Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Paasgeloof bij de profeten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Paasgeloof bij de profeten

Verwacht en aangekondigd

14 minuten leestijd

‘En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.’ (Lucas 24:27)

Dit staat geschreven van de Heere Jezus wanneer Hij öp de paaszondag met de Emmaüsgangers spreekt over Zijn sterven en opstanding. H. F. Kohlbrugge heeft eens kritisch opgemerkt dat het menigeen nog niet mee zou vallen om zowel het sterven als de opstanding van de Heere Jezus in het Oude Testament terug te vinden. Met name over het paasgeloof zijn velen van mening dat dit in het Oude Testament niet of nauwelijks beleden wordt. En toch heeft de Heere Jezus heel Zijn weg getekend gezien in de Schriften. Ook de eerste christenen hebben van de Geest Gods geleerd overal Christus te zien in de Schriften van het Oude Verbond. Bij welke profeet en in welke profetie heeft de Heere Jezus Zijn opstanding voorzegd gevonden? Dat is de vraag die om beantwoording roept. De zoeker naar het paasgeloof in de profeten wordt vooraf gewaarschuwd, dat dit geloof door de profeten wordt beleden in woorden en contexten die wij (net als de Emmaüsgangers) niet met Pasen in verbinding zouden brengen, maar die door de Heere Jezus en Zijn apostelen wel als profetieën van de opstanding zijn gelezen.

Jona

De eerste profeet die aan de orde moet komen, is Jona. We lezen in Mattheüs 16 : 4 de woorden van de Heere Jezus: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.' En eerder (Mattheüs 12 : 40) had de Heere Jezus de woorden gesproken die verduideHjken wat Hij bedoelt met het 'teken van Jona de profeet: Want gelijk Jona drie da­ gen en drie nachten was in de buik van de walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.'

Al direct ontvangen we een indruk van de unieke manier waaróp de Heere Jezus omgaat met de Schriften van de profeten. Een manier overigens die de apostelen van Hem hebben overgenomen en die hen door de Heilige Geest is geleerd. De Heere Jezus' heeft uit het voorbeeld van de omstreden profeet Jona geleerd dat Zijn Eigen vernedering in dood en graf niet langer dan drie dagen zou duren en dat er sprake zou zijn van een wonderlijke opstanding. Dit opstandingsgeloof van de Heiland wordt niet door de profeet Jona als zodanig geleerd. Maar je kunt er niét omheen: de ingrijpende gebeurtenis in het leven van deze profeet doet wel het opstandingsgeloof ontvlammen bij de christelijke gemeente omdat het de zekerheid van de opstanding bij de Heiland Zelf heeft geschraagd. En zelfs voor de ongelovigen moet Jona een 'teken' zijn.

Hosea

Een andere kleine profeet, die over de opstanding schijnt te spreken, is Hosea. Hosea 6 : 1 begint met de volgende oproep: Komt en laat ons wederkeren tot de HEE­ RE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen: ij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.' Een oproep gericht tot de Tien Stammen van Israël om zich tot God te keren. Deze oproep wordt gevolgd door de merkwaardige woorden van vers 2: Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.' Is het dit getal drie dat de Heere Jezus noemt in de aankondiging van Zijn lijden en opstanding (Mattheüs 16 : 21)? 'Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derde dage opgewekt worden.' Toegegeven moet worden dat de profetie van Hosea niet direct-Messiaans genoemd kan worden. De context is zeer duidelijk die van het zondige volk Israël. De toepassing die de Heere Jezus maakt, heeft dus het karakter van het signaleren van een analogie. Zoals God handelt met het volk, zo zal Hij ook handelen met de Messias: ij slaat het volk en Hij heelt het. Hij doodt het en Hij maakt het weer levend. Hij brengt het in lijden en daarna weer tot heerlijkheid.

Lezen we in Hosea 6 : 2 een voorafschaduwing van de Opstanding, dan is het verleidelijk om vervolgens in 6 : 3 een zinspeling op het Pinksterfeest te beluisteren: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om de HEERE te kennen: ijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.

‘Zonder dat het getal drie ('de derde dag') genoemd wordt, is Johannes 5 : 21 wel­ licht toch de duidelijkste zinspeling op Hosea 6 : 2, gemaakt door de Heere Jezus: Want gelijk de vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zx)on levend, die Hij wil.' Het gaat in Johannes 5 weliswaar niet daarover dat Christus opgewekt wordt, maar dat Hij als de Zoon net als de Vader de doden opwekt en levend maakt. Waarbij de soms ook uitgesproken vooronderstelling is, dat de Zoon eeuwig leven heeft en dus door de dood niet vastgehouden kan worden.

Jesaja

Wij wenden ons tot de grote profeet Jesaja. Hoofdstuk 53 wordt algemeen en terecht gezien als een treffende beschrijving van het lijden en sterven van Christus als de Knecht des Heeren. Ook hier opnieuw geen regelrechte profetieën aangaande de opstanding. Behalve dan dat hoofdstuk 53 gevolgd wordt door 54. En dit hoofdstuk bezingt op bijzonder hoge toon de toekomst van Sion: 'zing vrolijk, gij onvruchtbare' (vers 1) en: 'Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de HEERE, UW Verlosser' (vers 7-8). Heeft de Heere Christus ook in deze woorden niet Zijn weg afgelezen, die volgen zou nadat Hij de gang naar Golgotha gemaakt zou hebben?

Ook in hoofdstuk 53 ontbreken niet de zinspelingen op het feit dat na het geslachtofferd worden van het Lam het werk van God door Hem niet klaar zou zijn. Vers 8: 'Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden.' En vers 10: 'Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt, als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien. Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.' En duiden vers 11 en 12 er niet op dat het werk van de Knecht des Heeren doorgaat, ook na Zijn sterven? 'Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen.' De rechtvaardigmaking wordt ook vanuit deze tekst verbonden met de opstanding van Christus.

Ook in andere profetieën van Jesaja staan uitspraken die ditmaal niet door de Heere Jezus, maar wel door de apostelen worden betrokken op de opstanding van Christus of op die van de gelovigen. In Jesaja 25 : 8 staat het volgende: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEE­ RE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.' De profetie maakt deel uit van een aankondiging van de vreugdemaaltijd op Sion voor alle volkeren. Maar Paulus pakt deze uitspraak op in I Korinthe 15 : 54 om er de algemene opstanding uit de doden mee te funderen. En die heeft weer alles te maken met de opstanding van Christus. 'En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: e dood is verslonden tot overwinning.' In het volgende vers pakt Paulus trouwens als in één adem, een profetie van Hosea op. De uitspraak (vers 55) 'Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwin­ ning? ' komt letterlijk uit Hosea 13 : 14.

Overigens wordt niet alleen de profetie van de tot overwinning verslonden dood door Paulus overgenomen, maar ook die van het afwissen van de tranen. Namelijk door Johannes in de Openbaringen (7:17 en 21:4).

In Jesaja 26 : 19 vinden we nog de volgende profetie: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! Want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.' Hier wordt met een voor het Oude Testament zeldzame klaarheid de persoonlijke opstanding beleden. De context is het zogenaamde 'danklied van de verlosten', waarin het grote heil van een leven zonder dood, in eeuwige zaligheid, wordt bezongen. Het is Israels God Die dit bewerkt en het is de Messias Die als eersteling in dit nieuwe leven opstaat. Deze tekst uit Jesaja schijnt door de Heere Jezus in Zijn rede over de opstanding in Joharmes 5 niet letterlijk te worden geciteerd, maar dat hij deze tekst in gedachten heeft, is wel zeker. Leest u maar mee: Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn. Zijn stem zullen horen: n zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis' (Johannes 5 : 28-29).

Ezechiël

Een andere grote profeet is Ezechiël. Het beroemde 37e hoofdstuk omvat een profetie aangaande het herstel van Israël. Deze profetie is echter gesteld in woorden en beelden die spreken van opstanding uit en leven uit de dood. De dood wordt in de profetie in zeer schrille woorden getekend: 'De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in de geest, en zette mij neder in het midden van een vallei; deze nu was vol beenderen. En Hij deed mij aan deze voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!' (vers 1-3). De toestand van Gods volk in de ballingschap is er een van onmiskenbare dood. En dan ontvangt het volk een nieuw bestaan uit de dood herrezen. En zo gaat het ook met Isr raëls grote Zoon, de Messias. Ook Hij is werkelijk gestorven. De Evangeliën laten niet na dat vast te stellen en te benadruLken. En ook Hij staat op uit de dood. Er doordat in Ezechiël 37 gesproken wordt over Gods volk, is er aan Christus' opstanding onmiddellijk de dimensie verbonden van de opstanding van Christus' gemeente. En dat betreft dan hun opgestaan zijn met Hem op de paasmorgen en hun opstanding in navolging van Hem eenmaal op de jongste dag.

Ook de manier waarop de opstanding plaatsvindt, zowel die van Christus als van Zijn gemeente, wordt indrukwekkend duidelijk in de profetie van Ezechiël: 'Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord' (vers 4). Dat Israël een nieuw bestaan ontvangt na de ballingschap, is uitsluitend te danken aan het genadewoord van God. De opstanding van Jezus Christus wordt even vaak aangeduid als een opgewekt worden door de Vader dan als een daad van Hemzelf. De levendmaking van Gods Kerk als vrucht van de opstanding van Christus is er ook één door het Woord van God. En de opstanding op de jongste dag, met lichaam en al, is ook een zaak, die niet in het verlengde ligt van ons aardse bestaan of van onze zogenaamde onsterfelijkheid; maar die geschiedt door het machtswoord van God.

Men zou van mening kunnen zijn, dat het geloof in de opstanding uit de doden in het Oude Testament maar spaarzameHjk wordt beleden. Deze profetie van Ezechiël bewijst toch wel het tegendeel en maakt ons duidelijk en verklaart ons hoe de opstanding tot het geloofsgoed van het joodse volk behoorde; zeker ten tijde van de Heere Jezus. En ook de christelijke gemeente heeft in navolging van haar Heiland de opstanding gevonden in de Schriften van het Oude Verbond.

Na Pasen volgt Pinksteren. Ook dat wordt heerlijk voorzegd door Ezechiël. Het gezicht van het dal van de dorre doodsbeenderen is profetie aangaande Pasen en Pinksteren in enen. Wat het Woord van God teweegbrengt, is nieuw leven en een vervuld worden met de Heilige Geest. 'Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beende-

ren: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en gij zult levend worden... En Hij zeide tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden' (vers 5 en 9). Juist het feit dat de profeet zich rechtstreeks tot de geest moet wenden, maakt duidelijk dat hier niet alleen sprake is van de 'levensgeest', maar dat wel degelijk gedacht wordt aan de Heilige Geest.

Daniël

De laatste grote profeet die we naar voren zullen halen omdat hij de opstanding heeft verkondigd en beleden, is Daniël. In het laatste hoofdstuk van zijn profetie vinden wij de volgende woorden: En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige af grijzing' (Daniël 12 : 2). Hier wordt evenals in Jesaja 26 klaar en helder gesproken over een algemene opstanding uit de doden. Deze profetie gaat zelfs nog verder dan die van Jesaja, wanneer zij zelfs spreekt over een dubbele opstanding: e één 'ten eeuwigen leven' en de andere 'tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing'. En ook hier, zoals bij zoveel profetieën ook van de andere profeten, stijgen de uitspraken van de profeet ver boven de nationale context en het toenmalig tijdsbestek uit. Het gaat in de openbaring van God ten diepste niet om de koninkrijken van de wereld, zelfs niet om het aardse koninkrijk van Israël. Daniël heeft als geen ander het onvergankelijk karakter van Gods eeuwig Koninkrijk mogen bena­ drukken. Zo betuigt hij tegenover koning Nebucadnezar: Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al dié koninkrijken vermalen, en te niet toen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.' Later zal Daniël in een visioen zien aan welke Koning door God de regering van dit eeuwig Koninkrijk zal worden toevertrouwd; aan een 'mensenzoon': Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Deze naderen. En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden' (Daniël 7 : 13-14). De Heere Jezus heeft Zichzelf met een zekere voorliefde aangeduid als 'de Zoon des Mensen'. Een betiteling die Hem door de profeet Daniël is aangereikt en die op ons in eerste instantie overkomt als zou de nederige staat van de Heiland benadrukt worden. Maar bij de profeet Daniël nadert de door hem aanschouwde 'Mensenzoon' wel tot voor God en wordt Hij bekleed met een eeuwig koningschap. Dat de Heere Jezus Zich ook vlaJc voor Zijn sterven bewust was van deze hoge status, blijkt uit Zijn weerwoord tijdens het verhoor tegen de Hogepriester: Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods' (Lucas 22 : 69). Met die zekerheid aangaande Zijn opstanding is de Heere Jezus Zijn sterven tegemoetgegaan. Die zekerheid heeft Hij geput ook en met name uit de profeet Daniël.

De gemeente onder het Oude Verbond heeft kennelijk op de toppen van het geloof geleefd in de klare verwachting van de opstanding der doden. Klare getuigenissen van dit geloof zijn er niet in grote aantallen. Maar die er zijn, hebben grote intensiteit. Wel zijn de indirecte getuigenissen van het paasgeloof veelvuldiger. Dit paasgeloof kan dus onder geen beding aan de heiligen van het Oude Testament worden ontzegd. Wie in de almachtige en eeuwige God gelooft en ook mag geloven bij Hem met naam en toenaam bekend te zijn, die kan niet geloven dat de dood het laatste woord zou kunnen hebben. Met hoeveel blijdschap hebben de christenen van het Nieuwe Testament in de opstanding van Christus dit oude paasgeloof bevestigd gezien! En ook wij zullen Pasen bevestigd zien en aan den lijve ervaren, eenmaal. Wanneer tenminste ons hart nu aan de levende Christus hangt.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Paasgeloof bij de profeten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken