Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Ontzieling’ als bedreiging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Ontzieling’ als bedreiging

BAND TUSSEN KERK EN SCHOOL [2]

7 minuten leestijd

Niet ‘ontzuiling’ maar ‘ontzieling’ vormt de grootste bedreiging voor het christelijk onderwijs, luidde een conclusie van Wim van de Donk, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Wat is precies de ziel van het christelijk onderwijs?

Z oals er contact behoort te zijn tussen de school en de ouders vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, zo moet dat er ook zijn tussen kerkenraad en schoolleiding.

Daarbij gaat het er niet in de eerste plaats om dat een kerkenraad een controlerende vinger aan de pols houdt inzake de rechtzinnigheid van het onderwijs. Het gaat er juist meer om dat men samen onderweg is in de bezinning op de ‘ziel’ van het onderwijs en hoe Christus gestalte krijgt in gemeente en school.

Dr. W.H. Velema schrijft hierover dat ‘het gaat om de heerschappij van Jezus Christus in de praktijk van elke dag, zowel in de omgang tussen docenten en leerlingen als tussen docenten onderling en allen, die op welke plek en in welke functie dan ook, bij de school betrokken zijn.’

Geen koud rotsblok

Het geheim van de christelijke school ligt in de werkelijke aanwezigheid van Jezus Christus zelf. ‘Niet de doctrinaire zekerheid van het koude rotsblok in de klas neerleggen, maar een mens zijn die zelf in de aanvechting zich vastgehouden weet en daarom overeind blijft. U weet hoezeer wij in het verleden vaak dat leerstellige en daarmee tegelijk dat koude zekere hebben neergelegd in het onderwijs, zon-der dat men merkte dat het door onszelf was heengegaan. Dit laatste is dringend nodig’, stelt Velema.

Het hart van de zaak ligt niet in formules, hoe orthodox die mogen zijn, en zelfs niet in belijdenisgeschrif­ten, hoe waardevol en eerbiedwaardig ook. Het moet gaan om ‘meer dan een formule’ (A. Noordegraaf ).

Ik denk aan ‘de school met den Bijbel’ in mijn geboorteplaats. Boven de voordeur was, in steen, een afbeelding van de opengeslagen Bijbel aangebracht. De benaming en symboliek zijn veelzeggend en brengen ons dicht bij de kern van de zaak.

Christus centraal

We komen pas écht tot het hart als we ons realiseren dat het Woord vlees geworden is en niet alleen onder ons gewoond heeft, maar nog steeds bij ons is. Christus heeft beloofd al de dagen met ons te zijn tot de voleinding van de wereld. Laten we dan ook gelovig aanvaarden dat Christus zelf in de school is.

Hier ligt de diepste verbondenheid tussen de kerkenraad, het christelijk gezin en de christelijke school. In de onderlinge contacten hoort Christus centraal te staan en zal het gesprek gaan over de vraag hoe wij de aanwezigheid van Christus ervaren in de gemeente, in de gezinnen en op school.

Alleen vanuit dit vertrekpunt krijgt het gesprek tussen kerkenraad en schoolbestuur over de identiteit van de school de juiste focus. Dan is het christelijke niet een extraatje, zoals de slagroom op de koffie. Als het zo gelegen was, zou het christelijke iets bijkomstigs zijn. Bovenop het huis van het normale onderwijs in allerlei vakken die in het leerplan voorkomen, zou dan een christelijke ‘dakkapel’ worden geplaatst door van tijd tot tijd te bidden en uit de Bijbel te lezen of te vertellen.

Waarin onderscheidt het christelijke onderwijs zich dan nog wezenlijk van het openbare onderwijs, dat zogezegd

levensbeschouwelijk neutraal is, maar waar ook voor de liefhebbers een uurtje per week bijbelonderwijs of religieuze oriëntatie wordt gegeven?

Het christelijke geloof hoort als een gist het hele brood te doortrekken. Het is niet een sausje over de pap, maar het zout in de pap. Natuurlijk is het belangrijk dat de Bijbel opengaat en dat er gebeden en gezongen wordt, dat er in schoolverband vieringen zijn om de heilsfeiten te herdenken of dat er aandacht is voor bid- en dankdagen. Toch mag dit alles niet losstaan van het lesrooster van elke dag en de normale gang van zaken in de school.

Pastoraal klimaat

Als het goed is heerst op de christelijke school net als in de christelijke gemeente een pastoraal klimaat. Pastoraal werk is werk voor elke gelovige in het ambt van alle gelovigen. Daarom mag binnen alle organen van de christelijke school een herderlijke omgang met elkaar worden verwacht. In het bijzonder geldt dit de omgang met de leerlingen en studenten.

Dat betekent een oprechte en warme belangstelling en een persoonlijke aandacht voor elke leerling op de christelijke school. Vanuit de verbondenheid met Christus krijgen we op het juiste moment woorden om te spreken en tact om te zwijgen. Dan ontstaat er een open sfeer waarin kinderen in hun verdriet en vragen iets kan worden aangereikt uit het Woord van God

wat houvast biedt en wat ze wellicht hun leven lang niet meer vergeten.

Kwaliteit

Het gaat in het christelijke onderwijs om de allesomvattende vorming en toerusting van de mens en niet om het bijbrengen van wat vaardigheden en feitenkennis. Ook is het niet zo dat de eindtermen van de christelijke school dezelfde zijn als die van het ‘neutraal’ onder­wijs, aangevuld met wat bijbelkennis. Dat zou het weer slagroom zijn in plaats van zout en gist.

Het christelijke onderwijs staat voor kwaliteit en wil zeker niet de hand lichten met de voorschriften van de overheid inzake het curriculum en de eindtermen. Tegelijkertijd gaat het om ‘meer dan het gewone’.

In afhankelijkheid van de Heilige Geest werken we er op de christelijke school naar toe ‘leerlingen te mogen afleveren van wie het leven gekenmerkt wordt door geloof, hoop en liefde, zodat zij op een eigen wijze, naar de aard van hun eigen gaven, dienstbaar kunnen zijn aan God en de samenleving’ (Velema). Non scolae, sed vitae discimus: niet voor de school, maar voor het leven leren wij, namelijk het leven met en voor de Heere.

Privacy

Vanuit deze pastorale betrokkenheid kunnen kerkenraad en schoolleiding, ieder vanuit eigen opdracht, samenwerken. Het luistert echter nauw waar het de privacy van de leerlingen betreft. De eigen positie van het gezin behoort gerespecteerd te worden.

Ouderlingen kunnen zich niet rechtstreeks tot de schoolleiding wenden om te spreken over een bepaald kind en de schoolleiding kan zich evenmin rechtstreeks tot de kerkenraad wenden om dat te doen. Altijd moet eerst met het betreffende gezin contact worden opgenomen en toestemming gevraagd. Het is wel van belang dat deze mogelijkheid wordt meegenomen in de gesprekken met de ouders of verzorgers. Zo kan een onderwijzer een leerling of student adviseren pastoraal contact te zoeken met de dominee of ouderling. Een ouderling of predikant kan ouders waar nodig bijstaan in het overleg met de schoolleiding over bijzondere situaties van de leerling.

Pastorale aandacht

In onze tijd is er behoefte aan gerichte pastorale aandacht voor het onderwijzend personeel van de christelijke scholen. Deze mannen en vrouwen hebben een belangrijke taak in het koninkrijk Gods. In de pastorale gesprekken die vanuit de kerkenraad met hen ter bemoediging en stimulering worden gevoerd, staat de vraag centraal hoe zij voor de klas gestalte kunnen geven aan christelijk onderwijs vanuit hun persoonlijke verbondenheid met Christus.

We hebben gezien dat de aanwezigheid van Jezus zelf het meest wezenlijke is voor de christelijke school. Deze aanwezigheid wordt merkbaar via mensen, via de meester en de juf als identificatiefiguren voor de leerlingen. Zij hebben (zeker op de basisschool) groot gezag. Het is cruciaal dat de leerkrachten door hun woorden, maar vooral door hun hele gedrag in de omgang met de kinderen een levende verwijzing naar Christus zijn.

De christelijke geloofsbele­ving is meer een zaak van ‘zijn’ dan van ‘zeggen’. Het ‘zeggen’ komt er wel bij, maar het ‘zijn’ gaat eraan vooraf en gaat dieper en houdt in dat ons leven gestempeld is door het Evangelie van Christus, zodat we als reflectoren het licht van Christus weerkaatsen naar de collega’s in de school, naar de ouders en in het bijzonder naar de kinderen. Kortom, het is de bedoeling dat Christus in het onderwijzend personeel leeft en dat Hij via hen herkenbaar is voor de kinderen.

Ervaringsverhaal

Een docent op de christelijke school is geroepen om discipel, leerling van Christus te zijn. Dan zal hij of zij in de navolging van Christus leven.

De vraag is: hoe kan dit geconcretiseerd worden binnen de christelijke school? Dat is de zorg en verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, van de directie, van

het personeel, van de ouders zelf, maar ook van de kerkenraad. Laten kerkenraden jongeren (en dus ook jongens) stimuleren om te kiezen voor een loopbaan in het onderwijs. Dat kan door deze beroepskeuze ter sprake te brengen tijdens de catechisatie. Of maak de kerkbode van tijd tot tijd ruimte voor ervaringsverhalen van jonge mensen die voor de klas staan. Maar vooral is van belang dat in de eredienst in de voorbede jongeren worden opgedragen in hun beroepskeuze. Op die manier worden expliciet de mogelijkheden van het onderwijs benoemd.

J. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

‘Ontzieling’ als bedreiging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken