Bekijk het origineel

VI. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VI. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

7 minuten leestijd

meditatie

Zondag 47.

Toepassing.

Menigmaal wordt door ons in het gebed gevraagd of al wat de Heere ons mocht schenken, zon mogen dienen tot verheerlijking van Zijn Naam. Hoeveel vaste uitdrukkingen zijn er echter niet bij ons te vinden, ook in het gebed, waarvan de iahoud ons zo weinig zegt. Maar nu zijn we er in een aparte zondagsafdeling eens op gewezen, wat het betekent als we vragen of de Heere ons hetgeen we van Hem gebeden hebben, ' zou willen schenken tot verheerlijking van Zijn Naam. En dan besluit men daarmede het gebed niet, maar in het gebed des Heeren staat de bede om de heiliging van Gods Naam voorop. Er wordt met die bede dan ook niet alleen bedoeld, dat men begeert dat God verheerlijkt zal worden uit hetgeen dat Hij ons schenkt, maar deze bede is geheel en alleen gericht op de verheerlijking Gods. Zo wordt er dus allereerst gevraagd of wij Gods Naam zouden mogen heiligen.

Om die Naam in waarheid te kunnen heiligen, moeten we God dus recht kennen. God is voor ons van nature evenals voor de Atheners de onbekende God, ook al bezitten we een natuurlijke Godskennis. En omdat Hij voor ons de onbekende God is, kennen we Hem ook niet in Zijn aanbiddelijke deugden of volmaaktheden. In onze natuurstaat hebben wij dan ook nog nooit Zijn Naam recht geheiligd. Nog nooit hebben we tot eer van onze Schepper geleefd. Al hebben we nooit gevloekt, we staan toch aan de vloeker gelijk.

Met al onze godsdienst heiligen we dus ook Gods Naam niet. We hebben u gewezen op de beschouwende of bespiegelende kennis die er bij de mens kan zijn. Zo ontbreekt het velen in deze tijd ook aan geen letterkennis. Met die letterkennis kunnen we alles zo goed beredeneren, maar in de vrucht is er niets van de ware Godskennis te aanschouwen. Laten we u nog mogen waarschuwen voor die - grote eeuwigheid die u tegemoet reist. Straks ontvalt u alle uitwendige wetenschap en als ge God dan niet op een zaligmakende wijze in dit leven hebt leren kennen, dan zal Hij Zich in Zijn volle majesteit aan u openbaren en zult ge Hem zo onverzoend buiten Christus in de handen moeten vallen. Dan is er voor u geen algemene bedeling van Gods goedertierenheid meer, zoals die er nog op aarde is. Het licht der zon zult ge nooit meer aanschouwen, want ge zult wegzinken in een eeuwige nare duisternis. Eeuwig zult ge van het licht van Gods gunst en van Zijn zalige gemeenschap gescheiden zijn. En God zal betonen de Waarachtige te zijn, maar dan in de volvoering van Zijn bedreiging. En voor Zijn almacht zult ge moeten zwichten, want we moeten het nu eenmaal eens allen verliezen voor God.

Gelukkig, als we het hier in ons leven voor Hem mogen verliezen. Hij kan hier nog tot zaligheid in Christus door ons gekend worden. En Hij wil Zich zo nog doen kennen door een van Hem afgevallen mensenkind. Hij heeft ons Zijn Woord gegeven als het middel waardoor Hij ter zaligheid gekend wordt. Onder dat Woord mogen wij nog leven. Door de prediking van dat Woord komt de Heere nog met de uitwendige roeping tot ons. De weg wordt ons nog voorgesteld, waardoor Hij Zich in Zijn aanbiddelijke deugden doet kennen ter zaligheid. Maar altijd maar weer moeten wij u wijzen op de noodzakelijkheid van de vernieuwing naar Gods Beeld, want daardoor verkrijgen we weer ware kennis van God en leren we weer leven tot ver­ heerlijking van onze Schepper.

In de heiliging van Gods Naam, zoals die ons hier verklaard is in deze zondagsafdeling, is toch zulk een zaligheid te vinden voor de ziel. Geen betere ogenblikken zijn er dan dat men waarlijk boven alles Gods eer eens op het oog mag hebben. Wat wordt die Naam dan toch dierbaar voor de ziel. God is het waardig, gevreesd, gediend en geëerd te worden. Een diep gevallen schepsel mag weer iets van de heerlijkheid en de beminnenswaardigheid van zijn Schepper in het oog krijgen.

Het ware gebed klimt uit de diepte tot God op. We hebben dat al beluisterd aan de hand van zondag 45. In de weg der heiligmaking moet men zich als een albederver leren kennen. Nooit kan men Gods eer meer bedoelen en nooit meer tot eer van zijn Schepper leven. Uit de ware zielsontdekking klimt de bede op: „Uw Naam worde geheiligd." Hier wordt het een vragen of God dat geven wil. Of men Hem daartoe ook maar recht zou mogen leren kennen: Ware zelfkennis is vrucht van de Godskennis en brengt ons ook tot die zo onmisbare Christuskennis. Maar de ware zelfkennis doet ons te begeriger worden naar die zaligmakende Godskennis, opdat we onder de diepe indrukken van Zijn hoogheid en majesteit en van al Zijn deugden die Hij in Zijn werken openbaart in kinderlijke vreze voor Hem zullen mogen leven en zo in gedachten, woorden en werken Zijn Naam zullen mogen heiligen. Dat moet ons geschonken worden. Dat is de ontdekte bidder zich diep bewust. Maar hij ziet er ook het begeerlijke van. God zal eruit verheerlijkt worden, maar de bidder zal er ook zelf goed mee zijn, als hij zo die grote Naam zal mogen heiligen. Ja, de naasten zullen er ook door gesticht worden. Zo doet men die bede dus ook weer niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn medemens.

Mocht men toch maar meer zo als een lichtend licht en een zoutend zout op aarde zijn. Er is er Eén geweest, Die in geheel Zijn leven die Naam geheiligd heeft. Hij kon zeggen: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen. Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt."

Zijn Beeld zullen we gelijkvormig moeten worden. Het rechte kennen van God houdt ook in een kennen van Hem in Christus als een vernederde Borg en een verhoogde Middelaar, in Wie de deugden Gods volmaakt zijn opgeluisterd. De bede om een recht kennen van God is dus ook een bede om wasdom in die zaligmakende Godskennis. Een bede dus om God in Christus als een verzoend God te mogen leren kennen. Maar deze bede is een bede die noodzakelijk blijft. In de dankbaarheid, waarvan het gebed het voornaamste stuk is, wordt de bede gedaan om de heiliging van Gods Naam. We kunnen het hier niet verder brengen dan een ten dele kennen. Dit blijkt ook wel uit de onverenigdheid met Gods wil in al Zijn handelingen, ook als die zo smartelijk zijn voor ons vlees. O wat een ontheiliging van Gods Naam is er dan niet in ons binnenste te vinden ! En de woorden die we dan spreken, zijn ook niet tot Zijn eer en tot stichting van de naasten. We zien Gods wijsheid in Zijn werken niet en ook niet in die wegen die Hij met ons houdt. Maar later mogen we zien hoe Hij naar Zijn wijsheid juist door zulke wegen Zijn deugden zo heerlijk heeft doen uitblinken. Wat worden we dan beschaamd !

In diepe ootmoed moeten we dan erkennen:

Heilig zyn, o God, Uvf wegen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; Wie, wie is een God als Gij, Groot van macht en heerschappij.

Maar och, we raken hier niet van onszelf verlost. We zullen steeds maar moeten klagen over onze geestelijke blindheid. Daarom moet het de gedurige verzuchting zijn: „Uw Naam worde geheiligd."

Straks is die bede niet meer nodig, want dan zal het volmaakte gekomen zijn en zal men de Naam Gods eeuwig mogen verheerlijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

VI. DE BEDE OM DE HEILIGING VAN GODS NAAM.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken