Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

In De Waarheidvriend van 2 december jl. besprak ds. M.A. Kuijt de biografie van dr. C. M. van Driel over prof.dr. Arie Noordtzij, de eerste kerkelijkgereformeerde theoloog in Utrecht (OT). In dat boek staan enkele beschouwingen over zijn (welwillende) houding (als man van de Doleantie) tegenover de Gereformeerde Bond. Twee fragmenten:

‘Hoe overtuigd afgescheiden Noordtzij sr. (de vader van Arie, v.d.G.) ook was, hij was eveneens doordrongen van het belang van de bloei van de orthodoxie in de Hervormde Kerk. Toen zijn zoon in 1931 zijn sympathie met het streven van de Gereformeerde Bond had uitgesproken, herinnerde ds. M. van Grieken aan een logeerpartij van zo’n kwarteeuw tevoren in huize Noordtzij sr. Deze had hem toen verzekerd: ‘Mijn jonge vriend, wat ik je mag toebidden is: ga nooit uit de Hervormde Kerk.’ Daarmee was Arie Noordtzijs herinnering aan zijn overgrootvader in overeenstemming. De Cock had zich afgescheiden totdat de Hervormde Kerk weer terug zou keren tot de belijdenis van de vaderen. Hij riep de bonders op: ‘Draagt daarom de gereformeerde beginselen uit in uw kerk, opdat deze haar steeds meer doordringen en tenslotte haar geheel mogen beheerschen.’ Zo kon het ten slotte ook komen tot de hereniging van alle gereformeerden.

Noordtzij was en bleef trots op zijn afstamming van De Cock. Namens de familie sprak hij tijdens de herdenking op 11 oktober 1934 tot de bijna 2000 belangstellenden in Tivoli. In zijn toespraak typeerde hij de Afscheiding als een werk van God. (…) Maar ook bij die gelegenheid toonde hij zich niet kerkistisch. Zijn slotwoord was het te denken gevende: ‘Aan ons de roeping om, beheerscht door de eenheid der heerlijkheid, te jagen naar de heerlijkheid der eenheid.’ In zijn afscheidscollege zei hij dat hoe meer zijn studenten de wegen die hij hun had gewezen zouden bewandelen, hij zich zou verblijden in de geestelijke bloei van de kerk die zij gingen dienen.’

‘Halverwege 1916 vonden de studenten dat Noordtzij inmiddels zoveel verdienstelijks voor Voetius had gedaan dat hem tegelijk met Visscher het erelidmaatschap van de vereniging werd aangeboden. Evenals Visscher aanvaardde Noordtzij dit eerbetoon dankbaar. (…) De eerste keer dat de notulist zijn verwelkoming bij een preekoefening noteerde, dateert van december 1915. Toen werd uitgesproken dat hij had toegezegd deze vergadering voortaan te willen bijwonen. Zelf wilde Noordtzij het erelidmaatschap beschouwd zien als een wissel op de toekomst. In aansluiting op Visscher verklaarde hij Voetius graag te blijven steunen. De gereformeerden hadden immers ‘voor aanvallen van buiten’ behoefte aan mannen die niet alleen gereformeerd heetten, maar het ook waren. Hij vond het een heerlijk werk aan de vorming van de toekomstige leiders van het gereformeerde volk te mogen bijdragen.

Tot zijn emeritering leverde Noordtzij mondelinge of schriftelijke kritiek als voetianen hem een preekschets toestuurden. Soms kreeg de hoogleraar langere tijd geen schetsen toegestuurd. De voorzitter van Voetius hekelde dan de nalatigheid van de leden en zegde de hoogleraar beterschap toe. Meermalen dankte de voorzitter hem hartelijk voor zijn ‘nuttige raad’ en sprak namens alle leden waardering uit, vaak gecombineerd met de hoop dat hij zijn bijdrage zou willen blijven leveren. Noordtzij corrigeerde de gebaren, het stemvolume en de taal en stijl van de studenten. Enkele keren werd uitdrukkelijk genotuleerd dat hij de ‘voordracht en het loopen’ als te plechtstatig vond of de toon te gezwollen. Hij waarschuwde ertegen om met veel woorden weinig te zeggen. Als hij achter de preek een hart had geproefd, sprak hij daar zijn waardering voor uit. Van ‘platgereden uitdrukkingen’ hield hij niet. Meerdere malen spoorde hij ook aan niet een te lastige tekst te kiezen. Menigeen die het zich te moeilijk maakte, verviel in te veel algemeenheden en schermen met woorden. Realisme was hem niet vreemd. Aangenomen dat de preek eigen werk was, zo formuleerde hij ooit diplomatiek, had hij deze met zeer veel genoegen gelezen.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken