Bekijk het origineel

DANKDAGTIJD.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DANKDAGTIJD.

7 minuten leestijd

meditatie

Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid. Psalm 65 : 12.

In de korte samenvatting van het hoofdstuk boven deze psalm, lezen we zo opmerkelijk: David looft God, eerst vanwege de geestelijke gaven, die Hij over Zijn gemeente uitstort in Christus, in v^elke, als Gods rechte tempel, de gebeden verhoord, de zonden vergeven en alle genade-gaven rijkelijk verleend worden. Daarna vanwege de tijdelijke zegen en weldaden, die Hij de mensen in het algemeen mededeelt, zo in de regering der wereld, als in de overvloed van lichamelijke nooddruft. We menen hierin de ware, rechte en ootmoedige gestalte des harten te mogen zien en opmerken van zulk een ziel, die verwaardigd is mogen worden bij hemels licht „dankdag" te mogen houden. Reeds in het begin van deze psalm beluisteren we de Ledere gestalte des harten vaii den koninklijke zanger David, de man naar Gods hart. Hij werd verwaardigd bij dat licht eigen onwaardigheid, ja verdoemeHjkheid te mogen inleven (vers 4), ziende op al hetgeen de Heere nog heeft willen zijn voor hem, voor zijn koninkrijk, voor de ganse wereld. De Heere immers onderhoudt en draagt alle dingen door het Woord Zijner kracht. Doch genade is er toe nodig, ontdekkende, ontblotende en ontgrondende genade om er mede voor en onder de Heere te mogen komen. Daarvan spreekt hij dèn: De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Sion !

De tijd van de dankdagen is weer aangebroken. Dankdag te mogen houden, daar hebben wij den Heere toe nodig, dat kunnen we van onszelf niet. Dankdag kunnen wij ook niet maken, doch het is gegeven goed. Gelukkig de ziel, die dat voor eigen hart en leven mag krijgen in te leven en dat mede gezien de tijd waarin we leven. Gods oordelen hangen laag over land en volk, kerk (en) en staat, ook over overheid en Vorstenhuis. Mocht er nog iets van die „stilheid tot U, ó God, in Sion" gekend worden, ook in onze donkere, bange en benauwende tijd. Een tijd waarin het zo bijzonder moet opgemerkt worden, dat de afval en het verval zo schrikbarend en onrustverwekkend toeneemt. Ach, waarmede zullen wij den Heere op een dankdag kunnen tegenkomen en ons bukken voor die hoge en heilige God ? Schaamte moet ons aangezicht bedekken !

En toch ! De Heere doet nog niet met ons naar onze zonden en vergeldt ook nog niet naar onze ongerechtigheden, hoewel alles tegen ons moet komen te getuigen. O, mag er nog een volk onder ons zijn binnen de grenzen van ons vaderland, dat de zonde(n) van land en volk, kerk(en) en staat, overheid en Vorstenhuis mag krijgen te bewenen ? Mag er nog een volk gevonden worden, dat de klacht des Heeren (Jes. 1:5, 6) krijgt over te nemen: et ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat; van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve ! ?

En toch ! O, wie er nog eens mede voor en onder God mag vallen, moet getuigen: Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uwe voetstappen druipen van vettigheid. Dat heeft de Heere nog willen betonen in de onderhouding en regering aller dingen. Dan zijn Gods goedertierenheden roemende tegen een welverdiend oordeel. Ook de tijd, die nu achter ons ligt, was een tijd van Gods goedheid. Die tijd heeft de Heere nog willen kronen met Zijn door ons verbeurde zegeningen. Zijn voetstappen hebben nog gedruipt van vettigheid. Hij heeft nog vnllen gedenken des ontfermens in Zijn toorn. De aarde werd nog doordrenkt met de dauw en regen des hemels. Onder Zijn zegen gaf ze nog zaad den zaaier en brood den eter. De Heere was nog gedachtig aan dat verbond en die woorden tot Noach gesproken (Gen. 8): Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden. En dat, ondanks dat het hart des mensen boos is van zijn jeugd af aan. O, hoe moet het ons als volk van Nederland niet komen te vernederen voor den Heere. Och, dat er in deze weg nog eens een bukken gevonden moge worden onder den Heere, ons zelf kennende en achtende geringer te zijn dan al die weldadigheid en trouw ons, alles-verbeurd-hebbend volk, bewezen. Doch wie zal het hart des mensen verbreken ? Reeds in het paradijs en in die diepe val in de bondsbreuk in Adam is de mens zich de rechten gaan toeëigenen, zeggende tot het werk zijner handen: Gij zijt onze God ! Waarvoor zullen vrij onze handen vouwen, onze knieën buigen, een zegen vragen over de spijze en drank, die we met onze handen verdiend hebben ? Wat zal er van zulk een land en volk worden. Ze hebben Mijn Wet (en Woord) verlaten, wat wijsheid zullen zij hebben, spreekt de Heere. Mocht de Heere nog eens de rechte verootmoediging werken, ja, dat rechte door schuld-besefgetroffen en verslagen.

Dankdag voor gewas en arbeid. Door hoevelen miskend ! Mocht de Heere er ons toe verwaardigen Hem er in te erkennen: GIJ kroont en dat ook wat het tijdelijke betreft.

Maar, mogen er nog zijn, die in de tijd, die daar achter ons ligt, iets afv/eten van dat geestelijk gewas en geestelijke arbeid ? Ach, voor vrien het Is mogen worden een jaar van Gods goedheid, een uurtje der minne, hèt jaar van Gods welbehagen ? Gods goedheid bij aan-en voortgang. Door den Heere recht aan zichzelf en aan de schuld ontdekt ? ! Die dat zo niet kunnen bekijken, doch voor wie het nog zulk een groot wonder geworden is, dat de Heere nog geen voleinding gemaakt heeft. Want het is toch Zijn goedheid, ja liefde en genade, en dat naar het souvereine van Zijn welbehagen van eeuwigheid, door den Heere ontdekt, geleid en geleerd te worden. Ja, nog wel geen dankdag, doch een biddag (op de dankdag): oe word ik nog ooit tot God bekeerd. Op de dankdag in de tollenaarsgestalte, met een toUenaarshart, bede en verzuchting: God, wees mij (den) zondaar genadig ! O, de Heere mocht nog eens het jaar Zijner goedheid doen ervaren IN CHRISTUS. Gods gangen (voetstappen) mochten 'nog eens waargenomen worden en gekend als te druipen van vettigheid. Het mocht ervaren worden naar Psalm 36 : 2:

Uw goedheid, HEER, is hemelhoog; enz.

En dan

Hoe groot is Uw goedgunstigheid! Hoe zyn Uw vleug'len uitgebreid! Hier wordt de rust geschonken; Hier 't rette van Uw Huis gesmaakt; Een volle beek van wellust, maakt Hier elk in liefde dronken.

David looft God vanwege de geestelijke gaven, die Hij over Zijn gemeente uitstort in Christus. Dat heeft Gods volk mogen ervaren. Heeft dat ook bij vernieuwing weer zo mogen zijn, volk van God, in de tijd, die daar achter u ligt ? Het jaar van Gods goedheid IN CHRISTUS, gemeenschap met God, delen in die Vaderlijke gunst, liefde en genade, in Hem en door Hem, dien oudste Broeder ? ! De waarachtige verzoening en vrede met God in Christus ! (Rom. 5 : 1; 8 : 1). O, hoe heeft Gods volk hier in dit Mesech der ellende gedurig van node, dat de Heere overkomt, ook dan, ja juist dan, wanneer ingeleefd moet worden die dorre woestijn om het te maken tot een vruchtbaar veld. En als dat zo wezen mag, dan mag de Kerk hier reeds de voorproef en voorsmaalc ontvangen van die eeuwige dankdag: oor U, door U alleen om 't eeuwig welbehagen. Hier mag die geestelijke pelgrimreiziger bij tijden zingen:

Uw goedheid kroont de jaargetijden; Waar Gij Uw voetstap zet. Daar doet Gy 't al ten zegen dijen. Daar druipt het al van vet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

DANKDAGTIJD.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken