Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gewoon luisteren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gewoon luisteren

Ouderlingen: Elk huisbezoek is maatwerk

8 minuten leestijd

Is huisbezoek nog van deze tijd? Voor de broeders W.A.J. Jansen (Barneveld) en J. Pleijsier (Houten) is dat geen vraag. Wel geldt: ‘Laten wij heel weinig aan het woord zijn.’ En: ‘Huisbezoek is altijd maatwerk.’

D e broeders moeten in twee jaar alle gemeenteleden in hun wijk ontmoet hebben. Pleijsier bezocht een adres per avond, Jansen ‘doet’ er twee.

Pleijsier: ‘Ik was 29 en dus behoorlijk onervaren toen ik als ouderling begon. Ik had het idee dat alles tijdens het huisbezoek aan de orde moest komen: doop, avondmaal, christelijk huwelijk enzovoort. Later merk je: het hangt niet van jou of van dit bezoek af.’

Het huisbezoek geeft Jansen en Pleijsier zelf vreugde. Jansen: ‘Je geeft, maar ontvangt meer.’

Pleijsier: ‘Als het thuis door een ziek kind wel eens moeilijk was of als ik terneergeslagen was, zei mijn vrouw soms: je moet maar weer op huisbezoek gaan. Door gewoon te luisteren, kwam ik vaak bemoedigd terug.’

Jansen: ‘Als je soms zelf geestelijk droog staat, moet je tijdens een bezoek boven je stand leven. Anderen kunnen je dan op een hoger plan brengen.’

Pleijsier: ‘De meest positieve huisbezoekervaring hadden we als gezin: de ziekenzalving van ons eigen kind, na een lang ziekbed.’

Jansen: ‘Bij mij is dat een oudere, buitenkerkelijk geworden man, die tijdens het bezoek zegt: ‘Kom me zondag halen.’ De meest negatieve is: iemand op leeftijd die zegt: ‘Ik zie wel, straks.’’

Pleijsier: ‘Van twee ervaringen heb ik niet geslapen: een tuchtprocedure en een abortus.’

Kinderen

Pleijsier: ‘Ik legde altijd vooraf uit waarom we op huisbezoek gaan. Wat komen we doen? Het is ooit door Calvijn ingesteld om mensen op te wekken aan het avondmaal deel te nemen. In feite doen wij dat ook. Kinderen weten vaak niet waarom je komt. In Houten hebben we ingesteld dat het eerste halfuur van het bezoek altijd voor hen is. Hoe gaat het op school, lees je in een dagboekje, hoe is je relatie met de Heere Jezus? Je probeert dat naar de leeftijd van het kind te benoemen. De ouders zitten erbij.’

Jansen: ‘Kinderen zetten ouders en bezoekbroeders vaak aan het denken. Waarom gaat u niet aan het avondmaal, papa? Dat is huisbezoek bij de kinderen vandaan.’

Pleijsier: ‘Soms hebben ze lijstjes met vragen gemaakt. Hoe ziet de duivel eruit? Waarom zijn de collectebonnen groen of geel? Waarom draagt u een zwart pak? Prachtig. Als het gaat over het doel van het huisbezoek, moet ik denken aan Andreas ‘…en hij leidde hem (Simon) tot Jezus’.’

Jansen: ‘Het gaat om het groot spreken van de Heere. Ik mag als ouderling wijzen op een opzoe­ kende Herder. Dat maakt het meteen ontspannen.’

Te dichtbij

Pleijsier: ‘Huisbezoek is altijd maatwerk. Je probeert telkens in te schatten: wat kan ik nu het beste zeggen, welke vraag stel ik nu? De voorbereiding is belangrijk. Ik legde de bezoeken meestal samen met de wijkdiaken af. We gingen vooraf in gebed en spraken door of er bepaalde punten waren, en wat het belangrijkste thema zou zijn. Als je een punt van zorg vermoedde, belde ik de dominee van tevoren. Belangrijk is om de namen van de kinderen te checken.’

Jansen: ‘Ik kijk altijd in de kaartenbak: waar ga ik heen, wat weet ik al, waar ging het de vorige keer over? Weet waar de mensen geboren zijn, of ze belijdenis hebben gedaan. Ik zoek een bijbelgedeelte op waarvan ik denk dat het past, maar soms verandert de keus tijdens de ontmoeting.’

Pleijsier: ‘Je leert ook vragen: zijn er punten die u vanavond aan de orde wilt stellen? ’

Jansen: ‘Je moet daarin wel sturen, omdat je anders in kerkelijke en maatschappelijke discussies kunt blijven hangen. Soms ontwijken

mensen vragen. Ik vroeg eens: ‘Hoe gaat het met u? ’ Het antwoord was: ‘Lust u nog koffie? ’ Toen ik weer met de vraag kwam, zei de man: ‘Ik heb nog een mooie langspeelplaat.’ Soms komt het te dichtbij. Mijn oma vond de manier ook te direct: ‘Die man wil meteen weten of ik zalig word.’’

Pleijsier: ‘Als je een goede relatie hebt, kun je alles vragen. Maar toen ik net begon en samen met de dominee op pad ging, zei hij na een gesprek subtiel: ‘Calvijn was er niet zo voor dat je in iemands geestelijk leven wroet.’’

Jansen: ‘Tegelijk is waar dat sommige mensen erop rekenen dat je ronduit vraagt naar waar het uiteindelijk om gaat.’

Luisteren, luisteren

Pleijsier: ‘Mensen denken soms dat je weet waar ze mee worstelen. Dat is niet altijd zo. Het is goed om te vragen of ze ergens mee zitten. Belangrijk voor een gesprek is LSD: luisteren, luisteren, luisteren, samenvatten en doorvragen. Dat heb ik moeten leren; ik ben zelf een prater. Als je veel leed tegenkomt, ben je vanzelf wel stil. Maar gaat het over andere thema’s, dan was ik geneigd om een beschouwing te geven. Ik heb steeds moeten zeggen: laat deze mensen praten, ze hebben het nodig.’

Jansen: ‘Soms komen mensen met vragen, maar hebben ze het antwoord al in het achterhoofd. Gewoon luisteren dus.’

Pleijsier: ‘En tussendoor checken of het beeld dat ik heb ook het beeld van de ander is: u bedoelt…? Ook omdat je straks wilt bidden en de thematiek goed benoemen.’

Jansen: ‘Het gaat niet om mijn woorden of bevindingen. Het gaat om die mensen en hun relatie met de Heere God.’

Pleijsier: ‘Laten wij heel weinig aan het woord zijn en soms alleen maar vragen stellen.’

Jansen: ‘Mensen moeten ervaren: dat verhaal van mij doet ertoe. Mijn geestelijke zorgen doen ertoe.’

Pleijsier: ‘Belangrijk is dat mensen weten: ik word gezien. Eigenlijk is een tweejaarlijks bezoek te weinig. Als ik iets bijzonders opmerkte, probeerde ik ook tussendoor contact te zoeken. Bijvoorbeeld als iemand niet aan het avondmaal deelnam, terwijl hij of zij dat andere keren wel deed.’

Veranderd

Jansen: ‘Tussen 1982 en nu heb ik dingen zien veranderen. De eerste keer dat ik in Bleskensgraaf woonde, maakte ik geen echtscheidingen mee, maar de tweede periode gingen in het eerste jaar vijf huwelijken stuk. Problematieken komen vandaag veel meer dan vroeger op het bord van de kerk terecht. Van de kerk wordt op allerlei tereinen een antwoord gevraagd. Vroeger luisterde men: Gods Woord zegt het. Nu word je bevraagd en is het meer: hoe kan ik Gods Woord zo plooien dat het me past. Als kerk moet je voorzichtig zijn met je standpunten, zeker. Maar twijfelen we daarmee niet aan bijna alle woorden van God? ’

Pleijsier: ‘Op seksueel gebied is er vandaag veel aan de hand, meer dan ooit. De infiltratie van de cultuur in gezinnen is sterk. In de prediking is seksualiteit als problematiek een taboe. Toch is het een belangrijk thema, vooral voor jongeren. Internetverslaving, homoseksualiteit, samen op vakantie, samenwonen – het zijn onderwerpen die ook tijdens een huisbezoek lastig ter sprake te brengen zijn.

Dan moet je iemand apart nemen. Vermanen tijdens een huisbezoek is moeilijk. Als kerkenraad hebben we een cursus rond dit onderwerp gevolgd. Feit is dat je als ouderling niet namens jezelf komt én dat je meer kunt zeggen als je een relatie hebt opgebouwd.’

‘Natúúrlijk geloof ik’

Jansen: ‘Een andere ontwikkeling is dat je vroeger meer geloofsworsteling tegenkwam. Nu is het meer: natúúrlijk geloof ik. Het gaat alleen nog om groter en sterker worden. Ik moet daar niet aan tornen, wie ben ik, maar ik vind dat wel moeilijk. Over wat voor geloof hebben we het dan? Ik wil het een of het ander niet verabsoluteren, maar de worsteling van ‘Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp’ is naar mijn idee gezonder. Paulus zegt na zijn bekering nog: ‘Ik ellendig mens.’ We gaan nu vanzelfsprekend aan het avondmaal, maar op mijn vraag ‘Waarom? ’ staat de wagen soms stil. Dat vind ik erg.’

Klaagvrouwen

Jansen: ‘Omdat dit allemaal zo persoonlijk is en je tijdens het huisbezoek dicht bij de mensen kunt zijn, zou ik het niet graag inleveren voor het groothuisbezoek.’

Pleijsier: ‘Het is wel goed dat er meer verbanden zijn. In Houten kennen we een wijkgerichte benadering, met wijkbijeenkomsten. In navolging van de reformator Bucer zijn we daarmee gestart en we zijn er blij mee. Er is een pastoraal team met onder anderen klaagvrouwen. Als je het gevoel hebt dat mevrouw Janse een luisterend oor nodig heeft, kan ze bezoek krijgen van een klaagvrouw.’

Jansen: ‘Vroeger was de man ambtsdrager en dat was het. Nu is de gemeente steviger door kringen, mensen zoeken elkaar op. De kerkenraad moet wel op de hoogte zijn van wat daar gebeurt.’

Pleijsier: ‘Ik vind het een punt van zorg dat ouderlingen weinig tijd hebben om huisbezoek te doen. Er zijn veel vergaderingen en activiteiten in de gemeente, iedereen heeft het privé druk. Onze spits mag liggen op de mensen in de wijk.

Het is niet zo dat er altijd een extra ouderling bij moet. Kies of je doorgaat, zei ik wel eens tegen broeders.’

Jansen: ‘Als God je geroepen heeft, doe het dan. Wees trouw aan je roeping, Hij zal je helpen.’

Tineke van der Waal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Gewoon luisteren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken