Bekijk het origineel

II DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

II DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

6 minuten leestijd

meditatie

Zondag 47.

De eerste bede van het allervolmaaktste gebed is dus gericht op de heiliging van Gods Naam. In het ware gebed wordt dus allereerst en boven alles Gods eer gezocht.

Wij beginnen meest maar te vragen om wat we voor onszelf nodig hebben en misschien denken we dan ook nog om een ander, maar tenslotte komt het toch nog als een staartje achteraan, dat Gods Naam door dat alles maar mocht worden verheerlijkt. De Heere Jezus heeft echter in dit gebed de bede om de verheerlijking van Gods Naam voorop geplaatst.

De eerste drie beden in het „Onze Vader" zijn op Gods eer gericht. En zo dienen we dus allereerst te vragen of Gods Naam door ons geheiligd zal mogen worden. Bij de behandeliag van het derde gebod hebben we er al op mogen wijzen, dat God Zichzelf in Zijn namen aan ons heeft vrillen openbaren. Op de betekenis van Gods namen gaan v/e nu niet nader in, daar we bij de behandeling van het derde gebod dit hebben gedaan. Geheel in aansluiting op de uitvoerige behandeling van Gods wet, hebben we nu stil te staan bij de betekenis van elke bede in het gebed des Heeren. Het gebod moet de ware Christen dringen tot het gebed. Bij de overdenking van de inhoud van het derde gebod hebben we beluisterd hoe de ware Christen zich ook schuldig moet zien staan als het de heiliging van Gods Naam betreft. Daarom is het dat de Heere Jezus Zijn discipelen deze bede op de lippen heeft gelegd. Voorzeker, een noodzakelijke bede 1 En het antwoord in deZe zondagsafdeling zegt ons welk een veelomvattende bede deze bede is. Zeer kernachtig worden we er allereerst op gewezen, dat deze bede een bede is om ware kennis van God te mogen ontvangen.

„Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen", zo zegt ons hier het antwoord. Aan een rechte kennis van God, gelijk Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, is niet veel, maar is alles gelegen. De Middelaar heeft in Zijn hogepriesterlijk gebed gezegd: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt." Wie de enige ware God niet recht kent, zal Hem ook niet eren en Zijn Naam niet op een rechte wijze loven en prijzen. Het moet daarbij onze opmerking dan ook nog hebben, dat er zo met nadruk over een recht kennen van God gesproken wordt. Deze kennis is onderscheiden van een blote beschouwende of bespiegelende kennis. Zulk een beschouwende of bespiegelende kennis zetelt louter in het verstand.

We weten wel, dat er ook een natuurlijke Godskennis is. Deze natuurlijke Godskennis is er nog bij alle mensen te vinden na de val. Die natuurlijke Godskennis onderscheiden we in een inwendige of ingeschapen kennis en een uitwendige of verkregen kennis. De in­ wendige of ingeschapen kennis is het aangeboren bewustzijn van het Godsbestaan. Elk mens komt daarmee ter wereld. Deze kennis behoort tot de kleine overblijfselen van het Beeld Gods in ruimere zin, die nog bij de gevallen mens te vinden mogen zijn. Dat er zulk een inwendige of ingeschapen Godskennis nog bij de gevallen mens te vinden is, komt bij de heidenen duidelijk openbaar. Hoewel zij van de enige ware God niet weten, daar zij buiten het licht van Gods Woord leven, zo vereren zij toch hun goden en geven er daarin blijk van dat er een bewustzijn van het Godsbestaan bij hen te vinden is. De apostel spreekt van deze ingeschapen Godskennis in Romeinen 1 : 19, als hij daar zegt: Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard."

Deze inwendige of ingeschapen Godskennis wordt versterkt door de uitwendige of verkregen kennis. De uitwendige of verkregen kennis is de kennis die we halen uit de schepselen buiten ons.

Vele Schrifttuurplaatsen spreken over die uitwendige of verkregen kennis, maar we wijzen alleen maar op die bekende woorden uit Psalm 19: „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap."

De atheïsten zijn de Godloochenaars, die tegen de sprake van hun eigen consciëntie, het Godsbestaan miskennen. Godloochenaars worden niet geboren, maar gemaakt. Er is een natuurlijke Godskennis bij elk mens. En die natuurlijke Godskennis is ook nog niet gering te schatten. Was er zulk een natuurlijke Godskennis niet, de wereld zou geen ogenblik meer kunnen blijven bestaan. Door de natuurlijke Godskennis is er nog een besef van verschuldigde onderdanigheid tegenover degenen die over ons gesteld zijn. Ook is er daardoor nog een rechtsgevoel bij de mens en buiten zulk een rechtsgevoel zou het onrecht de vrije teugel kunnen vieren. De natuurlijke Godskennis zegt ons, dat de mens redelijk schepsel is gebleven, ook na de val. Hij heeft nog verstand en wil, al is het verstand geheel verduisterd en de vwl gans verdorven. Maar als redelijk schepsel met een natuurlijke Godskennis, zal hij dan ook nooit voor God te verontschuldigen zijn, zelfs de blinde heiden niet. Nooit zal iemand kunnen zeggen, als men voor Gods rechterstoel geplaatst wordt: ik heb niet geweten dat er een God was. Maar ook anderzijds opent de natuurlijke Godskennis de weg om de gevallen mens door middel van het Evangelie tot de kennis der zaligheid te brengen.

De natuurlijke Godskenis op zichzelf is echter onvoldoende ter zaligheid. Zij is de kennis van de natuurlijke mens, die de geestelijke dingen niet verstaat.

De natuur openbaart ons Christus niet en Hem te kennen is juist nodig ter zaligheid. Een zaligmakende kennis van God hebben we allen nodig. Zo is de bede die we thans overdenken, een voor ons allen noodzakelijke bede. Deze bede is een bede om een ware vernieuwing des harten. Door herscheppende genade moet Gods Beeld in ons hersteld worden. Dat Beeld bestaat in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Het wordt de bede van de ziel, die door God zaligmakend bearbeid wordt: „Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen." Zulk een mens ziet zich van God gescheiden door de zonde en van alle ware kennis van God gans ontbloot. In de binnenkameren wordt het zijn ernstig vragen: „Heere, dat ik U toch mocht leren kennen !" Het wordt hem tot zulk een innerlijke smart, dat hij God niet kent. Met jaloersheid ziet hij op dat volk dat naar Gods Beeld vernieuwd mag zijn en alzo weer ware Godskennis heeft mogen ontvangen. Mocht men zo gelukkig als dat volk toch ook eens zijn ! Waar we echter in het bijzonder nu op hebben te letten, dat is, dat deze bede een noodzakelijke bede voor de Christen in de weg der heiligmaking is. Het gebed vraagt thans onze aandacht in het stuk der dankbaarheid.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

II DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken