Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het belijden van de kerk (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het belijden van de kerk (2)

10 minuten leestijd

In het vorige artikel ging het over de noodzaak en de functie van de belijdenis. Ook over de benaming van 'de Drie Formulieren van Enigheid' en andere geschriften als belijdenis.

Ik schreef dat we om te weten wat de belijdenis voor de kerk vandaag zou kunnen (mogen) en moeten betekenen, we moeten nagaan waarom en hoe de kerk in de geschiedenis tot een belijdenis is gekomen. Meer aanduidenderwijs dan volledig willen we dat vanaf het begin van de Gereformeerde Kerk in ons land nagaan.

Ontwikkeling van de belijdenis in de geschiedenis van de kerk

1. In 1568 werd in Wezel de eerste samenkomst met 60 kerkleiders uit de Nederlanden gehouden. Deze samenkomst was in het geheim in Duitsland vanwege de onveilige toestanden in eigen land. In Wezel werd als belijdenis erkend de latere Nederlandse Geloofsbelijdenis, en de Heidelberger en Geneefse Catechismus. Men moest daarmee instemming betuigen, maar ondertekening was nog niet bindend voorgeschreven.

2. In 1571 werd in Emden de eerste nationaly synode gehouden. Men vroeg ondertekening van de Nederlandse en de Franse geloofsbelijdenis. De Heidelberger en de Geneefse Catechismus zouden alleen gebruikt mogen worden, tenzij reeds ergens een andere bijbelgetrouwe in gebruik zou zijn.

3. In de eerste nationale synode op vaderlandse bodem, in Dordrecht 1578, wordt dit herhaald: onderschrijving van de Geloofsbelijdenis in 37 artikelen begrepen door Predikanten, Theologieprofessoren en Ouderlingen, en gebruik van de catechismus zoals die achter de Psalmen van Datheen of achter de Franse Psalmen te vinden is. Ook mag men het Kort Onderzoek des Geloofs (van Micronius), zoals dat achter de Psalmen van Datheen te vinden is, gebruiken.

4. De nationale synode van Middelburg 1581 bepaalt in artikel 37: De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen, ook de Professoren in de Theologie en de Schoolmeesters zullen de Belijdenis des Geloofs van de Nederlandse Kerken ondertekenen. Het in 1578 in Dordrecht bepaalde over het gebruiken van een catechismus wordt in Middelburg zonder meer overgenomen.

5. De nationale synode van 1586 in Den Haag maakte de regels iets anders. Predikanten die weigeren te tekenen zullen geschorst worden. En de Schoolmeesters mogen nu in plaats van de Geloofsbelijdenis de Christelijke Catechismus ondertekenen. Het lijkt erop dat door het laten ondertekenen van de catechismus, deze nu ook meer als een belijdenisgeschrift wordt gezien.

6. De nationale synode van Dordrecht 1618-'19. Zoals bekend ontstaat hier naast de al bestaande Geloofsbelijdenis en Heidelberger Catechismus het derde belijdenisgeschrift: de Dordte Leerregels. Men lette erop dat wij steeds spreken van de drie belijdenisgeschriften, samengevat in 'de belijdenis' maar dat men dat in Dordt en lang daarna niet deed. Onder de belijdenis verstond men alleen de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De andere twee noemde men de Catechismus en de Besluiten van de synode van Dordt. De Belijdenis der Kerk viel toen niet samen met de Drie Formulieren van Enigheid.

7. Bijna twee eeuwen verstreken, geen synode werd gehouden, de kerk leed onder allerlei wind van leer en binding aan een belijdenis functioneerde niet. Na de storm over de kerk in de Franse tijd kwam in 1816 de Reglementenbundel. Waarin bewust vaag en tweeslachtig over de belijdenis werd gesproken. Hier zullen we wat dieper op in moeten gaan.

De Reglementenbundel en de Belijdenis van de kerk

De Reglementenbundel wilde het synodale bestuur niet over leerstellige geschillen laten beslissen, maar alleen bureaucratisch de kerk laten besturen. Wel kwam de belijdenis aan de orde in de zgn. proponentsformule, te ondertekenen door ieder die predikant wilde worden.

De proponenten moesten instemming betuigen met 'de leer welke overeenkomstig Gods heilig woord in de aangenomen formulieren van enigheid is vervat'. Over deze zinsnede zijn boeken vol geschreven. Zowel over het eerste gecursiveerde als over het tweede. Wij beperken ons voor ons onderwerp tot het tweede: de aangenomen formulieren.

Welke zijn de aangenomen formulieren? Vanuit de historie van de Nederlandse Gereformeerde Kerk zou hier geen twijfel over behoeven te zijn. In de laatste nationale synode, die van Dordrecht 1619, de hoogste wetgevende instantie van de kerk, had men drie formulieren aangenomen: de Geloofsbelijdenis, de Catechismus en de Dordtse Leerregels.

De opstellers van de Reglementenbundel zaten vooral met dat laatste formulier in hun maag. Het sloot de remonstranten uit en verhinderde zo de weg naar de door hen gewenste vorm van verdraagzaamheid en eenheid.

Men dacht een oplossing gevonden te hebben voor dit probleem.

De Dordtse Leerregels zouden niet algemeen en overal aangenomen zijn en vielen dus buiten de 'aangenomen formulieren'. Men meende ontdekt te hebben dat in Friesland de Leerregels niet vermeld waren in het ondertekeningsformulier voor proponenten na 1619, althans niet altijd en niet in elke classis. Daaruit construeerden de latere tegenstanders van de Leerregels dat deze dus niet aangenomen waren geworden.

Dr. Volger, die uitgebreid op dit probleem is ingegaan, concludeert echter terecht heel kort en bondig: men verwarde 'aangenomen' met 'ingevoerd'. Het provinciale kerkbestuur van Friesland had zich conform de beslissingen van Dordt gedragen, maar ergens is de volledige implementatie verzuimd. En dat gebeurde omdat de Staten van Friesland wel de besluiten aangaande leer van Dordt goedkeurden, maar niet de Dordtse kerkenordening, terwijl juist in die kerkenordening de ondertekeningsclausule was opgenomen.

De vrijzinnige prof. J. H. Scholten schreef in 1860 in zijn 'De Leer der Hervormde Kerk' over dit probleem in Friesland: 'De Canones werden als leer erkend, maar het ondertekeningsformulier werd, wegens het niet goedkeuren van regeringswege der postacta der synode van 1619, waaronder de vaststelling der ondertekening behoorde (16 mei 1619), niet algemeen ingevoerd' .

De opstellers van deze passage uit de Reglementenbundel bedoelden met hun foutieve interpretatie dat er slechts twee formulieren van enigheid zouden zijn, maar de feitelijke gang van zaken was dat er heus wel drie zijn aangenomen.

Helaas is daarmee niet alles opgelost. De binding aan de belijdenisgeschriften, de naleving ervan en de prediking naar de belijdenis was na 1816 geen vanzelfsprekende zaak.

Anders hadden Afscheiding en Doleantie niet zo plaats kunnen vinden.

En verder

Met de Reglementenbundel en een louter bureaucratisch synodaal bestuur was er geen kans dat de kerk belijdend zou kunnen spreken. Er waren heus wel ketterijen van het kaliber van de remonstrantse, maar de kerk had had geen mond meer. Na de nationale synode van Dordt van 1618/'19 duurde het meer dan 330 jaar voor er weer een synode over de leer van de Hervormde Kerk kon beslissen. Nog langer dan het tijdsverloop tussen het concilie van Trente en Vaticanum I in de roomse kerk.

Geen wonder dat men het toenemen der jaren en eeuwen Dordt en de belijdenisvorming daar geïdealiseerd werd en wordt. Iets anders is moeilijk meer voor te stellen. Net als met de kerkenorde van Dordt en de Statenvertaling dreigt het gevaar dat met de verschuldigde dankbaarheid en eerbied ook de onfeilbaarheid wordt uitgesproken.

In 1951 krijgt de Hervormde Kerk eindelijk weer een eigen kerkelijke orde. Maar aan de belijdenisgeschriften wordt niets veranderd. Wel wordt de mate van acceptatie en binding anders geformuleerd. Geheel anders wordt dat echter bij het voortgaan van het voorbereidingsproces van de VPKN. Plots moeten gemeenten zich uitspreken over de acceptatie van een verzameling oude en nieuwe belijdenisgeschriften. Waarbij ook de innerlijke tegenstrijdigheid van verschillende daarvan terecht veel reacties oproept.

Wilden de opstellers van de Reglementenbundel de verdraagzaamheid en eenheid dienen, door één van de drie belijdenisformulieren weg te moffelen, thans denkt men de verdraagzaamheid en de eenheid te dienen door allerlei oude en nieuwe belijdenisgeschriften van verschillende en tegenstrijdige achtergrond en inhoud naast elkaar te introduceren.

Intermezzo: verwarring over namen

1. De Apostolische Geloofsbelijdenis is niet het directe werk van de apostelen geweest.

2. De Geloofsbelijdenis van Nicea is niet van het Concilium van Nicea 325, maar van dat in Constantinopel in 381, nadien nog gewijzigd.

3. De Geloofsbelijdenis van Athanasius is niet van Athanasius, maar uit de vijfde eeuw.

4. De Heidelberger Catechismus is oorspronkelijk niet bedoeld als belijdenisgeschrift, maar (zie achter de Psalmen) als 'onderwijzing in de Christelijke leer, die in de Nederlandse Gereformeerde Kerken en scholen geleerd wordt'.

5. De Nederlandse Geloofsbelijdenis was oorspronkelijk de Franse Belijdenis en heette later de Confessio Belgica. Het is een echt belijdenisgeschrift: van de 37 artikelen beginnen 29 met: wij geloven; 2 met: wij belijden, en elk één met: wij vervatten, wij reguleren, wij onderscheiden, wij weten en ook één met: wij geloven en belijden.

6. De ondertitel van de Canones van Dordt luidt: oordeel van de nationale synode van de Gereformeerde Kerken van de Verenigde Nederlanden.

7. De Konkordie (concordia = eendracht) van Leuenberg bracht en brengt meer tweedracht dan eendracht in de kerken.

Wijzigingen en/of toevoegingen (historisch)

Op het punt van wijzigingen of toevoegingen lopen de meningen binnen de Gereformeerde Gezindte scherp uiteen. Dikwijls wordt de mogelijkheid daartoe afgewezen op defaitistische gronden: het geeft alleen maar verdeeldheid, we hebben de geestelijke toonhoogte niet meer, we moeten vooral niet de indruk maken dat er iets aan de belijdenis zou mankeren. Anderen vinden dat alles al in de drie formulieren is gezegd, geen ketterij is meer denkbaar die niet al veroordeeld is in de bestaande belijdenis.

Laten we de geschiedenis van de kerk op dit punt van wijzigingen en/of toevoegingen eens bezien:

1. Tot en op de nationale synode van Dordrecht 1618/'19 zijn wijzigingen in de Heidelberger Catechismus en de Geloofsbelijdenis aangebracht. In Dordrecht is nergens gesteld dat daar het laatste woord gesproken zou zijn.

2. Gisbertus Voetius achtte dat wijziging van een belijdenisgeschrift goed is wanneer:

a. Er iets dubbelzinnigs blijkt in de belijdenis

b. Wanneer er iets aan toegevoegd moet worden

c. Wanneer er nieuwe ketterijen zouden optreden.

In 1653 blijkt Voetius in Utrecht een verklaring van onderwerping aan de Canones van Dordt niet noodzakelijk te achten wanneer remonstrantse gemeenteleden willen overkomen (terugkeren) naar de Gereformeerde Kerk. Ten aanzien van remonstrantse predikanten ligt dat anders. Voetius was dus zeker geen verstarde confessionalist.

3. Herhaaldelijk zijn door bepaalde kerken wijzigingen aangebracht in de Drie Formulieren van Enigheid:

a. Door de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1905 van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hierin warempel gevolgd door de Reformed Congregations in North-America en Canada (dat zijn de Gereformeerde Gemeenten) in hun Psalter.

b. Door de Christian Reformed Church of North-America in 1988 van artikel 36: een wijziging en een aanvulling tegen het communisme en de anarchie.

4. De Westminster Confessie van 1647-1650 is op verschillende plaatsen door een aantal Presbyteriaanse Kerken gewijzigd (o.a. artikel 25, 6 over de paus van Rome als antichrist) en aangevuld met artikelen over o.a. de zending.

5. De grote Presbyteriaanse Kerk van Amerika (PC(USA)) heeft in 1925 de Westminster Confessie vervangen door een kortere en meer liberale belijdenis.

Een aantal van de bovengenoemde voorbeelden kunnen ons terecht beducht ma ken voor wijzigingen en/of toevoegingen. Maar het oude adagium blijft ook hier: abusus non tollit usum, het misbruik heft het gebruik niet op.

Voor we ooit zouden willen overgaan tot eventuele wijzigingen en/of toevoegingen, moeten we eerst duidelijk een aantal voorwaarden vaststellen. Die voorwaarden zijn niet nieuw.

Daarover echter en over de actualiteit volgende keer meer. Ook bezien we dan nog enkele opvallende relaties in de belijdenisvorming, nl. de overheidsbemoeienis en de zendingsactiviteiten.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Het belijden van de kerk (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken