Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Uit het 'Kerkverleden' van Lage Vuursche, geknipt uit 'De Band van het Woord':

'In 1941 l< omt ds. J. van Sliedregt op de Vuursche. Op 13 augustus bespreekt hij met het college wat er zijns inziens veranderen moet aan de opstelling. De preekstoel, die eerst in de hoek tegen de muur stond opgesteld, wil hij in het midden van de gemeente. Dat besluit vergt een hele verbouwing doordat de banken erom heen moeten worden verplaatst. Aannemer Van de Velde begroot het geheel op f 300, - . Door tegenvallers wordt het nogal wat duurder Op 27 december gaat de dominee de Vuursche al weer verlaten...! Met de preekstoel is het nooit meer echt goed gekomen. W. Otten schrijft in zijn boek over de Vuursche dat de dominee bij zijn afscheid vertelde dit kleine dorpje niet snel meer te vergeten. Ook de kerkgangers behoeven deze predikant niet meer te vergeten, want de haak waaraan ooit het klankbord van de preekstoel hing, getuigt er nog steeds van dat het vroeger anders was...!'

In het Contactblad van de Gereformeerde Bond afdeling Amsterdam schreef G. J. Borger het volgende aardige verhaal over 'Het uur en de klok': ­

'De oude Babyloniërs en Egyptenaren hadden een voorkeur voor het twaalftallige stelsel. Die voorkeur werkt door in de thans nog gebruikelijke indeling van het Jaar in twaalf maanden. Ook de dag en de nacht werden door hen ingedeeld in twaalf eenheden. Zo komen wij aan een indeling van het etmaal in vierentwintig uren.

Vóór de uitvinding van het uurwerk was het moeilijk om precies vast te stellen hoe lang een uur duurde. De grens tussen dag en nacht wordt bepaald door zonsopgang en zonsondergang. Met zonsopgang eindigde het twaalfde uur van de nacht en begon het eerste uur van de dag en met zonsondergang eindigde het twaalfde uur van de dag en begon het eerste uur van de nacht. De duur van dag en nacht verschilt in de winter echter wezenlijk van die in de zomen Desondanks verdeelde men zowel in de winter als in de zomer de dag en de nacht in twaalf uren. Dat betekende dat in de winter de nachtelijke uren veel langer waren dan de uren overdag en dat in de zomertijd de uren overdag veel langer waren dan de uren 's nachts. In onze streken is het in de maand juni ongeveer 18 uur licht. Gedeeld door twaalf levert dat een "uur" op dat gelijk staat aan Vh klokke-uur Middenin de winter is het overdag echter niet langer dan 6 uur licht. In de winter duurde een "uur" vroeger dus niet langer dan dertig minuten. Geen wonder dus dat het "uurloon" vroeger in de zomer beduidend hoger was dan in de winter!

Eeuwenlang heeft men gewerkt met dit stelsel van ongelijke uren. Ook in de Bijbel is dat het geval, bijvoorbeeld als Petrus op de Pinksterdag zegt dat het "de derde ure van de dag" is (Hand. 2 : 15). Volgens onze klok moet dat "derde uur van de dag" 's morgens tussen half acht en half negen worden geplaatst. Geen wonder dus dat Petrus de beschuldiging van dronkenschap verontwaardigd van de hand wijst.

Ook in de Middeleeuwen rekende men met deze ongelijke uren. Het meest strikt gebeurde dat in de kloosters. De kloosterregel schreef de monniken namelijk voor dat er bij zonsopgang en daarna op het derde, het zesde en het negende uur een kerkdienst gehouden moest worden.

Gewoonlijk werden deze diensten vooraf gegaan door het luiden van een klok. Het geluid van deze klokken was tot in de verre omgeving van de kloosters en abdijen te horen. De dagindeling van de bewoners van veel steden en dorpen werd in de Middeleeuwen dan ook in hoge mate bepaald door de kerkelijke liturgie. Later nam de stadsklok deze rol oven Een belangrijke verbetering in het meten van de

tijd werd mogelijk door de ontwikkeling van het slaguurwerk. Voorzover we weten werd het eer-

ste model voor een slaguurwerk gebouwd in 1336 in Milaan, maar enkele decennia later blijken er uurwerken te staan in Brugge, Brussel, Utrecht en Cent. Het voordeel van het slaguurwerk was dat men de lengte van het uur nauwkeuriger kon vaststellen. Het stelsel van de ongelijke uren werd daardoor overbodig. Een moeilijkheid was wel op welk moment van de dag men de uren moest beginnen te tellen. In Italië was men gebruikelijk om de klokke-uren te tellen vanaf het moment dat de avond viel terwijl men in de omgeving Neurenberg de uren telde vanaf het moment van zonsopgang. In beide gevallen sloot men dus aan bij de oude indeling van het etmaal, waarbij de overgang tussen dag en de nacht werd gevormd door zonsop-en - ondergang. In de praktijk was deze regeling echter weinig praktisch. In de loop van het jaar verschuift het moment van zonsopgang-en - ondergang namelijk voortdurend. Om het verschil tussen de zonnetijd en de klokketijd niet te groot te laten worden, moesten de klokkenmakers in Italië en Zuid-Duitsland om de paar dagen de toren beklimmen om de klok weer gelijk te zetten. Na verloop van tijd heeft men deze uurtelling dan ook losgelaten en vervangen door de huidige telling. Ook bij de moderne uurtelling is het etmaal opgedeeld in twee perioden van 12 uur Het tijdstip waarop de telling van de uren begint is daarbij echter niet het moment van zonsop-of - ondergang, maar het moment van de hoogste zonnestand. Dat moment, midden op de dag (= middag!), verschuift nauwelijk in de loop van het jaar. Als de klok goed is afgesteld, hoeft men er lange tijd niet meer naar om te kijken. Vermoedelijk is deze moderne uurtelling, al in de loop van de 14e eeuw in de Nederlanden ontstaan. Spoedig daarna werd deze wijze van uurtelling ook in andere delen van Europa, de meest gebruikelijke.

De moderne uurtelling bleek na verloop van tijd toch nog een belangrijk nadeel te hebben. Dat hangt samen met het feit dat het beginpunt van de telling midden op de dag is gelegd. Door de draaiing van de aarde bereikt de zon eerst in Berlijn zijn hoogste stand, daarna in Parijs en nog weer later in Londen. En op al die plaatsen was men gewoon om de klok op twaalf uur te zetten als de zon zijn hoogste stand had bereikt Maar dat waren dan wel verschillende tijdstippen! In feite ging het dus steeds om een plaatselijke tijd. Lange tijd was dat geen probleem, maar toen de spoorwegen werden aangelegd en de dienstregeling tot op de minuut nauwkeurig moest worden uitgerekend, werd het noodzakelijk om nieuwe afspraken te maken over de indeling van de tijd. In 1884 werd tijdens een internationale conferentie in Washington besloten dat de plaatselijke tijd van de sterrenwacht bij het Engelse plaatsje Greenwich wereldwijd als nulpunt voor de tijdsindeling zou worden gebruikt. Op grond van dit besluit werd de wereld vervolgens opgedeeld in vierentwintig verschillende tijdszones, elk met een eigen tijd. Bij de overgang van de ene tijdzone naar de andere, moet de klok dus een uur vóór of achteruit worden gezet.

Deze afspraak uit 1884 over de internationale indeling van de tijd is naderhand door steeds meer landen overgenomen. Nederland heeft in dat opzicht nog even moeilijk gedaan. In 1909 werd bepaald dat de plaatselijke tijd van Amsterdam de wettige tijd in heel Nederland zou zijn. Alleen voor de spoorwegen werd een uitzondering gemaakt: daar zou men volgens de Greenwich-tijd blijven rekenen. Deze aparte tijd voor de spoorwegen, de zogenaamde spoortijd, is in Nederland blijven bestaan tot 1940. Kort na de nederlaag van het Nederlandse leger hebben de Duitse autoriteiten een einde gemaakt aan deze merkwaardige situatie. Het heeft dus heel wat tijd en moeite gekost voordat wij op de klok konden zien hoe laat het is.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken