Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voorbereiding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voorbereiding

4 minuten leestijd

Willem de Mérode, algemeen beschouwd als de beste protestants-christelijke dichter tussen de twee wereldoorlogen, verwoordt in veel van zijn gedichten een persoonlijke geloofsworsteling. Ze is terug te vinden in Voorbereiding.

De Mérodes werkelijke naam was Willem Eduard Keuning, geboren in 1887 in een Gronings onderwijzersgezin. Van 1906 tot 1925 was hij onderwijzer in Uithuizermeeden en daar vond in 1924 de grote tragedie in zijn leven plaats. Hij had een nadrukkelijk homofiele aanleg, maar koos uit overtuiging voor onthouding. In 1924 echter kwam het toch tot seksuele handelingen met een minderjarige jongen, mede op diens aandrang. Zelf schreef hij naderhand: het ‘ging mis’. Het leidde tot ontslag en veroordeling. Ook tot gehele of gedeeltelijke verstoting uit christelijke en kerkelijke kring en zijn familie, dit ondanks berouw en schuldbekentenis. Hans Werkman, die zich intensief met leven en werk van de dichter heeft beziggehouden, constateert dat de hele historie zeker geen fraai voorbeeld is van christelijk en kerkelijk handelen: er was geen plaats voor vergeving na erkenning van schuld.

Stempel
Het trieste resultaat was dat hij buiten de kerk terechtkwam. De weg naar God, door Christus’ offer, bleef echter open. Een bekende en typerende dichtregel van hem is: ‘laat mij maar eenzaam tot U komen’. Na zijn gevangenschap vestigde hij zich in Eerbeek, waar hij in 1939 overleed. De catastrofe van 1924 is bepalend geweest voor het verdere leven van de dichter. Deze heeft zijn geloofsleven verdiept en zijn poëzie gestempeld.
Het gedicht ‘Voorbereiding’ stamt uit de tijd van vóór de tragedie, maar de worsteling met het avondmaal – de complexiteit van zonde en vergeving – was ook toen al duidelijk aanwezig. Het klassiek gebouwde gedicht met veel klankovereenkomsten die de belangrijke woorden aan elkaar koppelen – bijvoorbeeld de o-klank in de laatste strofe: ‘bonzend’, ‘vonden’, zonder’, ‘zonden’ – maakt deel uit van enkele avondmaalsverzen aan het eind van de bundel Het kostbaar bloed (1922). Al stammen die gedichten uit de periode van vóór de tragedie, de spanning tussen aardse liefde en liefde tot Christus is steeds voelbaar, zowel zondebesef als het besef van vergeving door het ‘kostbaar bloed’ (waarnaar de titel van de bundel verwijst).
De criticus en essayist Dirk Coster schreef over de bundel: ‘Sinds Revius klinkt hier voor het eerst het geluid op ener elementair Calvinistische poëzie.’ Overigens waarschuwde hij De Mérode ook voor een te ‘grote gemakkelijkheid’ in zijn versbouw, een juiste constatering: De Mérode heeft te veel gedichten gepubliceerd, hij had meer moeten ‘snoeien’.
(Snoeien in levensbeschouwelijke zin is trouwens een belangrijk thema in de bundel: het dorre hout moet weg, een gesnoeide boom leeft pas echt!)

Wending
‘Voorbereiding’ is geen ik-gedicht. De dichter plaatst zich in een groepering van angstige gelovigen die zich van hun zonden bewust zijn: daarom ‘hun’ en ‘zij’. Het gedicht zet in met allerlei woorden die de angst voor het recht van God uitdrukken: ‘Gods geduchte hand’, ‘bang’,
schaamte’, ‘vrezen’ en ‘wee’. Maar tegelijkertijd is er ook sprake van verlangen naar vergeving: ‘hunkrend’.
Dan volgt de wending, de roep uit de diepte, die de stilte doorbreekt: ‘O Heere Jezus, neem ons aan!’ Die roep is een hartstochtelijk beroep op Jezus als enige grond voor vergeving. Dit brengt de ommekeer teweeg. Alleen door het offer van Jezus Christus – naar Hem verwijzen immers brood en wijn – kunnen onze zonden worden ‘afgewassen’ en ‘uitgewist’ (Hand.3:19, 22:16). Alleen door Hem is er vergeving mogelijk, ook voor de grootste der zondaren.
In de woorden van de dichter: ondanks het ‘slecht gedrag’, toch ‘vlekkeloos en zonder zonden’.


Voorbereiding
Hun harten voelden zij als boeken
in Gods geduchte hand gelegd,
en wisten, dat Hij al hun slecht
gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hunkrend mee,
en zagen wat zijn vingers wezen.
Was er niets goeds? Hun schaamte en vrezen
groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dicht gedaan,
en zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Heere Jezus, neem ons aan!

En ’t bonzend hart, dat ze in zich vonden,
was vlekkeloos en zonder zonden.


Dr. J. de Gier uit Ede is neerlandicus

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2013

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Voorbereiding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 2013

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

PDF Bekijken