Bekijk het origineel

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 39

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 39

6 minuten leestijd

En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: zijt gij de be' voerder Israels? Toen zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws Vaders huis, daarmede, dat gijlieden de ge' boden des Meeren verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt. 1 Koningen 18 : 17—18

Wat is dat wel een gezicht voor hem geweest. Zo onverwachts. Zo midden op de weg. Hij zag hem van aangezicht tot aangezicht. Zou Achab bevreesd geweest zijn? Weineen. Dat bewijst wel het gezegde van Achab: Zijt gij die beroerder Israels? Koning Achab was niet bevreesd voor Eha. Dat behoeft toch ook niet zult ge misschien zeggen? Vele mensen maken van Gods knechten een soort boeman of een afschrikwekkend persoon. Dat is geheel verkeerd. Jong en oud behoeft niet bang te zijn voor Gods knechten en Ambtsdragers. Zij hebben te waken voor uw zielen, wie gij ook zijt. Of dat ge nu koning zijt of onderdaan, geleerd of ongeleerd, grijsaard of kind, Gods profeten zoeken het heil voor hun medemens. Maar weet ge wat wel verkeerd is? En dat vinden we ook bij koning Achab, dat er geen eerbied en ontzag-is voor een Godsgezant. Dat men het aandurft, gelijk Achab deed, om een profeet zo aan te spreken: Zijt gij die beroerder Israels. Dat bewijst wel grote onbeleefdheid en felle vijandschap. Achab is verbitterd tegen Elia. Hij kan zijn vijandschap niet verbergen of bedwingen. Openlijk zegt hij hoe hij over Elia denkt.

Neen, koning Achab is uiet vertederd onder de oordelen Gods. Hij dorst niet naar de boodschap des heils. 's Konings woord tot Elia is geen schuldbelijdenis; niet wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan. We horen hier van Achab geen smeekbede voor land en volk. Er is bij hem geen boete, geen bukken, geen erkennen, maar verharding. En het geschiedde, als Achab Eha zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder Israels. Dat zien van Eha verwekte bij Achab bittere vijandschap. Dat zien van Elia was voor hem geen vreugde. Wat bekende Achab wel in zijn gezegde? Dat Israël beroerd was. Dat Israël in diepe ellende was gedompeld. Dat Achabs bloeiend wereldrijk verstoord was en dat de Baals al de ellende niet hadden kunnen afwenden. En van dat alles krijgt nu Eha de schuld. Eha wordt voor de beroerder Israels gehouden. Eha, gij zijt de verstoorder van Israels geluk en voorspoed. Gij zijt de onheilstichter. Gij zijt de ongeluksprofeet, de oorzaak van al de ellende. Gij hebt ons wereldplan verijdeld. Gij hebt de wereldvreugde verstoord. Het land zit in de diepste nood, dat is uw schuld Eha! Achab ziet niet in, dat de oorzaak bij hem en bij Israels volk ligt. Daarvan wil hij niets weten. Hij rechtvaardigde zichzelf door deze aanspraak. Hij had toch immers Jehovahs dienst nog toegelaten. Hij had toch Obadja nog wel in dienst gehouden. In zijn gezegde toonde hij echter niet te willen buigen voor de Enige God. Hij erkende geen absolute Godsdienst. Achab wilde vrijheid van Godsdienst. Hij wilde verdraagzaamheid in de Godsdienst. De Baals moeten ook geduld. Voor die moet men ook kunnen buigen, enz. O, gehefde lezers, is ons arme vaderland ook niet bezield met zulk een Achabsgeest, De Baals zijn openlijk ingevoerd. Vrijheid van Godsdienst voor een ieder zijn smaak. En de ware Godsdienst wordt steeds meer en meer verdrongen. Israels volk bezat toch de uitspraak des Heeren: Ik ben de Heere uwe God, die u uit Egypteland, uit het dieosthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. De wet Gods werd toch steeds gelezen. Zo toch ook in ons eigen vaderland. Hoe heeft de Heere ons eertijds verlost van het roomse juk. Goed en bloed is er voor opgeofferd. En nu? Rome moet geduld, krijgt hoe langer hoe meer de overhand en heeft reeds de leiding van ons vaderland in handen. De processies worden zo hier en daar al openlijk op de straten vertoont. De macht van Rome, onze erfvijand, is sterker dan dat het door het protestantisme beseft wordt. Daarbij allerlei wind van leer, Remonstrantisme, grove en verfijnde. De moderne Godsdienst viert hoogtij. Gods Ueve dag ontheihgd. De zuivere waarheid wordt verkracht. Gods geboden met voeten vertreden. Terecht zou de Heere ook tot ons kunnen zeggen: Maar Mijn volk wou niet Naar Mijn stemme horen; Israël verHet Mij en Mijn geboon 't Heeft zich and're go6n, Naar zijn lust, verkoren. En zie, toen Achab en Israels volk van God waren afgeweken, kwam er beroering. Toen werd vervuld: Zo zij ontheihgen, wat Ik heb voorgeschreven. Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven. En dat wel door eigen schuld. O, het mocht ook in onze dagen wel klinken: Land, Land, Land, hoort des Heeren woord. Dat men toch oren kreeg om te horen en ogen om te zien. Maar ook in ons land is geen stem en opmerken. Het is als ten tijde van Achab. Men acht de Baaisprofeten en - priesters beter dan EHa de Godsgezant. Aan leugen en bedrog blijft men zich vastklemmen. Ten tijde van Achab was de hemel gesloten, de honger was sterk in Samaria. En toch wilde men niet inzien waarom de Heere met zijn tegenheden was gekomen. Hoe was koning en volk met bhndheid geslagen. Hoe dwaas toch zo te volharden in de zonde en ongerechtigheden. Hoe droevig, niet te vragen en niet terug te keren tot de levende God. Hoe diep was het verval in die tijd. En in onze dagen is het al niet veel beter. De enige God wordt gehoond. Gods knechten en Gods kinderen worden voor beroerders gehouden. Bittere vijandschap openbaart zich tegen het leven der GodzaUgheid. 't Is ook van de beginne aan nooit anders geweest. Denk maar aan Kain en Abel. Denk aan de tijd van Henoch en Noach. Men bleef zich verharden.

Noach predikte honderd twintig jaar, bouwde op Gods bevel een ark, maar het volk vreesde uiet voor het toekomende oordeel, totdat het te laat was. En wat lezen we van de Heere Jezus, de grote Weldoener, Die zichzelf Gode onstraffelijk heeft opgeofferd. Die de eeuwige zegeningen heeft aangebracht. Die Zijn bloed gestort heeft tot vergeving der zonde? Zie Lukas 23 : 5. En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk.

Neen Elia, gij zijt niet de enige die als beroerder uitgemaakt zijt. Ook Christus de Zaligmaker werd voor een verleider gehouden. Hij werd vooi een leugenaar en lasteraar uitgemaakt. Terwijl Hij toch de enige Redder is voor een arm, verloren, doemschuldig mensengeslacht. Doch men achtte Hem als een beroerder. Hij moest van de aarde uitgeroeid worden. Hij werd niet geduld. Weg met Hem, kruist Hem, kruist Hem. Zulk een Christus werd niet begeerd. Zulk een leer van Hem verwierp men. De brute vijandschap kwam tegen Hem openbaar. En is het in onze dagen wel anders? De bestraffende man wordt voor beroerder uitgemaakt. Die profeten zijn nog te lastig,

T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1955

De Wachter Sions | 4 Pagina's

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 39

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1955

De Wachter Sions | 4 Pagina's

PDF Bekijken