Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VRAAG OVER EHUDS DAAD TEGENOVER KONING EGLON

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VRAAG OVER EHUDS DAAD TEGENOVER KONING EGLON

4 minuten leestijd

X. vraagt hoe te oordelen over de daad van Ehud, waardoor hij koning Eglon doodde ? Antwoord: Er zijn er nog al wat geweest, die Ehuds daad veroordeelden. Maar zien we het wat nader, dan kan hier gelden, dat koning Eglon als schepsel Gods ook onder Gods voorzienig bestel stond, en God als aller Oppervoogd, deze vernederd en die verhoogt.

Hij was voorts een verklaard vijand Gods en een instrument van de vorst der duisternis tegen God en Zijn Gezalfde in. Hij zondigde daarin openbaarlijk tegen de eerste tafel van de Wet Gods, die ook hem niet onbekend kon zijn, en zo openbaarde hij zijn goddeloosheid rechtstreeks tegen God Zelf, en zo ook tegen de ware godsdienst. De Heere niaakte een einde met hem door hem door Ehud te doen doden.

Maar hij zondigde met zijn onderdrukking van Israël ook tegen de 2e tafel van de Wet, en met name tegen het 6e gebod, en het 8e gebod door de harde dienst waarmede hij Israël deed dienen, en de geweldige onderdrukkingen, die hij deed ondergaan. Hoewel het ook weer zo is, dat de Heere hem als een gesel in Zijn hand gebruikte om Israël te tuchtigen en tot verootmoediging en wederkeer tot Hemzelf te brengen, wat echter zijn grote schuld tegenover Israël, als Gods bijzonder volk, geenszins verminderde. Te minder nog, waar hij te Jericho zijn residentie hield, dus binnen de grenzen zelfs van het land dat de Heere ten erve aan Zijn volk geschonken had. Het was toen ook een oorlogstoestand, waarbij Israël door een vreemde mogendheid verdrukt en geplunderd Werd. Verder lezen we, dat, toen het volk zich voor God verootmoedigde. Hij hun een verlosser zond.

Ehud was dus van Godswege aangesteld om het vreemde juk af te werpen. Hij stond voor zichzelf ook in het geloof, dat de Heere hem zond, en ook Israël aanvaardde hem als zodamg uit Gods hand. Waar het ook een oorlogstoestand was mocht hij een krijgshst te baat nemen voor de onafhankelijkheid van het land. Meer nog, het was een strijd voor de ere Gods voor het behoud van de kerke Gods en voor de goede voortgang van de belofte en de komst van de Messias. Eglon is wel wat overrompeld, maar de schuld daarvan komt ook weer op zijn eigen hoofd terecht, en Ehud heeft hem geen leugen voorgespiegeld, maar de waarheid Gods aangekondigd, zijn doodvonnis van Gods wege aangezegd, en dat ook volbracht.

Maar ook zegt Ehud straks tot de kinderen Israels dat ze hem zullen volgen, „want de Heere heeft uw vijanden de Moabieten in uwe hand gegeven": . Dat had hij niet kunnen zeggen als hij inwendig niet overtuigd was geweest, dat hij de oorlogen des Heeren voeren mocht tegen de vijanden des Heeren. Ook was Israël toen een theocratisch geregeerd volk.

Kerk en staat waren toen ten nauwste aan elkander verbonden. Ook Eglon zijn zetel op Israels eigen bodem, te Jericho. Hij huisde dus met al zijn geweld wederrechtelijk op de erve des Heeren zelf. En omdat nu Israël een theocratische regering Gods over zich had, stond God ook direct achter Ehud. Hij heeft de last van God hem opgedragen in getrouwheid aan de Heere vervuld en in de vaste overtuiging gestaan, dat de Heere met hem was, en hij maar instrument in de hand zijns Gods.

De H. Schrift veroordeelt dan ook zijn daad, het doden van koning Eglon, niet. Het was ook geen persoonlijke wraakneming, maar het uitvoeren van de wrake Gods over de vijand; niet schuldige verdediging en het voeren van een rechtvaardige oorlog in de Naam des Heeren en voor de Heere en Zijn erfvolk. Hij trekt dan ook vervolgens op als Israels aanvoerder, en in het zoet vertrouwen, dat de Heere de vijanden in de hand van Israël heeft gegeven, waardoor ook Israël bemoedigd, achter hem aantrekt, en de overwinning mag ontvangen uit Gods hand, vs. 28.

Als niet-schuldig moet dan dus zijn doden van Eglon in de omstandigheden waaronder ze geschied is, beschouwd worden gelijkstaand met gevallen als het doden van de Kanaaniten onder Jozua, en wat Samuel deed met Agag, de koning der Amelekieten. Ze kan dus niet beschouwd worden als sluipmoord of tyrannenmoord, wegens Israels gefjeel enige positie van toen, maar als een daad des geloofs en het richterlijk uitvoeren van het vonnis Gods over de anti-goddelijke macht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1965

De Wachter Sions | 4 Pagina's

VRAAG OVER EHUDS DAAD TEGENOVER KONING EGLON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1965

De Wachter Sions | 4 Pagina's

PDF Bekijken