Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Na de promotie van Willem Jan de Wit (zie deze rubriek op 22 december) sprak prof.dr. C. van der Kooi een laudatie uit. Hier volgt het slot:

De rechterzijde van de gereformeerde gezindte hecht aan traditie, en haar theologen neigen daarom te promoveren op historische onderwerpen en wagen zich nauwelijks aan eigen systematische ontwerpen. Daarin ga jij een eigen, en ik herhaal, dappere weg. Je verklaart expliciet dat de theologie niet haar rechtvaardiging kan ontlenen door haar binding aan het verleden, maar dat ze haar rustpunt moet vinden in de levende God. Je bent daarin radicaal en een voorbeeld voor eigen nadenken. Geen concept kan ons redden, ook niet het concept van een theologie van het kruis, alleen de levende God zelf. Daarmee heeft dit proefschrift een mystieke pointe die het gereformeerd piëtisme ook kent, maar het ontstaat hier in een radicale openheid naar en kwetsbaarheid voor een moderne wereld die God niet nodig heeft. Dat geeft aan het geloof iets van eenzaamheid, een eenzaamheid die de joden in de diaspora, in Alexandrië of Amsterdam, of waar dan ook, al eeuwenlang gevoeld moeten hebben. Maar ook Amsterdam kan een plaats kan zijn, worden, een makom, Mokum, waar God wordt ontmoet. Dit boek getuigt er zelf van:

“Laat dan mijn hart u toebehoren,
en laat mij door het stadshart gaan,
met open ogen, open oren, om al uw tekens te verstaan.
Dan is ’t in Amsterdam zo goed,
omdat de hemel mij begroet.”

***

Uit de nieuwsbrief van dr. G.H. Cohen Stuart:

Bij de Joodse gemeenschap roept de datum van de stemming in de Eerste Kamer over de kosjere slacht historische associaties op. Als 20 december de zon ondergaat begint het Chanoekafeest, het feest van de herinwijding van de tempel als bekroning van de eerste fase van de opstand van de Makkabeeën.
Sinds het jaar 215 v(oor) d(e) g(ewone) j(aartelling) viel de provincie Judea onder het Seleucidische Rijk (een soort Groot-Syrië met als hoofdstad Antiochië). Het rijk was een lappendeken van verschillende voormalig zelfstandige staatjes, ieder met een eigen godsdienst. De vorsten van het Seleucidische Rijk zochten naar wegen om die volkeren tot een enkele natie om te smeden. Meestal ging dat probleemloos. Voor de polytheïsten in de meeste landen maakte het weinig verschil om de naam van hun lokale godheid aan een Griekse god te koppelen. Verder bleven de lokale riten gehandhaafd. Alleen bij traditioneel gelovende en levende Joden in Judea leverde dat problemen op. Daarom besloot de regering in Antiochië tot een radicale aanpak. Er kwam de verplichting om in de tempel in Jeruzalem een beeld van Zeus te plaatsen en daar varkensoffers te brengen. Joden werden ook gedwongen dat ‘barbecuevlees’ te eten. Verboden werden
verder de jongensbesnijdenis op de achtste dag, het vieren van de sjabbat en de Joodse feesten. Ook werd het lezen van de boeken van Mozes, de Torah, in religieuze samenkomsten verboden.
Dat leidde tot het uitbreken in 167 vdgj van een guerrillaoorlog onder leiding van een ‘dorpse’ priesterfamilie, de Hasmoneeën. Deze guerrillaoorlog staat bekend als de opstand der Makkabeeën, genoemd naar de derde van de vijf zonen van priester Mattathias, Juda, die de bijnaam strijdhamer, makbi, had. (…)
In het debat over de slachtwet hebben de christelijke partijen getoond de zorg van religieuze minderheden over afnemende tolerantie te delen. Het is niet de eerste keer dat ik moest denken aan de woorden van de Duitse theoloog Martin Niemöller (1892-1984): ‘Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen; ik was immers geen communist. Toen ze de sociaaldemocraten gevangenzetten, heb ik gezwegen; ik was immers geen sociaaldemocraat. Toen ze de vakbondsleden op kwamen halen, heb ik niet geprotesteerd; ik was immers geen vakbondslid. Toen ze de Joden opsloten, heb ik niet geprotesteerd; ik was immers geen Jood. Toen ze mij kwamen halen was er niemand meer die nog protesteren kon.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken