Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Met beslagen bril terugzien

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Met beslagen bril terugzien

13 minuten leestijd

Ter gelegenheid van het eerste lustrum van de Vereniging Voor Christen Historici werd door ondergetekende op zaterdag 10 september 1994 in de Jacobikerk te Utrecht gerefereerd over het thema 'Historisch besef en de Gereformeerde Gezindte'.Deze lezing is geplaatst in het januarinummer van het orgaan van de vereniging. In twee afleveringen plaatsen we deze lezing in deze kolommen

Historisch besef en de Gereformeerde Gezindte (1)

Voor de viering van het eerste lustrum van de Vereniging van Christen Historici, werd al thema vastgesteld: het geestelijk leven in kringen van het gereformeerd protestantisme in verband met de ervaring van de 'Geschichtslosigkeit' in onze tijd. Letterlijk werd in de toelichting op het verzoek gezegd: 'immers, steeds minder wordt bewust geleefd en gedacht vanuit een verbondenheid met het verleden; tradities raken bedreigd of beschadigd; de geschiedenis is "leeg" geworden, ze reikt geen argumenten (meer) ter bepaling van houdingen, daden, gedragingen van mensen en groepen mensen. Is "gedenken" nog mogelijk? '

Door deze opdracht voelde ik mij aangesproken. Nadruk op historisch besef — zo bleek nog recent bij de verschijning van een Hervormd Pleidooi — wordt al spoedig als romantisch afgedaan. Soms krijgt men de indruk, zowel in de samenleving als in de kerk, alsof de geschiedenis pas vandaag, met ons, mensen van vandaag, begint. Zelfs binnen één generatie kan de vergetelheid al toeslaan. We leven snel en na enkele jaren wordt soms al vergeten wat initiatiefnemers van allerlei kerkelijke en maatschappelijke verbanden nog slechts kort geleden verbanden beoogden.

Veel wat aan het verleden herinnert, wordt vandaag ook opgeruimd. Te denken valt aan kerken, die onder de slopershamer komen, door bulldozers — ironie van de geschiedenis! — van het merk Liebherr. We hoeven niet zover te gaan als in Engeland, waar vrijwel iedere steen van iedere ruïne wordt bewaard, maar laat alstublieft de stenen blijven spreken.

En laten we derhalve ook blijven gedenken. Gedenken levert, bij eerlijke benadering, vaak ontdekkende, om niet te zeggen pijnlijke resultaten op. Want te gedenken valt alleen wanneer het inhoudelijk nog relevant is wat herdacht wordt. Daarom blijven herdenkingen soms ook achterwege of worden met een zekere gene of verontschuldiging doorgevoerd. Dat geldt zowel herdenkingen in de wereld als in de kerk. Bij de viering van honderd jaar SDAP op augustus l.l.. werd, om een voorbeeld te noemen, herinnerd aan een woord van Domela Nieuwenhuis aan het eind van de vorige eeuw: 'Zoals de triomf van de christelijke kerk de val is geweest van het christelijke beginsel, zo zal de zegepraal van de sociaal-democratie de nederlaag van het socialisme zijn; de sociaal-democratische partij zal tenslotte ontaarden in een doodgewone hervormingspartij'. In het gedenkboek ter gelegenheid van honderd jaar SDAP wordt dan ook de teloorgang van het socialistisch elan verwoord. Maar ook kerkelijke herdenkingen staan vaak onder de spanning van afbuigingen of van veranderd denken.

Probleem

De eerste vraag wanneer het gaat om historisch besefis dunkt me: hoe doen we de geschiedenis feitelijk recht? Daarvoor zijn grosso modo wel een aantal criteria aan te geven. Deze dag staat min of meer in het teken van Groen van Prinsterer. Ook vandaag altijd nog bij hem in de leer gaan wanneer we de geschiedenis wallen laten spreken. Want allereerst wilde hij recht doen aan de feiten. Maar daarbij was bovendien geschiedenis voor hem Historie, 'het vlammend schrift van de levende God'. Dat betekent, dat de naakte feiten in de geschiedenis voor hem feiten waren in historisch perspectief. Zo heeft Groen de geschiedenis in zijn 'Handboek van de Vaderlandse geschiedenis' tot leven gewekt. En zo hebben generaties schoolmeesters erop gesteund.

Zo begreep ook, aldus J. A. Wormser, het gewone, zeg gelovige volk heel goed wat Groen in zijn Ongeloof en Revolutie schreef, terwijl een doctor in de medicijnen er niets van zei te begrijpen en hem 'horen en zien onder het lezen verging'. Dit laatste heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat Groen zelf wenste te spreken 'op den toon van christen en protestant'. Een protestant heeft nu eenmaal historisch besef, dat protestants geadeld is. Maar verder is van belang — en dat is voor alle tijden actueel — dat Groen de geschiedenis juist ook daarin tot haar recht wilde laten komen, dat hij ook aan zijn tegenstanders recht wilde doen. Hij zette om zo te zeggen de geschiedenis niet naar zijn hand. Ik citeer hem letterlijk:

'Mijne beginselen zijn, voor wie er belang in stellen mogt, uit andere Geschriften bekend. Zij kunnen allen teruggebragt worden tot de onvoorwaardelijke onderwerping aan den God, die zich in de Heilige Schriften geopenbaard heeft. De geheele Geschiedenis leert mij dat er voor Overheid en Volk, buiten gemeenschappelijken eerbied voor den hoogsten Wetgever, geen cement ter vereeniging van vrijheid en gezag is. Zij leert mij dat de leus: Er is geschreven! alleen tegen het ge weld der dwaalbegrippen een beproefd wapen in de hand geeft. Maar geen warmte eener geloofsovertuiging, die veeleer zachtmoedigheid en billijkheid gebiedt, heeft mij tot het gebruik van tweederlei weegschaal verleid. Vrijmoedig zeg ik dat volkomen onpartijdigheid mijn doel was; al zou ik niet gaarne beweren dat ik ze altijd en in allen deele bereikt heb.

De feiten recht doen en daarin ook de tegenstanders recht doen, is bij het zicht op de geschiedenis een hoge opgave. Dat is intussen geen sinecure. Het kan betekenen, dat ook eigen verleden onder de kritiek van de feiten komt, feiten die na datum méér voor zichzelf spreken dan ten tijde dat ze plaats vonden.

Gevoelige zenuw

Hier ligt een gevoelige zenuw in de 'Gereformeerde Gezindte'. Ik denk hier vooral aan de wijze, waarop in de Gereformeerde Ge­ zindte met de grote voormannen uit een nog niet zo ver verleden wordt omgegaan. Voormannen werden immers al spoedig heiligen en hun daden waren heiligendaden, hun woorden kregen een stralenkrans. Een eerlijk historisch beeld van Kuyper, Schilder, Kersten, Visscher of Kie­ ci vit, wordt bij hun directe nazaten, die ook hun epigonen waren of zijn, niet altijd verdragen. Dat blijkt telkens wanneer in wetenschappelijke geschriften aandacht aan te'. hen wordt gegeven en behalve de lichte ook de donkere partijen van hun leven en werk worden getekend. Daarom wordt soms de geschiedenis geforceerd, worden feiten verdraaid of vergoelijkt of gebagatelliseerd.

Toch zijn we er niet wanneer we het beroep op de geschiedenis alleen concentreren op de feiten in de geschiedenis. Het is altijd weer de moeilijkheid om de context, waarin de feiten stonden of plaats grepen, te laten meespelen. Het probleem dan is hoe de context tóén zich verhoudt tot de context nü. Het maakt daarbij verschil of de context van het heden wordt geëxtrapoleerd naar het verleden of omgekeerd. Tijden veranderen nu eenmaal en als tijden veranderen, terwijl mensen dezelfde blijven, veranderen zij ten opzichte van hun eigen tijd.

Ds. H. G. Abma zei ooit: 'De kerk moet veranderen om toch hetzelfde te blijven'. Er is dan ook vrijwel niemand, die zich consequent op het verleden beroept. Een tijdloos beroep op de zogeheten oudvaders laat discussie over de toelaatbaarheid van hun baard vandaag bijvoorbeeld kennelijk onverlet. Die baard is wel contextueel bepaald.

In het hiervolgende wil ik me, desgevraagd, nu verder vooral beperken tot de Gereformeerde Gezindte. In hoeverre is historisch besef daar namelijk een kritische categorie? Ik werk dit wat uit naar twee kanten: de waardering van Groen van Prinsterer en de waardering van de Reformatie.

De erfenis van Groen

De kwestie van de context speelt al — en laat ik dat als voorbeeld wat nader bezien — wanneer men zich op Groen van Prinsterer zelf wil beroepen. Ik laat hier nu de politiek buiten de orde, maar beperk mij tot de kerkelijke kwestie, voornamelijk die van de Gereformeerde Gezindte.

­ De grondwet van 1815 verleende aan alle godsdienstige 'gezindheden' in het koninkrijk alhier bescherming. Toen Thorbecke in 1848 gezindheid, vanwege het hervormde genootschap, veranderde in 'kerkgenootschap' en de afgescheidenen in conflict kwamen met de overheid, kwam Groen op voor hun goed recht. Voor Groen bleef de gereformeerde kerk in dit land één, ondanks de breuk van de afgescheidenen met het Hervormd Genootschap van zijn dagen. Krachtens hun gezindheid bleven ook de Afgescheidenen tot de Gereformeerde Gezindheid behoren. Voor Groen was voortaan de Gereformeerde Gezindte gelokaliseerd in en buiten het hervormd genootschap.

In de eindeloze discussies echter over het kerkelijk vraagstuk is sindsdien Groen van Prinsterer naar verschillende kanten getrokken. Moet ik zeggen: scheefgetrokken?

Hervormden hebben zich op hem beroepen, want Groen was toch maar niet met de Afscheiding meegegaan. Afgescheidenen hebben zich op hem beroepen en later Dolerenden en weer later Vrijgemaakt Gereformeerden. Deden de laatsten dit misschien vooral, omdat de nalatenschap van Groen een nationaal-gereformeerde was en vrijgemaakten een nationaal-gereformeerde claim hebben willen leggen op de kerkelijke geschiedenis vanaf de Reformatie?

Maar intussen is Groen ook een graag geziene postume gast bij de Kohlbruggianen en was hij ook in beeld toen vanuit die kring genoemd Hervormd Pleidooi het licht zag, waarin gepleit wordt voor het voortbestaan van de 'vaderlandse kerk'; een benaming, die bij Groen zelf vandaan komt, en waarop ook hervormde gereformeerden zich altijd weer beroepen.

Vermeldenswaard is hier overigens wel wat dr. J. Hendriks schrijft, in zijn proefschrift, getiteld 'De emancipatie der gereformeerden'. In het begin van dit boek omschrijft hij de gereformeerde wereld, de zogeheten Gereformeerde Gezindte. Hij somt de denominaties, die ertoe behoren, op, van oud gereformeerd tot vrijgemaakt, van synodaal gereformeerd tot christelijk gereformeerd en zegt dan, merkwaardigerwijs, ter afsluiting, dat er 'soms ook toe wordt gerekend de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk'. De confessionelen in deze kerk zijn al helemaal buiten beeld, en dat terwijl Groen aan de wieg stond van de Confessionele Vereniging (1867).

Hoe zit het dan met het historisch besef en met de historische objectiviteit? Wordt hier moedwillig een beeld vertekend? Of speelt hier de kwestie van de context? Met andere woorden: is er sinds Groen niet zoveel kerkgeschiedenis —Doleantie, Vrijmaking, Vrijraking — gepasseerd, dat hij niet meer 'los verkrijgbaar' oftewel onbevooroordeeld interpreteerbaar is?

Onbekrompen en ondubbelzinnig

Ik ga hierbij nog een stap verder: verdraagt Groens kerkelijk adagium inzake de belijdenis, namelijk 'de belijdenis onbekrompen en ondubbelzinnig', zich wel altijd met de liefde, die in allerlei kerkelijke kring voor hem gekoesterd wordt? Zijn kritiek op Dordt is hier en daar niet mals. Van confessionalisme viel Groen in ieder geval niet te beschuldigen. Men moet zich afvragen, wanneer men zich kerkelijk op Groen beroepen wil, of men dit ook van heler harte in confessioneel opzicht doen wil, als men tenminste de feiten recht wil doen. Hier speelt dan dus het 'onbekrompene' van Groens omgang met de belijdenis. Anderzijds is er het 'ondubbelzinnige'. Het blijkt vandaag mogelijk te zijn, dat Groen wordt geannexeerd, in zijn pleidooi voor het 'onbekrompene', voor verdediging van de Concept Kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. In stukken ter voorbereiding van de confessionele basis van deze kerkorde — met name in de zogeheten Verklaring van Overeenstemming ten aanzien van het samen kerk zijn — werd een beroep op Groen gedaan om 'gemeenschap met de belijdenis' te verkiezen boven 'overeenstemming met de belijdenis'. In de praktijk van het hervormde leven bleek dat een rekbare formulering. Bedoelde Groen nu echt een opgerekte gemeenschap, zoals de verenigde kerk zal zijn? Was dat zijn ideaal van de Gereformeerde Gezindte? Ooit sprak Groen dit gevleugeld woord:

'Buiten de leer van de om niet verleende genade, die Jezus Christus belijdt als waarachtig God en waarachtig Mens en Zijn dood aanvaardt als een volkomen verzoening voor al onze zonden, is er voor ons geen gereformeerde kerk, is er voor ons zelfs in het geheel geen kerk'.

Zulk een uitspraak duldt geen opgerekte gemeenschap. Bij het vijftienjarig bestaan van de Gereformeerde Sociale Academie De Vijverberg te Ede ging prof dr. W. E. de Gaay Eortman zelfs zó ver, dat hij Groens levenswerk in direct (positief) verband bracht met de Wereldraad van Kerken. Wat Groen in zijn dagen nationaal beoogde, beoogt de Wereldraad vandaag internationaal Is dat, met inachtneming van de context, écht vol te houden? Dan wordt het 'ondubbelzinnige', waarvoor Groen pleitte, toch wel helemaal uit het oog verloren! De vraag is vandaag: wil de echte Groen van Prinsterer opstaan?

'Ik heb geen gezochte eenheid en gedwongen verband in de gebeurtenissen gelegd', zegt Groen over zijn geschiedschrijving. Zulks moet ook maar niet geschieden met betrekking tot Groen zelf Want kennelijk is de bril, die men op heeft, moeilijk af te zetten. Wie gewend is Groen te zien door de bril van dr. K. Schilder, zal moeilijk wennen aan de bril van dr. W. Aalders. Voor historici blijft het intussen, dunkt mij, een uitdaging de echte Groen, gegeven de context toen en nu, voor het voetlicht te brengen.

Een stap verder

Dit nu brengt mij op het tweede wat ik hier vandaag wil zeggen. Want uiteindelijk was Groen geen Reformator. Ook hij heeft een bepaalde bril op gehad bij zijn visie op en oordeel óver de Reformatie, ook in de doorwerking ervan in de geschiedenis. Een nog dieper probleem duikt dan ook op wanneer we terug willen naar de Reformatie zélf Vier eeuwen na de Reformatie is het geen sinecure om deze Europese beweging zo in beeld te krijgen, dat deze geestelijk en maatschappelijk transparant wordt voor het heden, ook in het zich verenigende Europa. Dan moet er ongetwijfeld eerst stof van vier eeuwen van brillen worden afgepoetst.

Allereerst dan nu ook enkele opmerkingen over de kerk. Ik beperk me hier evenwel tot het vraagstuk van de éénheid der kerk, oftewel haar katholiciteit. Calvijn is ooit betiteld met de naam Cahinus Oecumenicus (W. Nijenhuis). Feit is dat Calvijn, naar eigen zeggen, bereid was zeeën over te steken om geestverwanten te ontmoeten. Feit is ook, dat hij méér open stond voor gemeenschap met Luther en diens medegenoten dan dat dit omgekeerd het geval was.

Caivijns oecumene in deze tijd

Hoe brengen we nu echter de 'oecumenische' gezindheid van Calvijn — ik spreek liever over katholieke gezindheid — over naar deze tijd? Dit is, gezien het verschil in tijdsbeeld, niet meer echt mogelijk. Calvijn stond aan het begin van een nieuwe periode in de geschiedenis, een tijd van opbloei, een tijd ook, die nog voluit gekenmerkt was door christelijke tekenen. Het was ook een tijd van grote kerkelijke herverkaveling, waarbij het uiteindelijk, naast Rome, om twee grote stromingen zou gaan: de lutherse en de gereformeerde. De kerk zélf was allerwegen in beweging.

Nu staan we zo ongeveer aan het einde van een periode van kerkelijke neergang, in een samenleving, die gekenmerkt wordt door het onttrekken van het leven aan buitenwereldlijke en boventijdelijke normen; kort gezegd een tijd van secularisatie. De onderscheiden kerken hebben bovendien een geheel eigen ontwikkeling van vele jaren doorgemaakt, met eigen wortels in de geschiedenis van de laatste eeuwen. De meeste kerken zijn vandaag dan ook meer gericht op consolidatie, op houden-watmen-heeft, dan op openheid naar anderen, al wordt de noodzaak daartoe wel met de mond beleden. De kerken zijn geen beweging meer zoals de Reformatie dat wel was. In Samen op Weg probeert men nu, vier eeuwen na datum, alsnog de lutherse en de gereformeerde stroom bijeen te brengen. Is dat misschien de oecumeniciteit van de Reformatie? Is dat hetzelfde als wat Melanchton bedoelde toen hij, met de veranderde Augsburgse confessie, de lutherse richting en de gereformeerde richting, o.a. op het punt van het avondmaal naar elkaar toe wilde buigen? Het tegendeel. Voor een juiste beeldvorming is hier historisch besef op z'n plaats. Vandaag neemt men in de Concept Kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland juist de o«-veranderde Augsburgse Confessie op, die verder van de gereformeerde belijdenissen staat. Dat op zich is tekenend voor de waardering van de confessies. Deze zijn niet meer 'akkoord van kerkelijke gemeenschap' maar eerbiedwaardige documenten uit het verleden, waarmee men vandaag in gemeenschap heet te zijn.

(Lezing ter gelegenheid van het eerste lustrum van de Vereniging voor Christen-Historici op zaterdag 10 september 1994 in de Jacobikerk te Utrecht.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Met beslagen bril terugzien

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken