Bekijk het origineel

Verleende dienst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verleende dienst

21 minuten leestijd

Afscheidswoord ds. C. van den Bergh op jaarvergadering Gereformeerde Bond 1995

Nu ik op deze 89e jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde (Geref.) Kerk liet voorzitterschap overdraag wil ik dit afscheidswoord stellen onder het licht van de 89e psalm. Dit doet ons van meet af aan afzien van onszelf en opzien tot de eeuwige God. Het is een psalm waarin de lofzang hoog opklinkt tot de God des Verbonds, om Zijn gunst en goedheid. Een lofzang niet op de werkzaamheden van ons mensen maar op de goedertierenheden des Heeren. Het gaat niet om onze trouw aan de waarheid, maar om de trouw van de Koning der kerk, van geslacht tot geslacht.

Het is ook een psalm, waarin wij opgeroepen worden Gods inzettingen te bewaren en te bewaken. Zijn geboden niet te vergeten. De Heere belooft in deze weg Zijn goedertierenheid niet weg te nemen. Zijn getrouwheid zal niet falen. Hierin ligt de hoop der kerk voor de toekomst verankerd. Die hoop is vast en zeker, even vast en zeker als het middelaarswerk van de Heere Jezus Christus, Gods Gezalfde. Deze klanken kennend, zult u voort kunnen en mogen gaan in het licht van Gods vriendelijk aangezicht. U zult zich verheugen in Zijn Naam. Bij alles waartoe u ook in de toekomst geroepen wordt, zal het in de weg van Gods inzettingen gelden: Ons schild is van de Heere en onze Koning is van de Heilige Israels.

Onder de lichtstralen van dit Woord des Konings is het goed bezig te zijn in de kerk, is het goed te leven in de gemeente, is het niet zonder vrucht te handelen binnen de Gereformeerde Bond. Wij hebben dit in de afgelopen jaren mogen ondervinden. We hebben het ervaren als een gave en opgave, een dienst aan de Koning der Kerk. Hierbij stond de eer van Hem voor ogen. Hij deed ons geloven dit werk te zien als een roeping binnen het geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het geloof in deze roeping bewaarde ons er voor de bond te zien als een doel in zichzelf

Ik wil daarbij nog eens ten overvloede wijze op de doelstelling van de bond, zoals deze verwoord is in de statuten; te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk. Dat is de Waarheid van het onverminkte Woord Gods, in de dienst der verzoening, waarin het heil der zielen voor ogen staat, van wie dan ook.

Heel de kerk

De verbreiding van de Waarheid heeft het geheel van de kerk op het oog. Dit wekt soms de gedachte, dat de bond zich zo breed mogelijk wil maken. De verdediging der Waarheid wekt naar buiten soms de indruk, dat wij een bolwerk willen zijn, een machtsblok, dat zich dreigend opstelt tegenover ieder, die de Waarheid anders invult en belijdt dan de bond. Het verwijt is meermalen geuit, dat wij een organisatie zijn, die zich wil laten gelden binnen de kerk, in plaats van een geestelijke beweging. Een organisatie, die het volk mobiliseert in opstand te komen tegen het bevoegde kerkelijke gezag. Nooit, maar dan ook nimmer heeft ons dit voor ogen gestaan. Wanneer er landelijke ambsdragersvergaderingen werden gehouden was dit omdat de gemeenten er dringend om vroegen of het nodig hadden. Wie deze bijeenkomsten heeft meegemaakt, weet dat deze niet gedragen werden uit zucht naar opstand tegen de synode, maar door gemeentelijke bewogenheid over het welzijn van de kerk.

Gemeenschap

Tegenover bovengenoemde verwijten wil ik de Gereformeerde Bond allereerst noemen een gemeenschap.

Een gemeenschap wil zeggen: samen iets gemeen hebben, met anderen deel hebben aan iets. Ik denk dan aan het gemeenschappelijk deel hebben aan en het verbonden zijn met de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik denk dan allereerst aan het deel hebben aan de zegeningen, die er binnen deze kerk zijn. Laten wij dat, temidden van alle zorgen om deze kerk, niet vergeten. Veel heeft de Heere, de God des Verbonds, in het verleden en in het heden ons geschonken binnen de kerk der vaderen. Hier binnen heeft Hij door de eeuwen heen de dienst der verzoening geschonken. Juist daarom is ons deze kerk lief, ons alles waard. Zegeningen door Zijn Woord, zegeningen door de dienst der sacramenten. Niets bindt zozeer samen dan de weldaden, die voortvloeien uit de dienst der verzoening, de verkondiging en de beleving van het Woord des Heeren. Het Woord van Hem Die zondaren zoekt. Die zalig maakt door het geloof in Christus.

Ondanks alle wederwaardigheden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, geloven wij en belijden wij, dat Christus door Zijn Geest en Woord ook binnen haar Zijn gemeente, ten eeuwig leven verkoren, vergadert, beschermt en bewaart. Zijn voetstappen zijn niet uitgewist en het licht van de kandelaar is niet weggenomen. Deze dienst, deze bediening van de Heilige Geest, bindt ons samen, doet ons de kerk beminnen. Dat is ook het kloppende hart van de bond en van allen, die zich met haar verwant weten. Dit is ook de innerlijke kracht om samen te staan en te leven voor het welzijn der kerk.

Deze gemeenschapszin is niet te organiseren. Het leeft of het leeft niet. Dat het leeft is mij vaak duidelijk geworden in de zorgen over het proces van Samen op Weg. Zo heb ik ervaren, dat de bond ook een gebedsgemeenschap is. Geen zondag ging voorbij de laatste tijd of we hoorden daarvan in het consistoriegebed van de dienstdoende ouderling. Altijd weer trof het mij dan, dat het niet ging om het behoud van de bond, maar om het behoud van de kerk, van de rechte prediking in de kerk en gemeente. Zo is er geworsteld in de kerk, in de gemeente en in de huizen, op vergaderingen. Deze ervaring leerde, dat het niet nodig was een bidstond te orgniseren, hoewel velen daar wel om vroegen met het oog op de zorgen rond SoW. Het leefde in het hart van het volk.

Zo hebben Wi] ons ook als hoofdbestuur altijd gedragen geweten door de gebeden. We hebben het ervaren als een gave Gods. We mogen dit ook wel zien als een uiting van de gemeenschap der heiligen, het samen zoeken te delen in de zegeningen van Christus en van de Heilige Geest. Ook dit is niet te organiseren! Bij alle gebrek en tekort aan geloof, hoop en liefde, ook onder ons, is er toch een volk, dat onbaatzuchtig zoekt het goede voor de kerk en de gemeente en haar leden. Het zoekt te delen met elkaar en voor elkaar in de schatten en gaven van de Heere Jezus Christus. Ik zeg dit niet om daarmee de veronderstelling te wekken, dat deze gemeenschap niet buiten onze kring gevonden zou worden. Ik zeg dit wel om elkaar des te meer op te roepen dit te zoeken en uit te dragen. Ik zeg dit opdat wij, om het met de Heidelberger te belijden, ons schuldig moeten weten onze gave ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden. Zo leeft men niet als lid van de bond, maar als huisgenoot des geloofs in de kerk en in de gemeente.

Geloof en belijden

De Gereformeerde Bond is ook een gemeenschap in geloof en belijden. Niets kan meer samenbinden dan het geloof in de Drieëenige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, het geloof, dat wortelt in Gods onveranderlijke Woord. Dat is toch niet het geloof, dat wij hebben uitgedacht of dat wij voorschrijven. We geloven toch niet in de statuten van de bond, maar in het Evangelie van Hem, Die Zijn kerk kocht met Zijn dierbaar bloed als de Gegevene des Vaders. Dat is het geloof, dat als een gave Gods ontvangen wordt, en ons ook als een erfenis der kerk is overgeleverd. Zo gaat deze gemeenschap uit boven alle tijden en ook naar hen, die niet tot onze kring behoren, maar wel een even dierbaar geloof zoeken en deelachtig zijn. Het is dan toch wel dat geloof, dat diep verborgen leeft in het hart van het gereformeerde volk.

Om het met ds. W. L. Tukker te zeggen: 'Christus zette Zijn voetstappen, voetstappen des heils, onder ons, zodat de trouw aan dit geloof met zich bracht een trouw aan het Woord Gods, een trouw aan de belijdenis der kerk, een trouw aan een levensinstelling en aan een levensvidjze, die uit niets dan uit het Woord Gods gevoed wilde zijn en die aan niets dan aan de belijdenis getoetst wilde zijn' (Positiebepaling van de Gereformeerde Bond).

Zo is de gemeenschap in het geloof ook de gemeenschap in de belijdenis der kerk. Bij alle veschillen, die er onder ons ook mogen zijn, mogen we elkaar daar toch altijd weer op aanspreken. In deze gemeenschap vallen wij staan en leven binnen de kerk.

Dit is ook de bron voor de amicitia en collegialiteit. Wij leven binnen de kerk niet als los zand naast elkaar. We mogen elkaar zijn tot een hand en een voet, elkaar als dienaren van het Woord en als ambtsdragers, juist in deze moeilijke tijd, in het oog houden, verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. We mogen elkaar vertroosten, vermanen en stichten. Altijd is die gemeenschapszin te ervaren op ambtsdragersvergaderingen, concio's en jaarvergaderingen. Bij alle verscheidenheid, die er dan ook aan de dag kan komen, is er de hartelijke verbondenheid aan elkaar. Zo heb ik bijzonder ook de bond als gemeenschap ervaren in de achterliggende jaren. Het is deze gemeenschapszin, die het mij mogelijk maakte mede leiding te geven als voorzitter. Bijzonder heb ik dit ervaren binnen het hoofdbestuur zelf. In de worsteling om de weg te vinden, de koers aan te houden, heeft het open overleg, het eerlijk uitkomen voor de overtuiging van elk der leden, het mogelijk gemaakt als broeders samen bezig te zijn in de afgelopen jaren.

Moeilijke jaren

We kunnen wel zeggen, dat dit niet de gemakkelijkste jaren zijn geweest in het bestaan van de bond. Vaak waren wij in verlegenheid. Dit werd soms uitgelegd als onzekerheid. Meermalen werd met vreze en beven de weg gezocht, die gegaan moest worden en gegaan mocht worden. Voor de één was het beleid te terughoudend, te voorzichtig, voor de ander weer te uitdagend en dreigend. Het waren jaren van dieptepunten vanwege synodale voorstellen en besluiten. Toch mocht dan ook juist de trouw van de Gods des Verbonds ondervonden worden en het vertrouwen in Hem bevestigd worden. Ik denk aan één samenkomst, die tekenend mocht zijn voor de verbondenheid aan elkaar: de ambtsdragersvergadering te Putten in november 1992. Daar bijzonder bleek hoe breed en hoe geestelijk het draagvlak van de Gereformeerde Bond is. Juist het geestelijk karakter van die vergadering heeft het hoofdbestuur diep getroffen en gesterkt in zijn verantwoordelijkheid tegenover de gehele kerk. Wij mochten geloven en belijden: Niet door kracht, noch door geweld, maardoor Mijn Geest zal het geschieden. Zo hebben wij alle zorgen over de kerk in handen mogen geven van de Koning van de Kerk. Zo er ooit één ambtsdragersvergadering is geweest, waarop duidelijk werd, dat wij geen partijprogramma nastreven, maar de trouw aan de kerk en haar belijdenis, dan is het deze geweest. Wij zochten en zoeken het spoor te gaan, dat reeds bij de oprichting van de bond was uitgezet. Dat is het pad van de dienst aan de kerk.

Verlenende dienst

Bij de oprichting van de bond stond ieder, die zich daarvoor inzetten, vóór dienstbaar te zijn aan het geheel van de kerk der vaderen. Voor de één was dat duidelijker dan voor de ander. Ieder, die de geschiedenis kent, weet dat de Gereformeerde Bond uit nood geboren is. Maar die geboorte verliep niet zonder barensweeën. Zo moest de weg gevonden worden om een vaste koers te bepalen. Dat bleek toen art. 4 van de statuten over de grondslag en het doel in 1909 veranderd werden. Niet alleen de reorganisatie van de kerk, de bevrijding van het juk van 1816, maar de verbreding en verdediging van de Gereformeerde Waarheid binnen de kerk werd het doel. Zo wilde men niet anders dan dienstbaar zijn aan het geheel van de kerk, die men liefhad vanwege de erfenis der Reformatie. Hierdoor is benadrukt, dat de bond allereerst en aller­ meest een geestelijke beweging wUde zijn. Men wilde als vereniging samenbindend werken voor hen die na afscheiding en Doleantie, ondanks de nood der kerk, haar trouw bleven. Dit was ook de reden om zich in te zetten voor de voorbereiding van de kerkorde, die de kerk moest bevrijden van de last van 1816. Zo namen prof. dr. J. Severijn, ds. L. Kievit en ds. J. J. Timmer plaats in de commissie voor de kerkorde. Dit werd niet door ieder begrepen. Maar juist hieruit bleek de dienstvaardigheid van de bond aan het geheel der kerk. Zij zochten een kerkorde, die geënt zou zijn op de Dortse Kerkorde. Het ging hen om het bewaren van de onverminkte belijdenis. Zo alleen zou de kerk gezond worden en zouden de gemeenten bewaard worden bij het erfgoed der Reformatie. Dat was en bleef het doel van de bond. Dat alleen gaf en geeft haar bestaansrecht.

Ook na 1951 is daar geen verandering in gekomen. De kerkorde bracht niet, wat men ervan verwachtte. Reeds in 1910 zie ds. J. H. F. Remme: Wat zou ons een fijn uitgedachte en uitgesponnen en in elkaar gezet systeem van kerkherstel, wat zou ons de scherpzinnigste opgezette theorie van reformatie verder brengen als het geen reformatie van binnen werd'. Dit profetische woord is bevestigd door de kerkorde van 1951. Bij al het goede, dat daarin te vinden is, bracht zij niet dat, wat er van verwacht werd. Het 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen' in art. X werd steeds ruimer uitgelegd dan het aanvankelijk de bedoeling was. Het werd de deur, waardoor steeds meer het eigentijdse denken een plaats ging krijgen in de kerk. De binding aan de belijdenis werd steeds meer een losvaste verbinding. Het belijden binnen de bond kwam steeds meer te staan tegenover het belijden, zoals dat vanuit de synode werd uitgelegd. Zij, die meewerkten vanuit de bond aan synodale geschriften, kwamen geïsoleerd te staan. Ik denk dan aan twee van deze geschriften: het rapport over de uitverkiezing en de herderlijke brief over de verzoening. Ook de besluiten van de synode aangaande de vrouw in het ambt brachten grote scheiding. Toch heeft de bond zich nooit aan de beraadslagingen van de synode onttrokken.

Dienstbaar blijven

Wel heel duidelijk is gebleken, dat de bond dienstbaar wilde zijn en blijven aan de kerk, toen het proces van SoW op gang kwam. Nooit heeft de bond zich aan de beraadslaging daarover onttrokken. Ik denk dan aan de inzet van velen uit ons midden op de meerdere vergaderingen en aan de handreikingen, die door het hoofdbestuur werden gegeven. Ik denk dan nogmaals aan de ambtsdragersvergaderingen te Barneveld en Putten. Wie zegt dat deze alleen machtsvertoon waren heeft er niets van begreqn, niet geproefd de zorg, die heerste, en de smart, die er geleden werd door heel de gang van zaken rond het proces SoW. Als dit alleen partijzucht geweest is, dan moge de Koning van de Kerk dit bezoeken met de roede van Zijn verbolgenheid.

Ik mag in alle ootmoed zeggen, dat het Manifest van Bameveld en het Adres van Putten over de intentie geen onduidelijkheid heeft gelaten. Wij wilden en begeerden niet anders dan hierdoor de kerk in haar geheel dienen. Dit dienstverlenend karakter van het geheel van de bond wil ik nog eens onderstrepen met datgene wat de algemeen secretaris schreef in De Waarheidsvriend na zijn bedanken als lid van de Raad van Deputaten: 'Meer dan twaalf jaar heb ik geparticipeerd in de Raad van Deputaten voor SoW vanuit de overtuiging, dat onze roeping is gegeven voor de Hervormde Kerk als gehéél. Die participatie werd ten volle mede gedragen door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Vooral in de begintijd moest echter nog al eens uitgelegd worden waarom deze plaats werd ingenomen. De laatste tijd kwam die vraag opnieuw sterker op. Met eigen deelnamen en de werkzaamheden van de Raad van Deputaten heb ik in alle gebrek en kwetsbaarheid het goede voor de kerk en gemeente willen zoeken. Mijn besluit om terug te treden moet mede in dit licht bezien worden. Er zijn grenzen in het dragen van verantwoordelijkheid. Die grens was bereikt. De roeping blijft'.

Dienst aan de Koning en aan de kerk

De verleende dienst aan de kerk behoort altijd te staan in het licht van de dienst aan de Koning der kerk. Dat is onze eerste roeping, onze eerste verantwoordelijkheid. Hij is de Kruiskoning, Die Zijn kerk kocht met Zijn bloed. Zonder Hem zou de kerk er nooit geweest zijn, waar dan ook en wanneer dan ook. Hij alleen vergadert en verzamelt en bewaart en beschermt Zijn kerk door Zijn Geest en Woord. Dat Hij daar mensen voor gebruikt en toe roept is Zijn goedheid. Het is ook onze roeping Hem daarin te dienen. Daar heeft Hij recht op. Zo is onze dienst ook de dienst aan de kerk van de Koning. Meermalen is gezegd, dat de kerk niet van ons is. Het gaat, ook binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, om de kerk van de Koning, de Heere Jezus Christus. Dat is de christelijke kerk, de gemeente van Christus. Nu weten wij allen, dat de grenzen van de Hervormde Kerk nooit samen vallen met die van de kerk der eeuwigheid. Dat geldt trouwens van elk kerkgenootschap, uit welke tijd ook en uit welk land ook. Toch is het wel onze roeping er alles aan te doen, dat zij het beeld vertoont van de kerk van Christus. Dat is de hoge roeping van de synode. Dat is ook de hoge roeping van ieder onzer. Zijn wij een levend lidmaat van de kerk, de gemeente van Christus? Dat is toch veel meer dan lid zijn van de vaderlandse kerk en oneindig meer dan lid zijn van de bond!

Nu vindt de dienst aan de Koning van de kerk en aan de kerk van de Koning haar wortels in de dienst aan het Woord. Dat is naar de orde der kerk de bron van de prediking en de enige regel des geloofs. Dat is de dienst in denkbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. Dat is ook de dienst der verzoening als het hart van elke dienst in de kerk. Wij kunnen de kerk geen groter dienst bewijzen dan te prediken de leer, die naar de godzaligheid is. Dat is het ganse Woord in al haar geledingen, de volle erfenis der genade. Dit mogen wij de kerk voorhouden en haar oproepen deze erfenis te aanvaarden en te behouden. Wij moeten er ook voor ijveren binnen eigen kring deze erfenis in haar volle breedte en diepte te verkondigen in het voetspoor der vaderen. Wanneer heel het christelijk geloof gepreekt en geleerd wordt zal ook de bevinding des geloofs in diepte toenemen. Dit is de bevinding, die niet het Woord overvleugelt, maar opkomt uit het Woord zelf. Dat is heel de waarheid Gods in Christus Jezus.

Hierin ligt ook opgesloten onze voortdurende zorg voor de opleiding tot predikanten. Vanaf haar oprichting heeft de Gereformeerde Bond met het oog daarop het Leerstoelen Studiefonds opgericht. Tot op de dag van vandaag mogen wij er ons op verheugen dat dit fonds door heel de breedte van de bond gedragen wordt.

Dankbaar ben ik dat, nog voor mijn afscheid, de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de Gereformeerde Godgeleerdheid aan de Universiteit te Utrecht door dr. A. de Reuver mocht worden meegemaakt. Bijzonder dankbaar ben ik ook dat dr. W. Verboom een vaste benoeming kreeg als kerkelijk docent aan de Universiteit te Leiden.

Ik denk bij deze dienst aan het Woord ook aan de ondersteuning en begeleiding van de theologische studenten vanuit het studiefonds. Ik noem dan ook de Theologische Hogeschool en de uitgaven door de bond tot verrijking van de kennis van Gods Woord en de belijdenis.

Liefdedienst

De verleende dienst is ook een liefdedienst om de God van het Woord. Hij is het die ons z'n Woord heeft toevertrouwd als een dierbaar pand. Hij gaf en geeft het ons tot zaligheid aan ieder die gelooft. Zouden wij Hem dan niet beminnen om dat Woord van genade in Zijn Zoon Jezus Christus? Zouden wij dan ook niet dat Woord van Hem beminnen en liefhebben? En liefhebben wil toch ook zeggen: trouw blijven aan dat Woord. Zouden wij ons dan niet blijvend in willen zetten om het te bewaren als een pand aan ons toevertrouwd? Niet alleen voor onszelf, maar ook tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk. We mogen toch weten, dat in de veelheid der onderdanen de heerlijkheid van de Koning ligt. Dan gaat dit Koninkrijk door Zijn gunst over de grenzen van onze kerk, over de grenzen van ons land ver heen. Dit gelovend is al onze dienst niet meer dan een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal. Wij belijden daarbij ook, dat onze verleende dienst vol is van zonde en schuld.

Bestreden dienst

Wij moeten ons er ook maar niet over beklagen, dat deze verleende dienst een bestreden dienst is. Hebben wij daar zelf ook niet wel eens aanleiding toe gegeven? Soms spreken wij voor onze beurt, spreken niet met twee woorden, wordt er gesproken wanneer er gezwegen moet worden en gezwegen wanneer er gesproken moet worden. Maar waar gesproken wordt naar 'de Wet en de Getuigenis' is er de bestrijding tegen het Woord. Dat is de weerstand tegen de leer der apostelen, welke is het fundament der kerk.

Zo is ook de belijdenis, de leer der kerk, vaak omstreden. De strijd om het rechte belijden dient zich in onze tijd meer en meer aan. Ik denk dan bijzonder aan de .vraag welke plaats de belijdenis heeft in het proces S.o.W. vanuit de Gereformeerde Kerken. Bij een bespreking van het hoofdbestuur en de deputaten aan de Gereformeerde kerken in 1951 was het enige bezwaar, dat de Gereformeerde Kerken steeds meer een eigen weg volgden inzake de beschouwing van het genadeverbond. Wie nu de gangbare opvatting aangaande de belijdenis in ogenschouw neemt in deze kerk, ontdekt dat er heel andere zaken aan de orde zijn. Ik denk dan aan het belijden aangaande het gezag van de Heilige Schrift, zoals dit verwoord is in de N.G.B. Moeten wij dan helaas niet zeggen, dat de Gereformeerde Kerken ten aanzien van het belijden der kerk van kleur verschoten zijn? Laat prof dr. H. M. Kuitert daar een exponent van zijn, zijn visie aangaande de Heilige Schrift heeft door heel de Gereformeerde Kerken een spoor getrokken. Zo zei eens één van de leden van het moderamen van deze kerk, dat het schriftkritisch verstaan van de Heilige Schrift een vrucht is van de doorwerking van de Heilige Geest. Wie hier niet in mee kan gaan wederstaat de Heilige Geest en de doorwerking van het Woord. Dit is dan toch geen karikatuur welke wij ons vormen, zoals ons verweten wordt, maar een uitspraak van een synodelid. Hier gaat de deur open voor ieder die de Schrift naar eigen inzicht wil uitleggen. Zo wordt de Heilige Schrift bestreden en de belijdenis omstreden. Maar laten wij daarbij dan niet alleen naar anderen zien. In deze zijn wij ook zelf in de schuld en nood begrepen. Wij riepen eens in het kader van het proces S.o.W. op tot schuldbelijden. Laat dit dan maar bij onszelf beginnen. Wij hebben ook als bond ons er voor te hoeden te denken, dat alleen wij het goed doen. Het goede, dat er is in elke verleende dienst, is niet van ons en niet uit ons. Het is alleen het goede van de God des Verbonds. Hij blijft Dezelfde.

Laat dit u ook moed geven voor de toekomst binnen de Gereformeerde Bond. Indien er geleden wordt aan het verval der kerk, laat dit dan een lijden zijn om Christus' wil. Dat houdt u laag bij de grond, diep afhankelijk van de Koning der Kerk. Zo leeft u in de kerk en binnen de bond onder de doorboorde en gezegende handen van de Levende Christus. In die handen ligt de verzoening van onze zonde, ook de zonde van de bond. In die handen ligt de vervulling van al onze tekorten in de dienst van deze Koning. Hij zij en blijve onze Enige Hoop, ook voor de Gereformeerde Bond. Ds. G. Boer zei eens: De bond mag sterven, als de kerk maar blijft. Tot op zekere hoogte stem ik daar van harte mee in. Toch moge de bond, die uit nood geboren is en wel een noodverband genoemd is, van mij voortleven ook als de nood der kerk zal opgeheven zijn. Maar dan als een geestelijke beweging ten dienste van de kerk. Als een gemeenschap in geloof, gebed en belijden, van harte verbonden aan de Christus der Schriften.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1995

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Verleende dienst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1995

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken