Bekijk het origineel

Jan Luyken: van ’burgerlijkheid’ naar vroomheid (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jan Luyken: van ’burgerlijkheid’ naar vroomheid (1)

7 minuten leestijd

Een Luyken-jaar

In een vroeg-achttiende-eeuwse levensbeschrijving komen we de volgende passage tegen:

tegen: In zyn ommegang was hy stil, deftig en minzaam, doch met weinige gemeenzaam. Die hem maar zag, kon zien dat hy een ingetogen leven leide. Hy beminde de^ eenzame wandelingen buiten, om te meer het zoet genieten Gods gewaar te worden, [...].

Het is een treffende tekening van een stille doper: ingetogen, teruggetrokken, eenzaam wandelend in Gods schepping, de natuur. Die doper is de schilder, etser en dichter Jan Luyken, die leefde van 1649 tot 1712. De typering hierboven heeft, dat zeg ik maar vast, wel betrekking op de latere en niet op de vroege Jan Luyken, waarover straks meer. Het citaat is te vinden in het 'Kort Verhaal van het godvruchtig leven en zalig afsterven van Joannes Luyken' uit 1712.

Omdat het 350 jaar geleden is dat Luyken geboren werd, is 1999 een Luyken-jaar. Op wetenschappelijk niveau wordt er dan ook aandacht besteed aan het brede oeuvre van deze begaafde kunstenaar. Zo was er in de maanden mei en juni in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam een uitgebreide tentoonstelling over de boekillustraties van Jan Luyken en zijn zoon Casper. Ook verscheen een mooie catalogus 'Jan & Casper Luyken te boek gesteld', waarin we een beschrijving vinden van de omvangrijke Luyken-coUectie in het Amsterdams Historisch Museum. De aandacht voor Luyken in de christelijke pers zou best wat intensiever en uitgebreider mogen zijn dan tot nu toe is gebeurd.

Afkomst en milieu

Jan Luyken werd op 16 april 1649 geboren als vijfde kind in het gezin van de Amsterdamse schoolmeester Casper Luyken en diens vrouw Hester Coores. Vader Luyken was remonstrants, moeder Luyken van huis uit gereformeerd. Luyken sr. voelde zich het meest thuis in de sfeer van de zogenaamde collegianten. In de levensbeschrijving uit 1712, het zogenaamde 'Kort Verhaal' waaruit ik hierboven reeds citeerde, wordt de vader 'den vroomen Kasper Luiken' genoemd en van de moeder wordt gezegd dat ze 'deugdelyk' was, met een 'stille geest' waarvan zoon Jan 'een goed deel had'.

In de naam collegianten herkennen we het woord 'college', dat wil zeggen een bijeenkomst van dissenters: christenen die zich in de officiële kerken niet thuis voelden en die op bepaalde punten afwijkende meningen hadden. Rond het midden van de 17e eeuw vormden zich in tal van steden zulke colleges. Zo ook in Amsterdam. Die buitenkerkelijke groepjes bestonden voor een groot deel uit remonstrantse en doopsgezinde dissenters. We moeten in die klingen geen vastomlijnde dogmatiek zoeken: er heerste in dit opzicht grote ver­ draagzaamheid. Het ging om vroomheid in het hart. Verder vertoont hun spiritualiteit mystieke en chiliastische trekken - verwachting van het duizendjarig rijk - en het streven naar een ingetogen, deugdzaam leven, in navolging van Christus. In deze sfeer paste vader Luyken. Geen wonder dat hij een bewonderaar was van de doopsgezinde predikant Abraham Galenus, die zich ook binnen zijn eigen kerk niet goed thuis voelde. Hij wilde terug naar het allervroegste christendom, zoals we dat vinden bij de apostelen, toen er nog geen geloofsbelijdenis en dogma's op papier stonden, naar een 'kerk' zonder officiële ambten, zonder duidelijke structuur, naar een geloofsbeleving met een sterk accent op het innerlijk licht van de Heilige Geest (met als gevaar dat mensenwoorden gelijkgeschakeld kunnen worden met Gods Woord).

Veelzijdig kunstenaar

Jan Luyken kreeg een opleiding tot kunstschilder. Dat is best opmerkelijk: de doperse wereldmij ding ging niet zo ver dat zo'n vak verboden was. Er waren trouwens heel wat doopsgezinde schilders in de Gouden Eeuw. Heel bekend is geworden Carel van Mander, eind 16e en begin 17e eeuw. Jan ging in de leer bij de schilder Martinus Saeghmolen. Daarnaast bleek hij ook een buitengewone dichterlijke begaafdheid te bezitten en in 1671 trad hij daarmee openlijk naar buiten toen hij zijn eerste poëziebundel publiceerde onder de titel 'Duytse Lier'. Het is een amoureuze bundel waarin de dichter uitbundig de liefde bezingt. In zijn latere werk, na zijn bekering, zal hij zich op iets anders richten: dan bezingt hij niet meer de liefde maar de Liefde.

Hij zou zich later ook nog bekwamen als etser, waarvoor hij in de leer ging bij Coenraad Decker. Dan ontstaat een unieke combinatie: tekenaar, etser en dichter. Zijn vele godsdienstige bundels van na zijn bekering zijn de vrucht van dat veelzijdige kunstenaarschap. Prenten en teksten kwamen uit één hand voort.

Huwelijk

Huwelijk In 1672, enige maanden na het verschijnen van de 'Duytse Lier', treedt Jan Luyken in het huwelijk met Maria de Oudens. Het huwelijk wordt gesloten in het gereformeerde kerkje van Sloterdijk. In het gezin worden vijf kinderen geboren, die allen jong of zelfs zeer jong sterven. Zoals bekend was de kindersterfte groot in vroegere eeuwen. De oudste was Casper, genoemd naar zijn grootvader, schoolmeester Luyken. Casper wordt nog geboren in het huwelijksjaar 1672 en wordt gedoopt in de Remonstrantse Gemeente door de bekende remonstrantse predikant Geeraert Brandt, vermoedelijk omdat Maria de Oudens, beroemd vanwege haar prachtige zang, remonstrants was. Jan Luyken lijkt in die tijd zoekende. Een jaar na zijn huwelijk sluit hij zich officieel aan bij een kerkgenootschap: de Doopsgezinde Gemeente. De consequentie daarvan is dat de overige kinderen, na Casper geboren, niet meer gedoopt worden. Met Casper, die illustrator wordt en in 1708 overlijdt, werkte Luyken een aantal jaren samen en dit verklaart de vermelding 'Jan & Casper Luyken' op het titelblad van bepaalde uitgaven.

Bekering

Als Jan Luyken zo'n drie jaar getrouwd is, vindt er in zijn innerlijk een grote verandering plaats. Dat gebeurt als hij 26 jaar is en het moet dus 1675/76 zijn. Die verandering is een diepingrijpende bekering die hart en leven grondig vernieuwt. In zijn levensbeschrijving, het zogenaamde 'Kort Verhaal' dat kort na zijn dood verscheen, lezen we het volgende:

In 't 26. Jaar zyns Ouderdoms, is hem de HEERE op een krachtdaadige wys aan zyn herte verscheenen; hem met veel overtuiginge en bestrajfinge nagaande, en toonende dat het burgerlyke leven niet genoeg was om een Erfgenaam te worden van een onverderfelyke en onverwelkelyke erfenis, die weg geleid is voor de geene die God lief hebben, maar dat' er moet gestreeden wor-= den om in te gaan, dewyl de poort eng en de weg smal is, die ten leven leid.

Daarna treedt ons een andere Luyken tegemoet: een hart dat brandt van vurige liefde tot God en een levenspraktijk gekenmerkt door zelfverloochening, ontbering zelfs, besef van nietigheid tegenover de eeuwige God, stilheid en een vorm van naastenliefde die in deze wereld zeldzaam is.

En die andere Jan Luyken maakt dat ook in zijn werk overduidelijk zichtbaar: hij is een innig-vroom en didactisch dichter geworden. Reeds de titels van zijn werken na zijn bekering laten overduidelijk zien hoezeer de verbondenheid met Christus centraal staat. Bekende en veelzeggende titels zijn 'Jezus en de Ziel' (1678) en 'Voncken der Liefde Jesu' (1687).

Bezingt hij in de 'Duytse Lier' de schoonheid van de vrouw - 'Allerschoonste Maagdelijn, /[...], /Gy spant de kroonA'^an 't bloeiend schoon' - , nu ziet hij een andere Schoonheid waarop hij zich richt:

Ik zag de schoonheid en de zoetheid aller dingen, en sprak: Wat zijt gij schoon! Toen hoorde mijn gemoed: Dat zijn wij ook; maar Hij, van Wien l wij 't dl ontvingen, is duizendmaal zo schoon, en duizend-a maal zo zoet.

Misverstanden

Zo lijkt het leven van Jan Luyken voor ons een helder boek. Er zijn twee Luykens: de Luyken van vóór en die van na zijn bekering. En toch. Ondanks die heldere tweedeling van zijn leven zijn er in de Luyken-studie van pakweg de laatste 100 j jaar nogal wat misverstanden en onjuistheden waar .te nemen. Die misverstanden zijn voor een groot deel terug te voeren tot een eenzijdige interpretatie van zijn bekering - simpel gezegd: van de kroeg naar de kerk - en dat had weer gevolgen voor

de interpretatie van de 'Duytse Lier', die men wel heeft willen lezen als een vrijmoedig pleidooi voor een vrije seksuele moraal. En dat laatste blijkt geenszins het geval te zijn. Ook heeft men wel beweerd dat het tijdstip van zijn bekering vroeger moet worden geplaatst.

Voordat we onze aandacht richten op het werk van de latere Luyken, moeten we daarom eerst nog eens heel goed kijken naar de vroege Luyken, de dichter uit de periode waarin hij de 'Duytse Lier' schreef en uitgaf, naar de aard van zijn bekering en het tijdstip daarvan. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jan Luyken: van ’burgerlijkheid’ naar vroomheid (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken