Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

IV. DE BEDE OM DE KOMST VAN GODS KONINKRIJK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

IV. DE BEDE OM DE KOMST VAN GODS KONINKRIJK

13 minuten leestijd

meditatie

Zondag 48.

De ambtsdragers hebben daarom te waken voor het behoud van de zuivere leer van Gods Woord. God heeft ze geplaatst als wachters op Sions muren. Satans listen worden steeds meer. Een van Gods Woord afwijkende opvatting wordt veelal zo subtiel de kerk ingedragen.

En verder zijn eF ook zulke duivelse raadslagen, die niet rechtstreeks tegen Gods Woord gericht zijn, maar meer zijdelings. Dit geschiedt door twist en tweedracht te zaaien om dingen van ondergeschikt belang. Men heeft er veelal maar geen erg in, dat het helse aanslagen zijn die achter al die onderlinge twisten schuilen, want uiteindelijk is het te doen om de verwoesting van de kerk. Wat is toch de bede weinig in waarheid bij ons te vinden, die we thans overdenken. De Heere Jezus heeft toch niet voor niets deze bede op de lippen vaji Zijn discipelen gelegd ? Het zou de gedurige verzuchting des harten bij ons wel moeten zijn: „Uv, r koninkrijk kome." En als het soms schijnt alsof alles aan de verwoesting wordt overgegeven, dan zal deze bede als vanzelf in de ziel geboren worden. Maar dan ook zien we, dat we deze bede in tijden van rust en vrede maar te weinig doen. Er moeten meest maar weer beroeringen komen, om ons er weer eens bij te brengen dat de Heere Jezus het ons toch bevolen heeft om te bidden om de komst van Gods koninkrijk, dus om de bewaring en vermeerdering van Gods kerk.

Niet alleen dus is het een bede om bewaring van de kerk, die we thans overdenken, maar ook om de vermeerdering van de kerk We vragen dus om de uitbreiding van Gods koninkrijk. Neen, dat koninkrijk kan vanzelf niet meer uitgebreid worden dan dat in Gods raad werd bepaald. Maar al is het dat de uitverkorenen zeker zullen worden toegebracht zo hebben we toch ook om hun toebrenging te bidden., God werkt middellijk. Zo hebben we ook de Heere des oogstes te bidden of Hij arbeiders in Zijn oogst zou willen uitstoten. Dat ligt dus ook in de bede om de komst van Gods koninkrijk opgesloten. Zo is ook deze bede gericht op Gods eer, daar in de veelheid der onderdanen des Konings heerlijkheid bestaat. Mocht zo die bede meer levendig zijn in ons hart! Dan is het ons niet om een uitwendige uitbreiding van het koninkrijk te doen, waarbij we dan zelf ook nog wat eer en aanzien kunnen verkrijgen. Christus' koninkrijk is niet van deze wereld. De discipelen wilden ook maar graag een aards koninkrijk zien en de zonden van Zebedeüs hadden zich in hun gedachten al zien zitten aan de rechter-en aan de linkerhand des Konings. Maar neen, in alle verwachtingen aangaande een aards koninkrijk worden we steeds teleurgesteld. Wel heeft het koninkrijk een zichtbare gestalte in de wereld gekregen en gaat in de middellijke weg de toebrenging der uitverkorenen gepaard met de uitwendige uitbreiding van dat koninkrijk, als de Heere Zijn kerk tot openbaring wil brengen op plaatsen waar er die openbaring niet was. Maar het wonderlijke van Gods handelingen is toch ook altijd maar weer, dat Hij Zijn koninkrijk als op de puinhopen doet verrijzen en dat Hij alzo door alle verwarringen heen Zijn kerk bouwt en in stand houdt. Zo komt Hij er met Zijn eer uit en zal het door alles heen blijken dat het koninkrijk der hemelen niet is gelegen in woorden, maar in kracht. De Koning heeft overwonnen en Hij heeft Zich Zijn onderdanen verkregen door de prijs van Zijn bloed. Zij moeten toegebracht worden, totdat het einde zal ge-- komen zijn en de Koning in Zijn volle heerlijkheid verschijnen zal. Dat is het laatste waar we nog iets van zouden willen zeggen, als we zouden willen zien dat deze bede om de komst van Gods koninkrijk ook tevens en bede is om de komst van de Koning.

Het eiade van het antwoord wijst ons op de komst van de Koning, als er zo staat: „totdat de volkomenheid Uws rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen." De volkomenheid van het koninkrijk zal dus pas gekomen zijn met de grote dag der dagen. De volkomenheid van het koninkrijk is er dus thans nog niet. Zolang de wereld staat, zullen er in de openbaring .van Gods kerk uitwendige zowel als levende lidmaten zijn. Tarwe en onkruid moeten hier samen opgroeien. We dienen er altijd rekening mee te houden, dat de kerk in haar openbaring uit kaf en koren bestaat. Ons streven is verkeerd, als we een kerk van enkel ware gelovigen zoeken. Maar wel moet Gods ware volk dikwijls nog het meeste zuchten onder de uitwendige belijders en ondervindt het van hen dikwrijls nog de meeste overlast. Al die mensen die het met hun verstand zo goed weten, zijn meestentijds de benauwers van Gods oprechte volk. Om dan nog maar niet te spreken van degenen die zich wat inbeelden te bezitten, terwijl ze bedektelijk hun vijand­ schap tegen het waarachtige genadeleven openbaren.

Straks zal Gods volk echter met geen huichelachtige tafelbroeders meer te doen hebben. Dan zijn er geen dwaze maagden meer, die met de wijze maagden samen optrekken. Dan zijn de ware onderdanen van Sions Koning eeuwig met elkander verenigd in de zalige gemeenschap met hun Hoofd. Ze zijn dan ook van hun boze natuur verlost, van dat ellendig lichaam dezes doods.

Zo mag de ware bidder met deze bede ook weer de wederkomst des Heeren zich in het vooruitzicht zien gesteld en is zijn bede dus ook gericht op de komst van de Koning. De bede om de komst van Gods koninkrijk is dus ook een bede om een rasnaderende wederkomst des Heeren. God zal ervoor zorgen dat de ware levende kerk naar die wederkomst gaat verlangen. Maar dan is het toch ook het innerlijk uitzien in het vooruitzicht van het naderende einde, of de Heere Zich nog over dat opkomende geslacht, over kinderen en kleinkinderen zou willen ontfermen. Zijn trouw rust toch zelfs op dat late nageslacht! Hij mocht er de Zijnen nog met haast uit toebrengen, om zo Zijn koninkrijk te doen komen met kracht. Als de laatste uitverkorene zal zijn toegebracht (wie weet hoe spoedig!) dan zal het einde zijn. De Koning zal dan verschijnen op de wolken en alle oog zal Hem zien, ook van hen die Hem doorstoken hebben. En zo zal dan Zijn

koninkrijk komen in volle heerlijkheid. Dat daar ons verlangen naar uit mocht gaan en we alzo de voorboden van de komst des Konings in al wat thans gebeurt, met blijdschap mochten aanschouwen, zoals de dichter daarvan spreekt in

Psalm 98 : 4f

Laat al de stromen vrolijk zingen. De handen klappen naar omhoog; 't Gebergte, vol van vreugde, springen En hupp'len voor des Heeren oog; Hy komt. Hij komt, om d'aard' te richten. De wereld in gerechtigheid; Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid.

Toepassing.

Over het koninkrijk der genade is dus nog wel heel wat te zeggen. Christus heeft Zijn discipelen leren bidden: „Uw koninkrijk kome." En in het begin van dat gebed heeft Hij ze de aanspraak „Onze Vader" op de lippen gelegd. Dus de Christen nadert tot de Vader met de bede: , , Uw koninkrijk kome." Het is het koninkrijk dat in het eeuwig welbehagen des Vaders gegrond is. „Vreest niet „gij klein kuddeke". zo sprak de Middelaar tot Zijn discipelen, „want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven."

Zo zal dit koninkrijk zeker komen. Het is komende door alle eeuwen heen. De Koning heeft Zijn werk gedaan in de toebrenging der Zijnen van het begin der wereld af. En dit werk zal doorgaan tot het einde toe. Twee koninkrijken staan tegenover elkaar, zoals we beluisterd hebben. Van nature behoren we allen tot het rijk der duisternis. We zijn gewillige zondeslaven. Wat zijn we dan toch diep te beklagen ! De zonde heeft zulk een verschrikkeHjke macht over de mens. Thans leven we in het bijzonder ook wel in een tijd van veel verleiding. Daarom kunnen we niet nalaten om ter toepassing op het verhandelde ook nog een ernstig woord ter waarschuwing tot u te richten. We kunnen ons huis openzetten voor zoveel als deze tijd ons biedt, maar hebben we eenmaal de hand naar de zonde uitgestoken, we ontworstelen ons aan haar zo gemakkeÜjk niet meer. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de televisie, die door vele godsdienstige mensen, zelfs door hen die zogenaamd de Waarheid nog willen behjden, in huis gehaald is. Als ge die eenmaal in uw huis gehaald hebt, dan is het u zo gemakkelijk niet meer om dat helse instrument de deur uit te doen. Zo is het met de zonde. Nu noemen we maar één ding. Er is veel meer te noemen in deze tijd. We willen er u echter maar mee aantonen, dat als men de zonde aangrijpt om die te liefkozen en te omhelzen, men uit die sterke greep der zonde zomaar niet meer los kan komen. En toch, met al het vermaak dat het vlees in de weg der zonde vindt, de ziel blijft onbevredigd. De dienst der zonde is daarbij ook nog een harde dienst. Als men zich op een zelfde wijze moest opofferen in de dienst van het koninkrijk Gods, gelijk men nu doet in de dienst der zonde, dan klaagde men wel ach en wee. Nu beult men zich soms af voor die harde heer die men dient, om ook nog wat eer bij de mensen te behalen. En als het erop aankomt, dan schiet er van al die menseneer ook nog niets over. De mens is echter zo blind en zo dwaas door de zonde geworden. Hij is er totaal blind voor, dat hij in een weg waarin hij hier op aarde ook al niet anders dan teleurstellingen opdoet, op een eeuwige rampzaligheid aanwandelt.

We hebben een andere dienst u aan te prijzen. Onze gedachten mochten thans worden bezig gehouden met het koninkrijk Gods. Dat koninkrijk heeft geestelijke wetten en hemelse privilegiën. De Heere schrijft Zijn wet in het hart Zijns volks in. Hij zal ook maken dat Zijn volk in Zijn inzettingen zal wandelen. En zo is de dienst des Heeren geen slaafse dienst, maar een liefdedienst. Gods geboden zijn niet zwaar. Het juk van Koning Jezus is zacht en Zijn last is licht. De dichter mocht ervan zeggen: „Hoe lief heb ik Uwe wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag, " En de privilegiën of de voorrechten die aan dit koninkrijk ver-- bonden zijn, zijn veel en zijn uitnemend heerlijk. Hier is gerechtigheid, die alle zonden voor eeuwig wegneemt; hier is heiligheid, die de ziel volmaakt voor God in Christus stelt. De blijdschap die men in de dienst des Heeren mag smaken, is een andere blijdschap dan die de dienst der wereld biedt. Dit is een blijdschap waar de dichter van zeggen kon: „Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn." Men kan in dit koninkrijk die ware vrede vinden, die de wereld niet geeft, want de Koning zegt: „Vrede laat Ik u. Mijne vrede geef Ik u; niet gelijkervrijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u." Ook zal men nooit in de wereld rust kunnen vinden, waar deze Koning Zijn onderdanen in doet delen. Hij nodigt de vermoeiden en belasten om tot Hem te komen, opdat zij rust zullen mogen vinden voor hun zielen.

Och, dat ge toch alle wereldse begeerlijkheden eens mocht verzaken ! Ze brengen uw ziel slechts eeuwige schade aan. Ge leeft nog in de dag der zaligheid. Koning Jezus rijdt nog op het witte paard van Zijn overwinning. Zijn pijlen zijn scherp van Zijn boog en ze treffen in het hart van des Konings vijanden. Vijanden zijn we dus, maar als vijanden kunnen we nog worden neergeveld. En waar de Heere middellijk werkt, daar zijn we aan de middelen gebonden. Daarom, we vermanen u zeer ernstig van 's Heerenwege om alle vreemde goden uit uw huis weg te doen en uw kosteHjke levenstijd niet te verwaarlozen met allerlei ijdel vermaak. Ge hebt de middelen te gebruiken die de Heere nog zo rijkelijk geschonken heeft, ook in die kostbare geschriften onzer vaderen. Neen, de Heere is niets aan ons verplicht, ook niet als we de middelen waarnemen, maar Hij mocht ze nog eens voor ons willen gebruiken. Zijn werk zal toch doorgaan tot het einde toe. Trots alle helse aanslagen zal het koninkrijk Gods gebouwd worden in de toebrenging der onderdanen. De Koning heeft overwonnen. In Zijn dood heeft Hij de kop der slang vermorzeld en als Overwinnaar is Hij uit de dood verrezen. Thans is Hij verheerlijkt aan de rechterhand des Vaders en vandaar betoont Hij Zijn koninklijke macht en heerschappij ten goede van Zijn duurgekochte kerk. Die kerk bewaart en beschermt Hij. De onderdanen zal men niet uit Zijn hand kunnen rukken.

O welk een troost ligt er toch in die bede om de komst van Gods koninkrijk ! Het is toch een bede die de ware onderdanen ook door het geloof zullen mogen doen. Dat het een noodzakelijke bede is, dat zullen ze in een weg der ontdekking wel steeds meer gaan zien. Zo wordt het de bede voor zichzelf, of Christus steeds meer Koning zal willen worden in hun hart. Men zal uit genade zalig moeten worden. Die Koning moet Zijn verlossend werk doen in de vrijmaking der ziel uit alle wettische banden. Dat de bede die we overdacht hebben ook daarop veel gericht mocht zijn in onze ziel. En verder krijgt de Christen het koninklijk ambt van de Middelaar zo nodig in de weg der heiligmaking. Het komt daarin altijd maar weer op die onderwerping aan. En die onderwerping zal de ziel rust geven.

En verder mocht de bede om de komst van Gods koninkrijk ook maar meer levendig zijn in onze ziel in betrekking tot Gods kerk in haar geheel. We moeten er steeds maar weer bijgebracht worden, als er ineens zulke verwoestingen worden aangericht op het kerkelijk erf, dat we niet genoeg wakende en biddende zijn geweest. Het heeft aan de bede om de komst van Gods koninkrijk ontbroken.

En wat nu de komst van dat koninkrijk in de voleinding der eeuwen betreft: zijn we dan nog wel veel biddende om die komst ? De Heere Jezus heeft Zijn discipelen ook ten dien opzichte om de komst van Zijn koninkrijk leren bidden. Eenmaal zal de Koning verschijnen op de wolken des hemels. Dan zal alle knie voor Hem gebogen worden. Hij zal dan een rechtvaardig oordeel vellen over allen die voor Zijn troon geplaatst worden. En als het gericht zal zijn gehouden, dan zal de Koning het koninkrijk aan Zijn Vader wedergeven. Gods raad zal zijn volvoerd. O, die grote dag ! En God zal zijn alles en in allen. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

IV. DE BEDE OM DE KOMST VAN GODS KONINKRIJK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken