Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Missionaire motieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Missionaire motieven

8 minuten leestijd

Er wordt veel over de missionaire opdracht van de gemeente van Christus gesproken. Maar wat zijn eigenlijk onze motieven om missionair te zijn? In de Wekker, het orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken, gaat ds. R.G. den Hertog uit Zutphen daarop in vanuit de ‘rechtvaardiging door het geloof alleen’. Hieronder volgt de integrale tekst van zijn belangrijke bijdrage.

Steeds vaker klinkt in onze kerken de roep om missionair gemeente te zijn. in tijden dat de kerken hebben te lijden onder leegloop en de samenleving steeds verder van het evangelie vandaan komt te staan, is dat een begrijpelijk en ook een noodzakelijk verlangen. Noodzakelijk, niet omdat de kerk anders over een paar decennia niet meer bestaat, maar omdat dat verlangen gegeven is met de kern van het evangelie. in dit artikel wil ik op zoek naar het missionaire gehalte van de kern van het christelijk belijden.

We mogen de missionaire bewogenheid die in de afgelopen decennia ontwaakt is dus met vreugde begroeten. toch liggen er mijns inziens twee gevaren op de loer. Het eerste gevaar is dat wij onze missionaire activiteiten ontplooien vanuit een soort wettische gedrevenheid aan de opdracht van Christus om zijn getuigen te zijn. Dat zou bijvoorbeeld zo zijn als we alleen zouden evangeliseren omdat we dat voor ons gevoel moeten en om zo ons geweten gerust te stellen. Dan zou ons verlangen naar ‘missionair gemeente zijn’ in feite neerkomen op een poging om onszelf te rechtvaardigen op grond van onze (missionaire) werken. Een tweede gevaar is dat we missionair willen zijn vanuit een soort misplaatste hoogmoed. Dat zou zo zijn wanneer wij het evangelie beschouwen als een bezit dat we onszelf door het geloof hebben toegeëigend en dat ons in dit leven een meerwaarde geeft die ongelovigen moeten missen. ‘Wij’ hebben iets dat ‘zij’ niet hebben en daarom missen ‘zij’ iets in hun leven. Onbewust verheffen we ons daarmee boven ongelovigen en maken we bovendien het evangelie tot een product dat weliswaar een meerwaarde heeft, maar zichzelf blijkbaar niet kan verkopen. in beide gevallen ontstaat missionaire bevlogenheid niet vanuit de kern van het evangelie zelf, maar vanuit een bijkomstigheid. Ofwel vanuit een opdracht die los van de inhoud van het evangelie aan ons wordt meegegeven, ofwel vanuit onze overtuiging dat wij door het evangelie een ‘extra’ hebben ten opzichte van ongelovigen.

Ik wil niet beweren dat onze missionaire activiteiten voortkomen uit deze motieven, maar het kan geen kwaad om onszelf kritisch de vraag te stellen of onze bewogenheid daadwerkelijk wortelt in het evangelie zelf. in het evangelie is missionaire bewogenheid namelijk geen bijkomend aspect, maar komt zij voort vanuit de absolute kern van het christelijk belijden. Volgens mij kan de leer van ‘de rechtvaardiging door het geloof alleen’ ons helpen bij de zoektocht naar een intrinsieke motivatie in ons missionaire handelen. Als leidraad neem ik daarbij Luthers omschrijving dat de gelovige ‘rechtvaardig en zondaar tegelijk’ is. De vraag die mij voor ogen staat is de volgende: in hoeverre is de rechtvaardigingsleer bepalend in onze omgang met en visie op ongelovigen?

Allereerst is het goed om vast te stellen dat Luther met zijn formulering ‘rechtvaardig en zondaar tegelijk’ niet een algemene menselijke basiservaring tot uitdrukking wil brengen. De betekenis is niet dat er zich in ieder mens een constante strijd tussen goed en kwaad afspeelt. Luther was geen psycholoog of cultuurfi losoof die onder woorden wilde brengen wat mensen bezighoudt. Hij heeft zijn rechtvaardigingsleer niet gewonnen uit de ervaring van het leven, maar uit de werkelijkheid van Gods beloften. Anders gezegd: ‘tegelijk rechtvaardig en zondaar’ is geen analyse van een algemeen menselijke ervaring, maar een geloofsbelijdenis die ontstaat vanuit het luisteren naar Gods Woord.

In deze belijdenis wordt aan de ene kant gesproken over wat God doet (rechtvaardiging) en aan de andere kant is het een belijdenis over de situatie van de mens (zondaar). De gelovige is rechtvaardig omdat hij door het werk van de Geest in Christus een nieuw mens is, maar tegelijk is hij zondaar omdat hij deel uit blijft maken van deze zondige wereld. Het nieuwe leven in Christus en het oude zondige bestaan botsen op elkaar als twee werkelijk heden. Wanneer deze beide elementen van elkaar worden losgemaakt en op zichzelf worden genomen raakt heel het geloofsleven uit balans. De hoogmoed ligt op de loer op het moment dat we het ‘zondaar zijn’ uit het oog verliezen. Aan de andere kant zijn we vatbaar voor negativisme en ongelovige vertwijfeling op het moment dat we Gods daden uit het oog verliezen.

Het is belangrijk voor ogen te houden dat het in de rechtvaardigingsleer primair gaat om het handelen van God. De rechtvaardiging die God door het geloof wil geven wordt nooit het eigendom of een eigenschap van de gerechtvaardigde mens, maar blijft altijd het werk van de rechtvaardigende God. Dat is daarom belangrijk, omdat dat bij ons de weg opent naar echte christelijke solidariteit en missionaire bewogenheid. De rechtvaardiging door het geloof is namelijk geen bezit dat ons verheft boven of afzondert van anderen, maar een belijdenis van volstrekte afhankelijkheid van Gods verzoenende werk in zijn zoon Jezus Christus. Juist dat gegeven moet ons telkens weer bewust maken van onze wezenlijke gemeenschappelijkheid met ongelovigen.

Die gemeenschappelijkheid heeft twee aspecten. ten eerste belijdt een gelovige in de leer van de rechtvaardiging een zondaar te zijn en daarmee stelt hij zich naast ongelovigen onder Gods oordeel over de zonde. Maar met dat de gelovige zich met de ander onder Gods oordeel weet, weet hij zich net als de ander – ook als de ander dat niet kan toegeven – totaal afhankelijk van Gods genade. De leer van de rechtvaardiging richt ons de ogen op het handelen van God, die wil dat alle mensen gered worden (1 Tim.2:4).

Alleen daarom al is christelijke solidariteit en missionaire bewogenheid anders dan commerciële of moralistische bevlogenheid. Bij beide laatste wordt uitgegaan van een bezit (ofwel een product, ofwel een morele houding) dat ongeacht de situatie van de ander aangeboden dient te worden. De ander ontbeert een product, houding of eigenschap en staat daarmee op een ander (lees: lager) niveau dan degene die het product aanbiedt. Er is een duidelijke scheiding tussen de ‘haves’ en de ‘have-nots’.

In de rechtvaardigingsleer daarentegen wordt geen product of houding gepropageerd, maar juist de totale afhankelijkheid van Gods handelen beleden. Die totale afhankelijkheid hebben alle mensen – of ze het weten of niet – gemeenschappelijk. Daarom is het uitgangspunt van de rechtvaardigingsleer een fundamentele gemeenschappelijkheid van alle mensen. In de woorden van de lndiase theoloog D.T. Niles: evangelisatie is dat de ene bedelaar aan de ander vertelt waar er brood is.

‘De kern ziet wijd’, luidt een bekend gezegde van K.H. Miskotte, hervormd predikant en hoogleraar uit de 20e eeuw. Hij bedoelde daar onder andere mee dat er in het geloof een absolute kern is, die zijn licht laat stralen op alle andere aspecten van de werkelijkheid. In zekere zin is hetzelfde te zeggen van de leer van de rechtvaardiging door het geloof. Juist de kernbelijdenis van totale afhankelijkheid van Gods rechtvaardigende werk kan er nooit toe leiden dat gelovigen zich afzonderen van de boze buitenwereld. De kern ziet wijd, dat wil zeggen juist vanuit de rechtvaardigingsleer wordt de gelovige gedrongen zijn blik naar buiten te richten, naar mensen met wie hij zich solidair weet.

Ten slotte wil ik benadrukken dat christelijke solidariteit exclusiviteit niet uitsluit, maar juist veronderstelt. Als wij in onze missionaire activiteit genoegen nemen met een algemeen menselijk verlangen naar geborgenheid en zekerheid, dan nemen we, in tegenstelling tot de kern van ons belijden, ons uitgangspunt in de werkelijkheid van het leven, in plaats van in de werkelijkheid van Gods beloften. Evangelisatie betekent ook dat mensen buiten de kerk op één of andere wijze gesteld worden voor de meest fundamentele vraag of zij al hun heil alleen van God verwachten. Maar die vraag mag dan niet gesteld worden vanuit een formeel plichtsbesef of vanuit misplaatste hoogmoed, maar vanuit het besef dat ieder mens totaal afhankelijk is en blijft van Gods genade. De gemeente is en blijft een pijler en een fundament van de waarheld, niet op basis van kwaliteiten die zij bezit, maar op basis van het evangelie dat ons leert dat ieder mens alleen kan leven op de adem van Gods stem.

Ds. Den Hertog stelt fundamentele zaken aan de orde die uitnodigen tot missionaire bezinning. Dat ieder mens op genade aangewezen is verlost de gemeente van een kramp en ook van een hoop vromigheid. Want ‘we zitten samen in het zinkende schip en God wil ons samen aan land brengen’ (A.J. Zoutendijk).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Missionaire motieven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken