Bekijk het origineel

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 40

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 40

7 minuten leestijd

En het geschiedde, als Achab Blia zag. dat Achab tot hem zeide: zijt gij de beroerder Israels? Toen zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws Vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des Heeren verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt. 1 Koningen 18 : 17—18

Zij krijgen de schuld van al de ellende. En van Paulus en Silas lezen we hetzelfde: Deze beroeren onze stad. Zij toch waren als de pest en aller afschrapsel. Hoe toch zijn de eerste Christenen vervolgd geworden, uitgeroeid moesten ze. En dat zal wel zo blijven. Die God, die dienst, dat volk moet weg. Dan toch denkt men rust en Vrede te hebben: Dan toch eerst pas denkt men het gewonnen te hebben. Dan zal men een goede tijd tegemoet gaan. Weg moeten ze uit de staat. Weg uit de maatschappij. Met dat volk kan je niets beginnen. Daar kan je gewoon weg niet mee samenwerken. En ook in het kerkelijke leven wil men zich gaarne ontdoen van die mensen. Althans moeten zij toch zeker mets meer te zeggen hebben. Een Obadja wordt zo hier en daar nog geduld als reclame. Maar de vleselijke Godsdienst viert hoogtij. Daartegen mag men niet ingaan. Om het waarachtig heil van Sion is geen bekommering. Om de ere Gods wordt niet meer gedacht. O, hoe zucht de levende kerk in zulk een tijd. Een wonder als ook zij niet meegevoerd wordt met de Achabsgeest en de Baaldienst. Het levende volk is ook zo geneigd om toe te geven. Waar zullen we nog terecht komen? Wat zal er van ons land en volk geworden? Elia wist echter van geen toegeven. Hij stond voor het aangezicht des Heeren. Hij zag niet naar de ogen van koning Achab, noch naar de ogen van het afwijkend Israël. Noch minder naar de ogen van de Baaisprofeten. Dat kwam wel heel duidelijk openbaar in heel zijn optreden en ook hier in de ontmoeting met Achab. Elia durft de koning eerlijk in de ogen te zien. Hij is niet bevreesd voor de vijandige Achab. Hij vertoont zich openlijk aan Achab naar het bevel Gods. Elia wordt niet uit het veld geslagen, met die onrechtvaardige beschuldiging van de beroerder Israels. Hij blijft staan op zijn post waar God hem geplaatst heeft. Hij vlucht niet weg van Achab. Hij maakt geen verontschuldiging. Hij zoekt geen uitvluchten. Elia hinkt niet op twee gedachten. Elia zal nooit de Goddeloze praktijken van Achab aanvaarden. Elia vreest geen aardse machten. Hoor maar wat hij de koning antwoord: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws Vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des Heeren verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt. Wat beluisteren we hier een vrijmoedig getuigenis van Elia. Hoe zeldzaam wordt zulk een getuigenis beluisterd. Neen, koning Achab, de wereldrampcn zijn niet gekomen door de schuld van Elia, maar 't is uw schuld en de schuld van uws Vaders huis. Niet ik heb Israël beroerd, maar gij en uws Vaders huis. Dat is geen vleiende taal van Elia, maar de waarheid. Elia komt hier Achab van Godswege waarschuwen. Vrijmoedig zegt hij Achab aan: Gijlieden hebt de geboden des Heeren verlaten. Wat hebben Gods knechten toch getrouw makende genade nodig om eerlijk de waarheid te verkondigen. Om de Godsverzaking openlijk aan te zeggen. En dat niet om af te stoten, maar tot behoud van vorst en onderdaan. Hoe weinig zijn ook in onze dagen de getrouwe wachters op Sions muren. De Heere mocht het liefdevuur, voor de ere Gods nog eens in de harten van Zijn knechten en kinderen doen ontbranden. De geboden des Heeien waren verlaten. Wat zegt ons dat? Dat zij de geboden des Heeren hebben gehad. Dat Israël daarin was onderwezen. Dat zij eertijds daarnaar hadden gewandeld. Dat de Heere Zijn geboden niet had ingetrokken of veranderd. Neen, de Heere trekt Zijn geboden nooit terug en blijven ook onveranderlijk. Zijn geboden zijn recht en goed. Ze zijn toch niet zwaar. En 's Heeren Woord zegt toch ook: In het houden van Gods geboden, is grote loon. In Gods geboden zegt de Heere toch wie Hij is, dat Hij gediend en hoe Hij gediend wil worden. Daarin vinden we toch Gods geopenbaarde wil hoe wij hebben te leven. God gaf te Sinai aan Israël Zijn geboden en inzettingen. Niet ais een nieuw of een verkapt werkverbond, maar als het verbond der genade met Gods uitverkoren Sion. En onder die opcnbaringsvorm leefde nu heel Israël. Mag ik mijn lezers eens vragen: Kent gij ook die wetgeving Gods te Sinai? Waar de Heere zich aan u openbaarde met de woorden: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid hebt. Te Sinai gaf de Heere Zijn geboden en ook de ceremoniële wetten die heenwezen op Christus. Dat geeft moed en troost voor die zielen waar de wet in de ziel ontvangen wordt om uit genade door Christus zalig te kunnen worden. Dan wordt de reis naar Sion voortgezet met de psalmist: In uw geboön zal zich mijn geest vermaken. En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed, uw heilig woord vergeten, noch verzaken, Ps. 119 : 8. En al hebben Gods kinderen nog maar een klein beginseltje van gehoorzaamheid, 't blijft toch waar wat Datheen zegt in Ps. 119:83. Zij zullen, Heer' vreed' hebben en stilheid, Die van harten Uw geboden beminnen, En niet struikelen in de tegenheid. Ik verwachte, Heer', dat ik mag gewinnen. Uw zaligheid dies ik in deze strijd. Wil uw gebod houden en de bezinnen. Hoe ver was Achab daar vandaan. Uitwendig had ook hij de geboden des Heeren. Doch inwendig was hij een vreemdeling van Gods wet. Nog nooit was hem de wet tot kenbron der ellende geworden. En ook van zelf dan nooit tot een tuchtmeester tot Christus geworden. En evenmin als een regel der dankbaarheid om naai te leven. Echter zal ook hij nooit kunnen zeggen: Ik heb Gods geboden nooit gehad, ik heb nooit geweten wat de Heere geboden heeft. Dat zal ook ons volk niet kunnen zeggen. Ook wij hebben Gods geboden zowel als Israels volk. Hoe ontzettend is het dan als ook tot ons gezegd moet worden: Gijlieden hebt de geboden des Heeren verlaten. Hoe erg is het als wij de springader des levende wateren verlaten en gebroken bakken uitbouwen die geen water kunnen bevatten. Wat durft een mens tocb aan om zijn Schepper en Weldoener de rug toe te keren. En als we Hem verlaten, moeten we ons ergens anders heenwen­ den. Dat had ook Achab gedaan. Hij was de Baals nagevolgd. Dus een afgodendienaar geworden. Hier was schending van verbondsbeleving. Verbreking van de liefdeband. Ontrouw en diepe belediging jegens de God van Israël. Ja een verloochening van Israels verkoren volk en een huldiging van de afgoden. Deze zonden waren groot, zwaar, persoonlijk en gemeenschappelijk. Gij en uws Vaders huis. Zonde is een schandvlek der natie en verstoort de welvaart. Daardoor was Israels koning en volk in zulk een ellende gekomen. Hier werd Achab door Elia in d.e schuld gepreekt en aangewezen als de beroerder Israels. Ook hier geldt het woord van de profeet Jesaja 48: 18: Och, dat gij naar mijne geboden geluisterd had! Zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee. Elia toonde zich hier een getrouwe Godsgezant. We beluisteren hier in de tekst een ernstige boeteprediking. De rechte oorzaak van de ellende wordt aangewezen. De diepe breuk is geslagen door God te verlaten en de Baals na te volgen. De zonde wordt hier met name genoemd. Niet alleen maar gezegd dat er schuld gemaakt was, maar ook waaraan men zich schuldig gemaakt had. Dat is nodig. Dat moeten ook wij weten. Daarom zo nodig getrouwe prediking gelijk als die van Elia aan Achab.

T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1955

De Wachter Sions | 4 Pagina's

ELIA'S ONTMOETING MET ACHAB 40

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1955

De Wachter Sions | 4 Pagina's

PDF Bekijken