Bekijk het origineel

III. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

III. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

6 minuten leestijd

meditatie

Zondag 47.

De Christen die kennis mag hebben van de verlossing door Christus, moet toch nog gedurig tot de bede komen: „Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen." Bij de behandeling van de vorige zondagsafdeling mochten wij er bij bepaald worden hoe de ware Christen vrijmoedig tot God als Vader in Christus mag naderen. Dit is een zeer grote weldaad. Maar al is het dat ons die bewuste geloofskennis geschonken is van ons geestelijk kindschap, de bede die we thans beluisteren, blijft een noodzakelijke bede. Met al de weldaden die de Heeren aan de ziel kan hebben geschonken, moet de Christen zich steeds maar beklagen vanwege zijn geringe Godskennis. Als er ooit een mens met veel geestelijke kennis mocht zijn, dan was het Agur wel. Maar hij moest zeggen: „Voorwaar, ik ben onvemuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand, en ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend". Deze Agur moest vragen: „Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet? ”

Het recht kennen van God, waarover dit antwoord spreekt, houdt heel wat in. In wegen van kruis en druk en allerlei smartelijke geloofsbeproevingen, komt het duidelijk openbaar hoe weinig ware kennis van God er bij ons te vinden is. Onder de verbergingen van Gods aangezicht blijkt onze kennis van Gods deugden maar zeer gering te zijn. Als het de Heere behaagt om na alle duisternissen die onze ziel kunnen hebben omringd. Zijn aangezicht weer over ons te doen lichten, dan zien we weer eens wat klaarder Wie Hij in al Zijn volmaakte deugden is. Hoe moet het ons dan tot smart worden dat we zulke geringe gedachten van God en van Zijn dierbare volmaaktheden hebben gehad. In de strikken van het ongeloof en ook van wettische dienstbaarheid zitten we veelal verward, omdat er zo weinig ware Godskennis bij ons is.

En zo wordt dus Gods Naam maar niet recht door ons geheiligd. Er wordt hier dus allereerst gevraagd om God recht in ons hart te mogen heiligen. Roemers en prijzers van God met de lippen zijn er genoeg, maar de bede , om de heiliging van Gods Naam zegt ons allereerst dat het geheel op de gezindheid des harten aankomt.

Daaruit zal ons gehele leven gericht moeten zijn op de verheerlijking Gods.

Neen, de heiliging van Gods Naam wil niet zeggen dat wij aan God wat kunnen toebrengen. Hij kan niet heiliger worden dan Hij is. Wij kunnen Hem niet voordelig of profijtelijk zijn. Gods Naam te heiligen wü zeggen: God als de Heilige recht te kennen en te erkennen. De heiligheid is de glans die op al Zijn deugden ligt verspreid. In die heiligheid en in het Godebetamelijke van al wat Hij is en doet, dient Hij door ons erkend te worden. En zulk een heiliging' van de Naam des Heeren is bij ons niet te vinden, tenzij ons die door God Zelf geschonken wordt. Het is dan ook geen belijdenis, geen wens of verklaring, maar een bede die thans onze aandacht vraagt. En dan is het ook weer geen bede voor de gezaligden of voor den engelen, maar een bede voor onszelf, want de gezaligden in de hemel en de heilige engelen kuimen niet anders dan Gods Naam heiligen, maar vnj als mensen hier op aarde kunnen buiten de bewaring Gods niet anders dan die Naam ontheiligen. En die ontheiliging zal God tot ontering en onze ziel tot schade zijn. Deze bede is dus gericht op Gods eer, maar is toch een bede voor onszelf. We behoeven er niet bang voor te zijn dat God niet voor Zijn eer en voor de heiliging van Zijn Naam zal zorgen. Hij is de Algenoegzame Die nooit iets te kort zal schieten in Zijn eer. Wat voor de heiliging van Zijn Naam onmisbaar is, weet Hij daarbij beter dan dat wij dat weten en dat ontzegt Hem ook Zijn vermogen niet. Maar het betaamt ons Zijn Naam te heiligen, daar Hij het waardig is door ons gediend en gevreesd te worden, al was er geen hemel of hel. Wij zullen er echter toch zelf goed mee zijn, aJs we Zijn Naam in waarheid zullen mogen heiligen. En niets minder betaamt de Christen in de ware dankbaarheid voor de door God geschonken verlossing. Al wat God waardig is van hem te ontvangen, moet hem echter eerst van God geschonken worden. Hier ziet ge dus, hoe de Christen in de dankbaarheid een arme ontblote bidder wordt. Een bidder die nog vragen moet of hij God recht zou mogen leren kennen. Die moet nog overal aan beginnen. Hij moet steeds nog maar vragen of de Heere hem bekeren wil en of Hij hem zou willen schenken om tot eer van Zijn Naam te mogen leven.

En zo vinden we hier dus een bede om een ware kennis van God en om een rechte verheerlijking van God. We zouden in onze tweede gedachte U daarbij nog wat nader willen stilhouden.

Het antwoord zegt ons verder: „en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen." God openbaart dus in Zijn werken Wie Hij in Zijn deugden is. De werken Gods zijn te onderscheiden in werken van eeuwigheid en werken in de tijd. Zijn werken van eeuwigheid zijn Zijn eeuwige besluiten. In de tijd voert Hij die besluiten in Zijn werken uit. En die werken in de tijd zijn werken in de natuur en in de genade.

In dit antwoord wordt gesproken over al Zijn werken. Het werk van Gods genade moet echter in ons verheerlijkt worden om recht Zijn grootheid ook in de werken der natuur te zien. Zo zullen we alleen Gods Naam kunnen heiligen op zulk een wijze als het ons hier wordt voorgesteld.

Er is natuurlijk nogal heel wat te zeggen van al die deugden of eigenschappen Gods, die we hier in dit antwoord zien opgesomd.

Zo spreekt dit antwoord allereerst van Zijn almacht. Die almacht is te aanschouwen in geheel het scheppingswerk. Hij heeft alles uit niets voortgebracht en ook onderhoudt Hij al het geschapene door Zijn Goddelijke kracht. Maar veel heerlijker dan in het werk der schepping openbaart Hij Zijn almacht in het werk van een genadige herschepping. Hij betoont ook daarin een God te zijn. Die de doden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof zij waren. Bij de schepping stuitte Hij op geen tegenstand, maar in de herschepping wil Hij door Zijn almacht de hardnekkige en de van Hem afkerige zondaar overwinnen. Ook betoont Hij Zijn almacht in geheel het leven van Zijn volk, . als Hij door zulke totale onmogelijkheden heen Zijn beloften vervult, zoals we bij een onvruchtbare Sara zien, die in haar hoge ouderdom het beloofde kind nog voort mocht brengen. De Heere heeft Zich dan ook in betrekking tot die geboorte van Izak als God de Almachtige aan Abraham geopenbaard.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

III. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken