Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verlies voor heel de kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verlies voor heel de kerk

Einde aan procedures De Ronde over homoseksualiteit

7 minuten leestijd

Meer dan twintig jaar was A.W. de Ronde uit Woudenberg het gezicht van het kerkelijk verzet tegen besluitvorming van de hervormde en protestantse synode ten aanzien van homoseksualiteit.

Twee keer was De Ronde indiener van een gravamen, een bezwaar tegen het belijden van de kerk, ten aanzien van besluiten van de synode over homoseksualiteit. De eerste keer was dit in juni 1989 na de aanvaarding van de hervormde synode van een motie die als inhoud had dat ‘iedereen in de Nederlandse Hervormde Kerk een homofiele geaardheid en leefwijze ten volle behoort te aanvaarden’.

Ordinantie 5.4
Toen bleek dat ordinantie 5.4 een plaats in de kerkorde van de Protestantse Kerk zou krijgen, diende De Ronde opnieuw een gravamen in. In deze ordinantie is verwoord dat een kerkenraad – na beraad in de gemeente – kan besluiten dat ook andere levensverbintenissen dan het huwelijk van twee personen als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht kunnen worden gezegend. In zijn terugblik op 22 jaar kerkelijk gesprek over dit thema schrijft De Ronde: ‘Merkwaardigerwijs kwam er in 1989 (ook uit de rechterhoek van onze kerk) geen of heel weinig bezwaar. Het is dan ook ietwat hypocriet dat veel leidinggevenden van de huidige Hersteld Hervormde Kerk in 2004 ordinantie 5.4 als hoofdreden hebben gebruikt om de afscheiding te rechtvaardigen.’ Het afgelopen seizoen kwam er door een uitspraak van het Generaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen een einde aan een jarenlange procedure van de Woudenberger met de kerk.

Er is na jaren een einde gekomen aan uw procedures tegen het beleid van de hervormde en protestantse synode inzake homoseksualiteit. Wat heeft dit opgeleverd, zowel uzelf als voor de kerk?
‘Mijzelf heeft het een behoorlijk aantal reacties opgeleverd, die varieerden van uiterst vijandig – scherpe veroordelingen, anonieme brieven, meewarige commentaren – tot bemoedigende woorden en diep respect voor de bijbelse lijn die ik in alles probeerde te volgen. Dat de uiteindelijke besluitvorming voor mij een diepe teleurstelling was, zal men begrijpen. Het ging en gaat echter niet over mij, maar geheel over het feit dat de nu Protestantse Kerk in Nederland een, niet op bijbelse grondslag gefundeerde, leefwijze niet alleen gedoogt, maar ook duidelijk promoot.’

Groot verlies
‘Voor de kerk is door de procedures in elk geval duidelijk geworden dat niemand in de besluitvorming heeft kunnen zeggen: ‘Ik heb het niet geweten.’ Het is een bewuste keuze geweest. Daarnaast heeft het er mijns inziens mede toe geleid dat de oorspronkelijke versie van ord. 5-4 (identiek aan ord. 5-3) is gewijzigd in een zogenoemde ‘kan’-bepaling. Daarnaast is in het hele proces de binding aan het gereformeerde belijden voor gemeenten in het geheel verankerd en synodaal vastgelegd. Wel blijf ik van mening dat de ord. 5-4 een van de hoofdoorzaken van de breuk in 2004 is geweest en daarmee (overigens mijns inziens ten onrechte) een groot aandeel in het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk heeft gehad. Het heeft dus een groot verlies voor de hele kerk van Jezus Christus opgeleverd.’

U bent vanaf 1989 met dit thema bezig geweest. Waarom gaat dit u zo ter harte?
‘Dit raakt het hart van onze kerk. Als ambtsdrager mocht ik bij elkaar dertig jaar in verschillende gemeenten in het ambt staan en in die periode vijf jaar als lid van de generale synode medeverantwoordelijk en betrokken zijn bij alles wat onze kerk en de gemeenten raakt. Vanuit mijn jawoord bij de bevestiging als lidmaat en mogelijk nog in meerdere mate bij het geven van mijn jawoord als ambtsdrager was en ben ik medeverantwoordelijk voor datgene wat er besloten is en wordt.’

Gewetensbezwaard
‘In de hervormde kerkorde stond omschreven dat ‘als een lidmaat in zijn geweten bezwaard is, dat hij een gravamen tegen het belijden van de kerk mag (en in mijn ogen moet) indienen.’ Het mag duidelijk zijn dat ik tot in het diepst van mijn geweten bewaard ben en dat bij zwijgen mijnerzijds ik schuldig zou staan aan mijn belofte bij mijn gegeven jawoord. Daarnaast geeft de protestantse kerkorde (art.1 lid 9, 10 en 11) aan dat er getoetst moet worden aan Gods Woord en alles wat daarmede strijdig is, geweerd moet worden. Als mijn kerk deze opdracht ter zijde legt, maakt zij zich schuldig aan ongehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en ben ik daar (als lidmaat) medeschuldig aan. Dat raakt mij persoonlijk diep. Verootmoediging is voor mij een eerste vereiste om hier met gevouwen handen en gebogen knieën mee om te gaan.’

Hoe verklaart u het gegeven dat over vrijwel geen enkel thema zoveel spanning in de synode komt als wanneer gesproken wordt over (homo)seksualiteit?
‘Menselijk en maatschappelijk gezien is het niet zo verwonderlijk dat dit thema, ook binnen de synode, zoveel spanning oproept. Dit heeft alles te maken met het verstaan van het Schriftgezag. Daarnaast is er een voor mij onbegrijpelijke, grote angst om tegen de grote homolobby in te durven gaan. Blijkbaar durft de synode het niet aan om voor haar rekening te nemen wat in een van de adviezen (Generale Raad van Advies) stond aangegeven ‘dat ord. 5-4 op gespannen voet staat met en een afwijking is van het traditionele Gereformeerde en Lutherse belijden’.’

Amsterdam
‘Deze angst is mijns inziens ook de reden voor de halsstarrige weigering om ord. 5-4, conform de eigen kerkorde, te laten toetsen bij het licht van Gods Woord. Iedereen kan begrijpen dat dit een spagaat oproept en resulteert in een besluit om niet (bedoeld wordt nooit) meer ord. 5-4 aan de orde te stellen. Ondanks het feit dat in de laatste besluitvorming over dit onderwerp is besloten dat in het brede gesprek over het geheel van de seksualiteit mogelijk deze ordinantie ter sprake zou kunnen komen en een herziening zou kunnen plaatsvinden, roept iedere verwijzing hiernaar een geweldige eruptie op. De angst in de kerk is terecht, maar wordt veroorzaakt doordat men het absolute gezag van Gods Woord, waar gesproken wordt over een homofiele leefwijze, niet wenst te gehoorzamen. Volgens mij beseft de kerk dat ze daarmee schuldig staat maar ter wille van de maatschappelijke opinie van dit moment doet zij er liever het zwijgen toe. Waar dit binnen ons volk toe leidt, zagen we afgelopen weken toen bleek dat van de bijna 500 trouwambtenaren in Amsterdam er nota bene twee waren die gewetensbezwaren tegen een degelijke verbintenis hadden. Ze moesten daarom op straat gezet worden en onze kerk liet zich (nog) niet horen.’

Omzien naar elkaar
U eindigt uw afrondende evaluatie met een pastorale houding ten aanzien van gemeenteleden die het heel moeilijk hebben vanwege hun geaardheid. Hebben we in de gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen voldoende oog en hart voor hen?
‘Binnen de Protestants Christelijke Ouderen Bond kennen we het begrip ‘omzien naar elkaar’. Het zou in de Protestantse Kerk, en zeker binnen de gemeenten van de Gereformeerde Bond, vanzelfsprekend moeten zijn dat deze vraag niet gesteld zou hoeven te worden. Juist het stellen van deze vraag geeft aan dat daar geen volmondig ja op gezegd kan worden. Hoe komt dat nu? Oog voor hen hebben betekent dat we het zien en onderkennen. Er hart voor hebben betekent dat we met hen begaan zijn en noodzaakt ons om pastorale aandacht aan hen te besteden. Ook speelt mee dat er door menigeen gedacht wordt: Dit komt bij ons niet voor. Dit brengt dan weer met zich mee dat broeders en zusters met een homofiele geaardheid dit angstvallig verzwijgen en in grote eenzaamheid en vertwijfeling verder leven of zich om die reden van de gemeente afwenden en de kerk verlaten. Een gemeente die geen oog voor hen heeft, verzaakt haar pastorale verantwoordelijkheden en gaat selectief om met het weren van alle zonden. Immers, als Gods Woord een openlijke homofiele leefwijze afwijst, mag het gemeentelid die wel die geaardheid heeft en daarmee worstelt, niet afgewezen worden, maar juist extra pastorale aandacht en zorg ontvangen. Elke kerkenraad zou dit in zijn beleidsplan kunnen vastleggen. Bovendien, wie zijn wij om één geaardheid af te wijzen en alle andere zondige geaardheid van ons hart onbesproken te laten. Heeft Jezus niet aangegeven dat, wie zonder zonde is, de eerste steen moet werpen? Daarom, blijf de zonde afwijzen, maar heb een open oog en hart voor de mens die met de zonde worstelt!’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Verlies voor heel de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken