Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

‘Soms waande hij zich een dominee’ kopt een artikeltje van T. B. den Boer in het Nederlands Dagblad.

De voorlezer was eeuwenlang een niet te missen verschijning in een protestantse eredienst. Zijn functie dateerde uit de zestiende eeuw. Voor de aanvang van de dienst las hij uit de Bijbel voor, om te voorkomen dat de kerkgangers gingen kletsen en roezemoezen. Tijdens de dienst las hij de Tien Geboden en de Bijbeltekst waarover gepreekt zou worden. ’s Middags of ’s avonds trad hij aan om een gedeelte van de Heidelbergse Catechismus voor te dragen. Soms was de voorlezer tevens voorzanger. Dan zong hij de psalmen aan de gemeente voor. Vanachter een katheder onder de kansel deed hij zijn plicht: hij stond letterlijk lager dan de dominee.

Lezen en zingen vereisten vakmanschap, en die meende men vooral te vinden bij de schoolmeesters in de gemeente. In hun contract stond vaak vermeld dat ze ’s zondags moesten voorlezen en voorzingen in de kerk. Soms wilden voorlezers meer dan alleen voorlezen, of juist minder. Voorlezer en onderwijzer Havelaer uit Hoornaar sloeg bij het lezen van Bijbelgedeelten als Genesis 19 wel eens teksten over, omdat ze niet geschikt voor de jeugd zouden zijn.

Door de groei van het onderwijs in de negentiende eeuw, steeg de status van de onderwijzer en daarmee diens eigendunk. “In het voorlezen steekt hij de Dominee naar de kroon”, schreef dominee J. P. Hasebroek in 1840. “Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor dat wij hebben.” Het kerkvolk werd hem zat en vond het niet erg als hij niet meer onder de preekstoel wilde staan. De Arnhemse dominee Te Winkel vertolkte de gevoelens in een ondeugend gedicht uit 1911:

“Voorlezer-voorzanger! Gij zijt uit den tijd, ook ik wensch u niet langer, Want dominee leest, wat te leezen valt, best, En de Organist doet van uw werk al de rest.”

In Shaare Zedek Nieuws een artikel van Bart Wallet over ‘Joods leven aan de Merwede’: in Sliedrecht, Hardinxveld en Giesendam.

Aan het einde van de 15e eeuw zijn er de eerste sporen van Joods leven in Hardinxveld. Regelmatig zag de bevolking van Hardinxveld heer Arent de Jeude opduiken; vaak blijf hij dan enige dagen in het dorp, waarna hij weer vertrok naar slot Loevestein. Heer Arent was afkomstig uit een oude familie, van wie de voorvader een Keulense Jood was, die zich tot het christendom had bekeerd. Na de bekering waren al spoedig nazaten komen te wonen in Tiel, waar zij tot de lagere adel gingen behoren. Het was ook in deze tijd dat zij de heerlijkheid Hardinxveld als hun bezit verwierven. Hardinxveld was hun enige heerlijkheid en zij voelden zich dan ook erg verantwoordelijk voor hun bezit. (…) Heer Arent zelf was een druk bezet man. Hij was namelijk ook de slotvoogd van het kasteel Loevestein en daarnaast had hij nog een huis in Gorcum. Erg goed liep het niet af met de heer Arent, want in de tumultueuze tijden van de tachtigjarige oorlog werd hij op 9 december 1570 bij de verovering van Loevestein vermoord door de als monnik vermomde geuzenaanvoerder Herman de Ruiter. In zijn eigen dorp Hardinxveld werd hij ten grave gedragen.

Dan is het weer stil in die drie rustige Alblasserwaardse dorpen aan de Merwede. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw komen er weer Joden in deze omgeving wonen. In Duitsland ging het namelijk niet goed, de economie draaide slecht en het antisemitisme was hevig. Veel Joden trokken naar Holland en twee van die families komen in onze streken terecht, waar zij lang zullen blijven wonen. Het zijn de families De Vries en Van Hechten, die al heel snel door allerlei huwelijken innig met elkaar verbonden waren. Alle mannen van deze Joodse families waren slager of marskramer en heel wat christelijke mensen uit deze omgeving moeten dan ook kosjer vlees hebben gegeten.

v.d.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken