Bekijk het origineel

’Wij zijn hier vreemde gasten’: over de christelijke vreemdelingschap [I]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

’Wij zijn hier vreemde gasten’: over de christelijke vreemdelingschap [I]

8 minuten leestijd

Het thema

Bovenstaande titel is ontleend aan een boek dat ik kort geleden in handen had. Het bevat een bloemlezing uit de geschriften van de 18-eeuwse mysticus Gerhard Tersteegen. 'Wir sind hier fremde Gaste', luidt de titel van dat boek. Vreemdelingschap is een wezenlijke trek van het leven van een christen en van de christelijke gemeente in deze aardse bedeling. Een christen is een vreemdeling in deze wereld. Een pelgrim op doorreis naar het vaderland daarboven. We zouden in plaats van over vreemdelingschap ook over pelgrimage kunnen spreken. Dat benadrukt nog sterker de dynamiek, de beweging en de doelgerichtheid die eigen is aan het christenleven. De gerichtheid naar boven is immers ook een gerichtheid naar voren, een zich strekken naar de toekomst, reikhalzend, omdat we nie alleen de dingen zoeken die boven zijn, waar Christus is, maar omdat wij Hem ook in de toekomst uit de hemel verwachten.

Het thema is bekend. Ik denk aan de bevindelijke dominee die zijn hoorders doorgaans aanspreekt als geliefde medereizigers op weg naar de nimmer eindigende eeuwigheid. Dit hoeft overigens nog niet in te houden dat hij ze ook als pelgrims beschouwt die onderweg zijn naar het hemels vaderland. Ik denk ook aan het lied uit de bundel van Johannes de Heer dat vooral bij ouderen bekend en geliefd is: 'Waarheen pelgrims, waarheen gaat gij 't Oog omhoog en hand in hand? Wij gaan op des Konings roepstem, Naar ons huis en Vaderland.'

Leven in de eindtijd

Als we de Schrift nazoeken op dit gegeven, vinden we vele plaatsen waaruit blijkt dat de eerste christenen zichzelf nadrukkelijk verstonden als vreemdelingen in deze wereld, als pelgrims op weg naar Gods heerlijke en heilrijke toekomst. Hun vaderland is niet op deze aarde. Ze zijn slechts doortrekkers. Dit hangt samen met het tijdsbewustzijn van deze eerste christenen, dat sterk eschatologisch (toekomstgericht) gekleurd is. Er was bij hen een diep besef te leven in de eindtijd. In het laatste der dagen. De tijd tot het einde is kort (i Kor. 7 : 29). Samengedrongen, staat er letterlijk. We moeten dat woord van Paulus meer kwalitatief dan kwantitatief opvatten. Het zegt meer over de aard dan over de duur van de eindtijd. De laatste fase van de wereldgeschiedenis is aangebroken in de dood en de opstanding van Jezus Christus. Deze heilsfeiten markeren de beslissende wending in de geschiedenis. Ze funderen het heil van God waarin een christen nu al deelt. Maar pas de toekomst van Jezus Christus zal dit heil in zijn volkomenheid openbaren.

Zo zijn christenen mensen die leven tussen de tijden. Of misschien moeten we zeggen: mensen die leven in de t overlapping der tijden. In de overlapping van de oude en de nieuwe wereld. Ze zijn een nieuwe schepping in een oude wereld. Aan de ene kant behoren ze tot de nieuwe schepping, verbonden als ze zijn met Christus door het geloof, getrokken uit deze tegenwoordige boze wereld, overgebracht door God in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, aan de andere kant leven ze in deze wereld en hebben daarin ook hun roeping te vervullen. Dat is de paradox van het leven van de christen: in een stervende wereld, zijn ze wedergeboren tot een levende hoop (1 Petr. 1:3).

Abraham

Maar ook in het Oude Testament komen we de gedachte van de vreemdelingschap tegen. Vooral Abraham fungeert bij de nieuwtestamentische auteurs als het type van de vreemdeling. Hij werd een vervreemde door te luisteren naar Gods stem. Hij gehoorzaamde Gods stem om uit te gaan uit vaderland, stamverband en familiekring en te reizen naar het land dat God hem wijzen zou. En Abraham ging naar het beloofde land. Op de bonnefooi, dat is niet op goed geluk, maar in goed geloof. Bon - foi. De schrijver van de Hebreeënbrief houdt deze aartsvader zijn lezers ten voorbeeld voor de eschatologische (toekomstgerichte) levenshouding van de christen. Door het geloof is Abraham een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land. Hij woonde ook in het beloofde land in tenten, en hij sloeg de tentpinnen niet te diep in de aarde, want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft. Ook het aardse Kanaan is het einddoel niet, maar het Jeruzalem boven. Daarom hebben zij beleden dat ze gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebr. 11:13).

Uitverkoren vreemdelingen

Van dit pelgrimsleven worden in het nieuwe testament ook de christenen uit de heidenen deelgenoot. Paulus schrijft aan de heidenchristenen in Efeze dat ze niet meer vreemdelingen en bijwoners zijn, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2 : 12). Door het geloof in Christus hebben ook zij die eerst vervreemd waren van het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte (en daarom zonder hoop), deel gekregen aan de belofte en daardoor recht gekregen en zicht op de erfenis. Want wie christen wordt, komt in geestelijk opzicht thuis. Hij houdt op een vreemdeling bij God te zijn, en treedt in alle rechten van de kinderen Gods.

Maar dat kindschap Gods bezorgt hem de vreemdelingschap in de wereld. Wat ze bij God niet langer zijn, dat zijn ze in een ander opzicht juist geworden, namelijk een vreemdeling in de wereld waarin ze leven. Christenen worden vreemdelingen genoemd niet op grond van een negatieve instelling van wereldverachting of levensmoeheid. Maar uit het positieve gegeven dat ze het volk van God zijn. God schept zich een eigen volk. Vreemdelingen maken we ons niet zelf. Tot de vreemdelingschap wordt men verkoren. Zo adresseert Petrus zijn eerste brief aan de vreemdelingen die uitverkoren zijn naar de voorkennis van God de Vader (1 Petr. 1:2). Dat is het wat de apostel schrijft op de envelop die zijn eerste zendbrief bevat: Uitverkoren vreemdelingen. Het leven in vreemdelingschap is naar haar oorsprong en in haar voortgang een vrucht van Gods genadig, verkiezend handelen.

Bijwoners

Christenen zijn mensen die hier beneden niet thuis horen. Want ze hebben hun burgerschap in de hemel, schrijft Paulus aan de gemeente van Filippi (Fil. 3 : 20). De Statenvertalers hebben het Griekse woord politeuma met 'wandel' vertaald, maar we kunnen beter lezen: burgerschap of regeercentrum. De christenen van Filippi zijn hemelburgers, al leven ze op aarde. Hun geboortebewijs ligt in de Civitas Dei, in de Stad Gods. In het Koninkrijk Gods. Ze zijn van boven geboren en worden van boven geregeerd. Ze zijn met Christus in de hemel gezet, daar is hun eigenlijke leven. Daar is hun hart. Ze hebben een hemels paspoort, een paspoort van boven en daarom kunnen ze hier beneden nooit wortelen.

De apostelen gebruiken voor de christen als vreemdeling meestal het woord paroikos. Letterlijk: iemand die 'erbij woont'. Het woord betekende oorspronkelijk buurman. Later duidde het iemand aan die als vreemdeling weliswaar geen burger was, maar toch bepaalde rechten had en een zekere bescherming genoot. Dat typeert het leven van een christen. Hij is een paroikos. Wel in de wereld, niet van de wereld. In de na-apostolische tijd wordt paroikia een technische term voor de plaatselijke gemeente. De kerk als geheel heette ekklèsia, de plaatselijke gemeente werd een paroikia genoemd. En nog altijd wordt in de rooms-katholieke kerk de plaatselijke gemeente 'parochie' genoemd. Een gemeenschap van vreemdelingen.

Wachtpost

Nu ligt hier wel een brandende vraag. Als ons leven hier op aarde een pelgrimstocht is, hoe moeten we dan het leven hier op aarde waarderen? Komt zo het accent niet eenzijdig op de toekomst te liggen? Hebben we hier dan geen roeping? Moeten we de wereld ontvluchten en met de armen over elkaar afwachten wanneer het uur U, het uur van Christus' wederkomst aanbreekt? Nee. Al moet helaas gezegd worden dat die conclusie wel getrokken is. Het spreken over de christelijke vreemdelingschap ging soms uit van een onbijbels, dualistisch denken. Daar vinden we de gedachte dat de ziel

van de mens thuis is in de hemelse wereld en daarom op deze aarde vreemd is en ingekerkerd in het eigen lichaam. Met deze wereld- en mensvisie gingen wereldvlucht en wereldverachting gepaard. Maar dit antiek hellenistisch denken is wezensvreemd aan de Schrift.

Deze wereld is Gods schepping, hoezeer ze ook door de zonde is aangetast. En daarom is de vreemdeling-schap geen vreemd-zijn aan de schepping als zodanig. De aarde en haar volheid is des Heeren. De Heere wil dat wij in deze wereld getrouw onze plicht doen. In het bedrijfsleven, in de politiek, in de wetenschap, in het onderwijs, waar we ook geplaatst zijn. Calvijn gebruikt in zijn Institutie niet alleen het beeld van de pelgrimage, maar ook van de wachtpost. Wij moeten de wacht betrekken, op de plaats waar de Heere ons gesteld heeft, en wij moeten die zolang bewaren, totdat de Heere ons wegroept. Dr. W. Aalders spreekt in zijn bekende boek 'Burger van twee werelden' van het Exodus-motiëf. Maar we zouden ook kunnen spreken van het ballingschaps-motief. Ik denk aan de brief van de profeet Jeremia aan de ballingen in Babel, waarin hij hen opwekt om gewoon aan het maatschappelijk leven deel te nemen, ook op de plaats van hun ballingschap: - 'Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; neemt vrouwen en gewint zonen en dochters. (...) En zoekt de vrede der stad, waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.'

H. RUSSCHER, OUD-BEIJERLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

’Wij zijn hier vreemde gasten’: over de christelijke vreemdelingschap [I]

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken