Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Illegalen bestaan niet’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Illegalen bestaan niet’

8 minuten leestijd

In ieder geval tot maart is de zogeheten Vluchtkerk open. Een gekraakt kerkgebouw in Amsterdam-West dat plaats biedt aan uitgeprocedeerde asielzoekers. Met name in christelijke kring is er bijna eufoor gereageerd op dit initiatief. Volzin schrijft bijvoorbeeld: ‘De Vluchtkerk is een actueel kerstverhaal.’ Maar voordat je het weet, denk ik dan, ben je alweer bezig een daad van liefde in je eigen kringetje te trekken. Misschien wel om te laten zien hoe relevant het christendom toch wel is. Het gaat bij dit initiatief echter om de schrijnende realiteit van mensen die geen uitweg zien. Wat dat betekent, wordt invoelbaar in een gesprek dat Rick Timmermans voor het ND had met oud-justitiepastor ds. Ferdinand van Melle (1943).

Ik had al acht jaar een fijne gemeente in Bergen, met een prachtige kerk, een schitterend orgel en een uitmuntende organist. Ik was begin vijftig. Een betere plek kon ik niet bedenken, maar om er tot mijn 65e te blijven – dat zou voor niemand goed zijn. Een collega vertelde enthousiast over de bevestigingsdienst van een predikant in een gevangenis. Dat bleef in mijn hoofd zitten. Niet veel later kon ik als geestelijk verzorger aan de slag in de Bijlmerbajes en in het Grenshospitium.
Ik dacht een aardig beeld te hebben van hoe de wereld in elkaar stak, maar dat viel tegen. Het Grenshospitium herbergde een wereld waarvan ik niets bleek te weten. Er zaten vooral jonge mensen die op Schiphol uit de rij waren gepikt omdat hun papieren niet klopten. Ze waren gevlucht, kwamen aan en konden meteen door naar het Grenshospitium. Dat is een detentiecentrum, een gevangenis. Vreemdelingen konden er toen nog onbeperkt vastgehouden worden; inmiddels is dat teruggebracht naar achttien maanden. De eerste vragen aan mij waren altijd: “Waarom sluiten jullie mij op? Ik heb toch niets gedaan? Jullie zijn toch christenen? Jullie koningin is toch christen?” Later kwamen er ook vreemdelingen bij die al langer in Nederland verblijven, maar zijn opgepakt omdat ze geen papieren hebben, geen verblijfsvergunning. Ze worden vastgezet met als doel uitzetting. Niet dat dat vaak gebeurde; het land van herkomst gaf meestal geen visum. De aanvraag kwam in het geboorteland op ‘de stapel’. Deze vreemdelingen werden, meestal na vele maanden detentie, op straat gezet met een brief in de hand. De boodschap: binnen 24 uur het land verlaten. Maar waar moesten ze heen? Ze kregen een brief, geen papieren. Vanaf nu waren ze illegaal. Soms werden ze opnieuw opgepakt omdat ze nog in Nederland waren. Weer eindeloos in detentie. Dat zo met deze mensen werd omgegaan, daar had ik als gemeentepredikant nog geen weet van. Zo inhumaan. (…)’


Geloofskracht
‘De pastorale gesprekken die ik voerde, waren heel anders dan ik gewend was in mijn PKN-gemeente. Elkaar leren kennen via koetjes en kalfjes was niet nodig. Het ging meteen pats de diepte in. De kern was: “Pastor, wilt u met mij bidden, wilt u mij zegenen?” Er werd sterk gehecht aan de ritualisering van het leven. Het geven van een zegen, bidden, samen knielen voor het kruis, soms wat zingen. Vol overgave werden beloftes gedaan: “Als ik nu dit doe, dan doet God dat.”
De geloofskracht die ik zag, vond ik heel bijzonder. Ook bij de mensen die op het punt van uitzetting stonden. Dan ging ik nog snel met iemand naar de kapel. “Pastor, als u nu mij zegent, dan heb ik weer wat moed. We are in the hands of God, whatever.”
Naast pastoraat was mijn belangrijkste taak de kerkdienst. Die diensten waren heel anders dan ik gewend was. Alles liep door elkaar. Of je protestants was, katholiek, evangelisch of orthodox, je voelde: we hebben een God en die God gaat ons helpen. Dat geloof kom je in Nederland niet veel meer tegen. Geconfronteerd met rampspoed zeggen wij eerder: “Die God bestaat niet.” Maar die gedachte kwam ik bijna nooit tegen. Veel mensen gingen eerder op zoek naar de reden waarom God hen daar had geplaatst.
Ik ben daardoor veranderd. Mijn kritische vragen leidden namelijk tot niets. Hij zal wel niet bestaan en als Hij niet helpt, dan doet Hij niet zijn best. Het zijn ook meer conclusies dan goede vragen. Deze mensen leerden mij dat dankbaarheid het begin van alles is. Onze liturgie begint met het kyrie en je antwoordt met gloria. Eerst ontferming, dan genade. In Afrikaanse kerken is dat omgekeerd. God is groot, Hij is mijn Vader, Hij kan alles, prijs de Heer. Elk gebed begint met lofprijzing. Met Gods naam op de troon van genade zetten. Ook tegen beter weten in.’


Evangelisch
‘Een andere zegen van dit werk is dat ik toegankelijker ben geworden voor evangelische invloeden. Als dominee had ik moeite met het Jezus in je hart, Jezus in je zak. Dat je alles wist van Jezus. “Kom op, afstand”, zei ik dan. De meeste christenen in detentie kwamen uit Afrika en hebben een andere kerkgeschiedenis. Zij hebben niet via de Verlichting het verstand toegelaten. Zij hebben een veel intuïtiever verstaan van een macht die groter is en die redt, maar die ook op afstand kan zijn. Zoals Job. God is ver weg, maar ik kan niet buiten Hem. Ik blijf met Hem onderhandelen, want ik ben zijn kind – om geld, gezondheid, vrijheid. Dat kleurde het pastoraat.
De zondagen waren het echte feest. Vooral omdat er ook kerkmensen van buiten naar de kapel kwamen. Die deden belangrijk werk: ze lieten de gevangenen zien dat ze niet vergeten werden. In het oude avondmaalsformulier staat een mooi woord: indachtig. Iets of iemand in je gedachten verankeren. Wat er ook gebeurt, die wis je niet uit. Ik heb vaak gemerkt dat de gedetineerden opknapten en opfleurden omdat ze wisten dat iemand aan hen dacht. (…)’


Klinkeren
‘De Raad van Europa, Amnesty International en de Nationale Ombudsman hebben de vreemdelingenbewaring in Nederland onderzocht en schrijven unaniem dat het niet goed is wat hier gebeurt. Het grootste probleem is het klinkeren. Dat is vaktaal voor vreemdelingen na maanden detentie op straat zetten. Een uitzichtloze en volstrekt eindeloze situatie, want deze mensen krijgen nooit papieren en kunnen meestal niet meer terug naar hun geboorteland, omdat dat land tegensputtert. Maar de Nederlandse overheid wimpelt de kritiek af. Die blijft zeggen: “Ze mogen hier niet zijn, dus moeten ze het land uit”.
Mijn vertrouwen in het Nederlandse beleid bereikte een nieuw dieptepunt toen vier Congolezen werden uitgezet. Ze gingen naar het vliegveld, maar de volgende dag kwamen ze alweer terug. Ik ging informeren, want dat klopte niet. Wat bleek? De marechaussee kon niet instaan voor de veiligheid van de begeleiders die mee moesten. Bij een eerdere vlucht naar Congo waren de beveiligers namelijk opgepakt en dus zei de marechaussee: het gaat niet door. De veiligheid van de beveiligers ging verre boven de veiligheid van de Congolezen, van wie je zeker wist dat ze op het vliegveld werden gearresteerd. Want wat denk je als je ergens aankomt onder begeleiding van de marechaussee? Dan word je vastgezet en als je niemand kunt omkopen, rippen ze je volledig voordat ze je laten gaan. Er werd groot onderscheid gemaakt tussen de vreemdeling en de Nederlandse burger. Alsof deze vluchtelingen geen mensen waren. (…) Het woord illegaal krijgt, zeker nu illegaliteit misschien strafbaar wordt, een steeds negatievere klank. Wat in de oorlog nog prachtig was, dat je bij de illegaliteit hoorde, dat geldt nu niet meer. Daarom spreek ik liever over geïllegaliseerden. De overheid maakt deze mensen illegaal. Maar er zijn helemaal geen illegale mensen; er zijn alleen maar mensen. Je kunt wel iets over die mensen zeggen, maar niet dat het illegale mensen zijn. Het is de keerzijde van onze documentencultuur.’


Christenen
Ben je zonder papieren eigenlijk wel een mens? In de praktijk is het antwoord nee.
Maar voor de christelijke gemeente geldt dat niet. Die illegaliseert niemand. Die zal blijven zeggen: je bent een kind, door God bemind en voor geluk geschapen. Dat je geen papieren hebt en dus niet meetelt, dat is een afspraak van een groep mensen met een bepaalde etnische achtergrond en in een bepaald tijdvak van de geschiedenis. De christelijke gemeente moet zich nooit laten overrulen door een overheid die mensen kleinmaakt en dehumaniseert
.
Als christen moet je er iets naast zetten. Je bent medeverantwoordelijk voor wat in ons territorium gebeurt met die vreemdeling. Dat kan betekenen dat je je solidair verklaart met hem. Niet dat dat hem een huis of een verblijfsvergunning oplevert, maar hij moet weten dat hij niet alleen is en niet vergeten wordt. Als je Jezus serieus neemt en Hem wilt volgen, dan kun je niet aan dit probleem voorbijgaan. Is er nog steeds geen plaats in de herberg?

Aan deze vragen valt niets toe te voegen, behalve dat ze ook buiten de kersttijd hun geldigheid behouden.


Ds. G. van Meijeren uit Utrecht is interim-predikant in de Protestantse Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2013

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

‘Illegalen bestaan niet’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2013

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken