Bekijk het origineel

UIT DE LANDSTREEK DER JORDAAN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT DE LANDSTREEK DER JORDAAN

7 minuten leestijd

Aan mijn geliefde vriend in Mesech.

Geliefde Vriend!

Voor dat we van het Jubeljaar wat zullen schrijven, wilden we eerst nog wat schrijven over het Sabbathjaar. Wel is waar dat we bij de instelhng van dat Sabbathjaar niet lezen van een heihge samenroeping ten huize Gods, gelijk David daarop het oog heeft in Psalm 42 als hij spreekt over het opgaan met de feesthoudende menigte, maar nu we toch eenmaal over die Oud-Testamentische feesten bezig zijn, willen we dat Sabbathjaar niet over slaan. De Heere bepaalde voor dat jaar, dat dan het land moest rusten. Zes jaren achter elkaar moesten de Israëlieten het land bewerken, maar het zevende jaar moest voor het land een Sabbath der rust zijn. Dan mocht de akker niet bezaaid worden en de wijngaard niet besneden. Wat vanzelf zou zijn gegroeid, mocht niet worden ingeoogst, maar mocht aan iedereen, zelfs aan het vee en aan al het gedierte dat in het land was, tot spijze zijn. Vanzelf kon dit pas worden onderhouden als Israël in het land Kanaan zou gekomen zijn. Hoe duidelijk werd Israël er door deze instelling op gewezen, dat de aarde des Heeren is en hare volheid. Het zevende jaar moest dan ook een Sabbath de Heere zijn. In zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt en de zevende dag heeft Hij gerust. Daarop grondt zdch ook de

ordinantie des Heeren van het rusten van de zevende dag. Hoewel de Heere echter de zevende dag gerust heeft, zo wil dat niet zeggen, dat Zijn werk op die dag niet is doorgegaan. Immers al was in zes dagen het werk der schepping volbracht, het werk der voorzienigheid ging gelijk door. Die voorzienigheid Gods gaat dus ook door als de mens niet werkt. Wel is de mens natuurlijk verplicht om zijn roeping in dit aardse leven te vervullen, maar met de instelling van het Sabbathjaar heeft de Heere toch Israël er op willen wijzen hoedat de mens in zijn leven en bestaan toch geheel afhangt van de voorzienigheid Gods. We lezen dan ook in Lev. 25 : 20 en 21: En als ge zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen; Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Het is ook voor het tijdelijke leven zulk een les die Gods volk leren moet, dat het te vergeefs is dat zij vroeg opstaan, laat opblijven, het brood der smarten eten, als de Heere het werk niet zegent. Het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft. Het is ook voor het natuurhjke leven een moeilijke les, dat we zo afhankelijk zijn van de voorzienige leiding en de onderhoudende zorg des Heeren. En tevens moet Gods volk leren verstaan, dat het aardrijk geen vrucht voor hen voortbrengt om daar enkel en alleen mee voor zichzelf te leven. De wijze Spreukendichter laat ons horen: Vereer de Heere van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten. En Paulus vermaant om te kopen, als niet bezittende; en de wereld te gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

De Heere bepaalde dan ook voorts voor dat Sabbathjaar, dat de schuldeiser degene die hem schuldig was, de schuld moest kwijtschelden. Tevens moest men zijn broeder, een Hebreër of een Hebreïnne, die zich uit armoede tot dienstknecht of dienstmaagd had verkocht, vrij laten uitgaan. We weten echter wel, dat als zulk een dienstknecht niet wilde vrij uitgaan, dat dan zijn heer hem aan de post van de deur moest brengen en met een priem zijn oor doorboren, en alzo zou hij hem eeuwiglijk dienen. Dit was van een dierbare geestelijke beduidenis, daar alzo heengewezen werd naar Christus, Die als de grote Knecht Zijns Vaders zeggen kon: Gij hebt Mij de oren doorboord.

Hoe duidelijk wees dus heel deze instelling van het Sabbathjaar heen naar de verlossing die door Christus zou worden aangebracht. Het is ten gevolge van de zonde dat de Heere gesproken heeft: Zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt. En Paulus leert ons in Rom. 8, dat het schepsel der ijdelheid is onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ij.delheid onderworpen heeft. En het ganse schepsel te zamen zucht, en is te zamen als in barensnood tot nu toe. Waar in het zevende jaar echter niet in het zweet zijns aanschijns behoefde te worden gearbeid, werd daarin duidelijk voorgesteld hoe dat die vloek door Christus is weggenomen. En zo werden de rechtvaardigmaking en de heerlijkmaking er duidelijk door aangewezen. We hebben de vorige keer gewezen op de betekenis van de grote Verzoendag. Als Gods volk de betekenis daarvan bevindelijk leert kennen, dan wordt het verstaan wat of het zeggen wil, dat Christus de Zijnen heeft verlost van de vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor hen, want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt! En dat mag Gods volk wel eens ervaren, ook in het gebruik van de natuurlijke spijzen, dat de vloek er door Christus voor hen uit weggenomen is. Dan mag de zegen des Allerhoogste daarin gesmaakt worden. Dat is die zegen die alleen rijk maakt en Hij voegt er geen smart bij. Dat is die zoete gunst, die meer sterkt dan de uitgezochtste spijzen en die goedertierenheid die beter dan dit leven is. Zo is het weinige dat de, rechtvaardige heeft, veel meer dan de overvloed der goddelozen.

En toch, ze moeten hier de bittere vruchtgevolgen van de zonde ook nog gedurig ondervinden.

Paulus laat in Rom. 8 zo duidelijk horen dat het ganse schepsel zucht onder de vloek die er door de zonde op rust. En Gods levende kerk zucht ook, in het verlangen om van die dienstbaarheid der verderfenis vrijgemaakt te worden. Dat zal pas zijn in de heerlijkmaking. Echter is die volkomen verlossing ook door Christus teweeggebracht. Daar werd ook in de insteUing van het Sabbathjaar op gewezen. Daarop wees ook de kwijtschelding van de schuld, zoals die met het Sabbathjaar moest plaatsvinden. De zonde stelt ons schuldig, niet alleen tot de tijdelijke, maar ook tot de eeuwige dood. Elke zonde is een eeuwige straf waardig en daarom houdt dit een schuld in, die in eeuwigheid niet betaald kan worden. Maar van die eeuwige dood heeft Christus Zijn kerk verlost en een eeuwig leven daar voor in de plaats verworven. O, welk een verlossing zal dat voor de kerk zijn, als ze van dat lichaam der zonde en des doods voor goed bevrijd zal zijn. Dan zal het Sabbathjaar pas in volmaaktheid eeuwig gevierd worden, vriend. Dan zal het een eeuwig rusten voor de kerk zijn. Waar we de volgende keer wat wensen te schrijven over het Jubeljaar, hopen we daar nog wat nader op in te gaan. Voor dit maal laten we het er weer bij. Ontvang de hartelijke groeten van

Uw liefhebbende vriend in de landstreek der Jordaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1954

De Wachter Sions | 4 Pagina's

UIT DE LANDSTREEK DER JORDAAN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1954

De Wachter Sions | 4 Pagina's

PDF Bekijken