkomst tussen twee burgers' (41). Deze registratie zou niet verplicht moeten worden gesteld. Wel moet er op gelet worden dat niet-registratie niet zal leiden tot feitelijke bevoordeling. Registratie dient alleen gevolgen te hebben in het zaken- en vermogensrecht, dus niet voor het familierecht. De voorstellen van de cie. Kortmann inzake een 'zware' vorm van registratie worden afgewezen omdat het onderscheid met het huwelijk hierbij onvoldoende gehandhaafd wordt.

Verschillende reacties
Deze stellingname van GPV-zijde is in orthodox-protestantse kring niet onverdeeld positief begroet. Iemand die het ingenomen standpunt wel toejuicht, is prof. dr. J. Douma, de ethicus van vrijgemaakt Kampen. Hij acht een zekere erkenning van alternatieve seksuele relaties op burgerlijk terrein onontkoombaar: 'Wij kunnen gedwongen zijn iets in de politiek te erkennen, terwijl we ons er in de kerk niet bij neerleggen' (Moreel Beraad in Nederlands Dagblad, 29.08.1992). Morele bezwaren tegen alternatieve seksuele relaties behoeven juridische erkenning niet in de weg te staan. De kracht van het rapport is dat het echt aan politiek doet. Ook de meest christelijke overheid moet veel verkeerde dingen tolereren en reglementeren. In de ogen van Douma gaat het hier om een politiek gezond voorstel, een christelijke handreiking in een geseculariseerd land. Anderen, onder andere in kringen van SGP en RPF, blijken hierover heel anders te denken. Volgens hen moet de overheid ook de schijn van goedkeuring van zondige situaties vermijden. Mr. A. Rouvoet is bevreesd dat de door de GPV-brochure gewezen weg een eerste en wellicht beslissende stap zou kunnen zijn 'op de weg naar volledige publieke erkenning van deze alternatieve samenlevingsvormen en derhalve tot gelijkschakeling met het huwelijk' (Nederlands Dagblad, 29.07.1992).

Voortgaande discussie
In het RPF-orgaan Nieuw Nederland van december 1992 schrijft enerzijds mevr. M. Verhage-van Kooten dat de wijze waarop de GPV-brochure de ordenende taak van de overheid uitwerkt haar respect afdwingt. Haar positiekeuze is dat de overheid de privaatrechtelijke betrekkingen tussen mensen die buiten het huwelijk willen samenleven niet moet regelen, maar het aan de betreffenden moet overlaten deze kontraktueel zelf te regelen. Maar wanneer het om publiekrechtelijke rechtsregels gaat – bijvoorbeeld de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving – zou zij een verplichte registratie willen voorstellen, 'zodat sociale zekerheidswetten éénduidig op een bepaalde situatie kunnen worden toegepast en het in ieder geval duidelijk is welke publiekrechtelijke rechten en plichten bij welke situatie horen.'. Zij beklemtoont dat de overheid hiermee geen goedkeuring verleent aan de situatie, maar de feitelijkheid registreert. Anderzijds stelt Rouvoet in datzelfde nummer: 'wie met de beste bedoelingen in het afgrenzen van de werkingssfeer van de registratie zijn houvast zoekt in een onderscheid tussen privaat- en publiekrechtelijke zaken en familierechtelijke rechtsgevolgen, zal op enig moment tot de ontdekking komen dat hij geen principieel verweer heeft tegen ongewenste uitbreiding van de werkingssfeer in de toekomst. Maar veel belangrijker is dat het onderscheid tussen het huwelijk als enige door de overheid te erkennen samenlevingsvorm en de niet-huwelijkse relaties buitengewoon vaag wordt en – afhankelijk van de aan registratie verbonden rechtsgevolgen – deels verdwijnt. Anders gezegd: officiële registratie en legitimatie liggen wel heel dicht tegen elkaar aan!'
Het is duidelijk dat hier moeilijke vragen liggen ten aanzien van de reikwijdte van principieel christelijke politiek. Het kan goedkoop zijn om zich terug te trekken op een principieel getuigenis en daarmee de ordenende taak van de overheid prijs te geven. Maar het is aan de andere kant vuurgevaarlijk mee te werken aan de opmars van de alternatieven en daarmee aan de ondermijning van de unieke plaats van het huwelijk. In dit spanningsveld hebben orthodoxe christenen elkaar hard nodig om samen in voortgaande afweging verantwoorde wegen te zoeken.

De taak van de kerk
Hebben deze ontwikkelingen ook direkt betrekking op de kerken? Deze blijven in Nederland vrij om hun eigen normen te stellen. Zij behoeven niet te erkennen en in te zegenen wat de overheid wél erkent. Oppervlakkig gezien is er dus voor de kerken niets aan de hand… Maar wie even dieper doordenkt moet wel tot een andere conclusie komen. Er zal wel degelijk een uitstralingseffect optreden wanneer de voorstellen van de cie. Kortmann gevolgd worden. Wanneer alternatieve relatievormen maatschappelijk officieel geaccepteerd en gelegitimeerd worden, zal de druk op de kerken om deze trend te volgen alleen maar toenemen. Straks zal het verwijt van discriminatie wel gaan opklinken, wanneer kerken weigeren dergelijke relaties in te zegenen. Er is een ontwikkeling gaande die de kerken die vast willen houden aan het huwelijk als unieke scheppingsorde diep moet verontrusten en tot waakzaamheid moet dringen. Is het geen tijd voor een getuigenis van de kerken naar de politiek, en in de eerste plaats naar de christelijke partijen, met name naar de regeringspartij CDA toe?
Op nog een ander, met het bovenstaande samenhangend, punt is waakzaamheid van de kerken nodig. Er is een wet in voorbereiding tot afschaffing van de regeling die vastlegt dat er aan een kerkelijke inzegening een burgerlijk huwelijk vooraf dient te gaan. Het ligt dus in de bedoeling te bewerken dat het voortaan niet langer verlicht zal zijn een burgerlijk huwelijk te sluiten voordat in dat verband kerkelijke plechtigheden kunnen plaatsvinden. Van rooms-katholieke zijde is hierop al verheugd gereageerd. Hiermee zou volgens deze stemmen een eind komen aan een zekere beperking van de godsdienstvrijheid. Waarom mogen rooms-katholieken, hindoes en moslims niet trouwen zoals zij dat willen? Vanuit reformatorisch perspectief kijken we hier echter geheel anders tegenaan. Het betreffende, thans als verouderd gekwalificeerde, artikel 449 van het Burgerlijk Wetboek kan gewaardeerd worden als overeenstemmend met de reformatorische visie op het huwelijk als structuurprincipe van de samenleving. Daarom behoort de sluiting van het huwelijk niet thuis bij de kerk, maar bij de overheid, die als dienaresse Gods geroepen is op het publieke terrein een heilzame orde te handhaven en te bevorderen. Ds. L.M. Vreugdenhil heeft er in het Hervormd Weekblad op gewezen dat de gereformeerde ethicus Gisbertus Voetius uitdrukkelijk de confirmatio, de bevestiging in de zin van verbondssluiting, als taak van de overheid zag en de benedictio, de inzegening, als taak van de kerk. Pas bij de invoering van het Wetboek van Napoleon in 1809 is de situatie ontstaan die de gereformeerde theologen uit de zeventiende eeuw al als ideaal zagen. Het is te vrezen dat er nu een eind gaat komen aan deze principieel juiste situatie!
Kerk van Nederland, let op uw zaak!

J. Hoek, Veenendaal

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Alternatieve leefvormen erkennen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

PDF Bekijken