Bekijk het origineel

Advents - profetie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Advents - profetie

12 minuten leestijd

„Want daar zal een Rysje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isdi en een Scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen." Jes. 11: 1.

Hebben we nu iets mogen schrijven over Christus' komst in het vlees in het licht van Gods eeuwige raad, trachten we nu iets te schrijven over Christus' komst als het wonderwerk Gods.

En daarbij denken we allereerst aan de woorden van Paulus, 1 Tim. 3 : 16: En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. In vers 9 spreekt Paulus van de verborgenheid des geloofs, waaronder verstaan dient te worden de leer of de belijdenis van de leer des Evangelies (zie Kanttek.) Nu in vers 16 die leer des Evangelies als verborgenheid der godzaligheid in betrekking tot Christus als God, Die geopenbaard is in het vlees, d.w.z. dat Hij de menselijke natuur heeft aangenomen door de werking des Heiligen Geestes uit de maagd Maria.

God geopenbaard in het vlees. Heilig mysterie! Heilige verborgen- • heid ! In Exodus 3 lezen we hoe Christus, als de Engel des Heeren, aan Mozes verscheen. In een vlam des vuurs uit het midden van een brandende braambos en zeide: Mozes, Mozes ! Nader niet hiertoe; trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig land. Zij het ook zo in het overdenken en betrachten van deze zo' gevnchtvolle stof. In Lukas 1 zien we hoe dat de engel Gabriel in Christus' Naam spreekt tot Maria. Hoe werd zij „ontroerd" vanwege de aanspraak. En als zij de hemelse boodschap gehoord heeft, dan zegt zij: Hoe zal dat wezen ....!? En wat is het antwoord ? „De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden." Gods wonderwerk in de komst van Christus in het vlees, in deze wereld.

In onze tekstwoorden spreekt de Heere door de profeet Jesaja. We beluisteren hierin een beeldspraak, de oosterling gewoon, de tijd wanneer en de wijze waarop de profetie aangaande Christus' komst in deze wereld in vervulling zal gaan. Nu begint onze tekst met: Want.... Dat wijst er op hoe dat hetgeen er (in het vorige hoofdstuk) aan vooraf gaat, zo ten nauwste daarmede verbonden is. We lezen daar (vers 33, 34): Doch ziet, de Heere HEERE der heirscharen zal met geweld de takken afkappen en die hoog van gestalte zijn, zullen nedergehouwen worden en de verhevenen zullen vernederd worden; en Hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds ombouwen en de Libanon zal vallen door de Héérlijke. Nu kunnen we vanzelf aan de letterlijke verklaring niet voorbij gaan, betreffende al hetgeen de Heere in het midden van Juda en Jeruzalem heeft willen doen (men leze de kanttek.), doch welk een dieper en geestelijke lering ligt in deze woorden opgesloten, want immers alles wat zich tegen de Heere en Zijn Gezalfde komt te verheffen zal afgekapt. nedergehouwen, vernederd en omgehouwen worden, ja zal vallen door de Heerlijke. En zo zal het zijn met alle machten en tronen en heerschappijen van deze wereld, maar ook zelfs tot in het persoonlijke van een ieders leven, want de mens is door de diepe val in de bondsbreuk van Adam in het paradijs geworden een Gode vijandig mens, zeggende met een Farao: En wie is de Heere, dat ik Hem zoude vrezen. Maar, wat hier beschreven staat wordt en blijft ook een levensles in het hart en leven van Gods ware volk. En dat hun tot een eeuwige zegen. Dat moet nu zo zielsbevindelijk ingeleefd worden, dat dat Vrouwenzaad het slangenzaad de kop vermorzelt. O, dan moeten de klappen wel eens vallen in het leven van Gods volk. De Heere weet zelfs het meest hoog en verheven harten te verbreken en te verbrijzelen. De Heere weet een mens te brengen op een plaats waar die Heerlijke gekend moet worden in Zijn noodzakelijkheid en onmisbaarheid, maar ook om in Hem te zien die dierbaarheid en beminnelijkheid, dat het wordt:

Beminlyk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven. Gaat al het schoon der mensen ver te hoven.

Zal dan zulk een volk niet als in aanbidding en heilige zielsverwondering komen weg te zinken als zij mogen zien wat de Heere in die volheid des tijds heeft gedaan, is willen worden en zijn en dat nu voor dezulken, die zich hebben mogen leren kennen als zulk een snood rebel, die niets verdient dan de hel ! } In onze tekstwoorden wordt nu dat Godsgeheim en Godswonder ontsloten: Want.... daar zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï en een Scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. Jesaja spreekt dus van het Vrouwenzaad, de Christus. Hoe wordt hier door dat simpele, eenvoudige beeld de grootheid van dat Godswonder ons voor ogen gesteld. Hij, de Christus Gods, eenswezens met de Vader en de Heilige Geest, zal Zich zo komen te openbaren, dat het het beste nog zou zijn te vergelijken met (en ach. hoe zwak nog!) een rijsje, een scheut, die daar diep in de aarde verborgen is en toch nog zo schielijk, ongeacht en onverwacht uit de grond te voorschijn komt.

Het beeld staat ons voor ogen. Zie daar, een afgehouwen tronk, een stomp, die nog over is van een boom, die voor het menselijk oog en begrip afgedaan heeft.

We zouden hoogstens nog kunnen zeggen: Zie, daar heeft eens een boom gestaan, maar die is er nu niet meer. We gaan achteloos aan die tronk voorbij. Daar is geen verwachting meer van. We schrijven er veeleer de „dood" op. En nu lezen we in onze tekstwoorden: Want... daar zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï en een Scheut uit zijne wortelen zil vrucht voortbrengen. Eenmaal stond die boom van het huis van David, de zoon van Is^, in zijn volle glorie. Hij was opgekomen, groeide en bloeide; doch de tijd kwam, dat die boom omgehouwen werd (wegvoering naar Babel vanwege de zonde) en er bleef niets meer over dan een tronk, een stomp, gelijk gemaakt met de grond. En door de tijden heen kwam er aarde over, zodat er zelfs van die tronk weinig of niets meer te zien was. Wat bleef er van Davids huis over "? Voor het oog der wereld niets meer !' 't Scheen alles vergane glorie uit oude vervlogen tijden. Er mocht nog over geschreven zijn van dat er eens een koningshuis was uit de stam van Juda, maar verder .... En toch, en tóch was er door alle tijden heen nog een volk, dat met Geestes Licht verlicht, aan Gods Woord en Gods beloften, eenmaal gesproken, mocht vasthouden. Dat waren zij, die waren verwachtende de „Vertroosting Israels". Een volk, voor vne die beloften nog altijd waarde hadden. Die dan ook niet buiten dat Woord en die beloften om konden leven ook al ging het wel eens door de diepten, door donkerheden heen. En dan kent dat volk die tijden, dat ze met de profeet wel eens in de verzuchting, in dat heilbegerig uitzien kunnen komen te liggen: „Ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten .... " Och, dat zich Zijn heil aan mij mocht

openbaren ! Een volk, dat met alles zo in de strijd geworpen kan worden, dat twijfel en ongeloof zo de overhand kunnen hebben, dat het meer ongeloof dan geloof wordt en dan nog eens weer te mogen grijpen naar dat woord, dat de Heere in Zijn Woord voor dat uitziende volk neergeschreven heeft. En toch die bange vraag in huii hart opwelt:

Zouden Zyn beloftenissen. Verder haar vervulling missen, Vrucht'loos worden afgewacht Van geslachte tot geslacht ?

Die de Belover nog weer eens kregen aan te lopen, a.h.w. met de belofte in de hand. En dan horen we Jesaja er van getuigen en dat als tot bemoediging van dat arme, ellendige, zuchtende en uitziende volk: „Ziet, een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren.... "

O, zo door die Geest geleid, door het geloof nu eens als door die aarde heen te mogen zien, in die" wetenschap, dat de Heere niet van Zijn Woord af kan, want wat eenmaal uit Zijn mond gegaan is blijft vast ejti onverdroten.

„Want daar zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï en een Scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen."

Vanwege het oordeel ook over Davids huis is zij afgehouwen, doch nog niet wttgehouwen. De bijl van het oordeel heeft dus ook aan de stam van die boom gelegen. De Christus moest, zoveel het vlees aangaat, uit het geslacht van Juda, van Isaï, van David voortkomen. Ook hierin zien we, ' dat Hij is komen af te dalen tot in het oordeel. En daaruit mogen we leren, dat er in zulk een weg nog een mogelijkheid geopenbaard moet worden, waardoor een verdoemelijk, diep gevallen Adamskind nog met een rechtvaardig, heilig en vertoornd God verzoend kan worden. Want juist in dat Rijsje, in die Scheut liggen verklaard die Goddelijke bemoeienissen met Ziin uitverkoren Kerk. Maar tegelijk hebben we hierin weer te zien hoe dat alle verwachting aan de zijde van de Kerk afgesneden is geworden. Van die boom was immers niets meer te zien ? Geen bloei, geen blad, geen takken, zelfs geen stam meer. Alles vergaan voor het oog van de mens. Doch zie ! Een Rijsje uit die tronk,

een Scheut uit die wortelen zal vrucht voortbrengen. O, die wortelen waren diep in de aarde, in het verborgene. Het leven in die tronk wordt onderhouden in het diepe, verborgene, uit die sappen diep in de aarde. Zo werd die afgehouwen, doch niet uitgehouwen tronk van Davids huis onderhouden, bewaard, want zij ontving haar kracht en leven niet uit het vleselijk huis van David, maar uit die eeuwige Bron, God Zelf. Die tronk (let op de beeldspraak !) lag geworteld in dat eeuwig welbehagen naar Gods eeuvnge raad. Daarom zien dat Rijsje en die Scheut in onze tekst op de Menswording van Christus en dat als een teken ten Leven, als hèt Teken der verzoening tussen God en de uitverkoren Kerk. Want de vrucht zal toch zijn: Herstel in Gods gunst en gemeenschap van Gods uitverkorenen en dat tot Gods eeuvnge eer, in de opluistering der deugden Gods, in de verheerlijking van het geschonden recht. Sion door recht verlost en hare wederkerenden door gerechtigheid. Verzoening en vrede met God in en door Christus. Ach. hoe meer we daar over mogen denken, hoe groter het wordt.

Jesaja sprak: Want er zal een Rijsje voortkomen en wel uit de afgehouwen tronk van Isaï. Van Isaï, niet van David. En David is koning geweest, van de Heere verkoren.

Isaï was de vader van David. Voor de wereld geen man van aanzien. Een man uit het volk, niet in tel. We vinden dit beeld duidelijk in 1 Kon. 12, waar Israël van het huis van David wilde afvallen, dat men zeide: Wat deel hebben wij aan David ? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uwe tenten, o Israël !

En gaan we nu naar Nazareth, daar woont een nazaad van die Isaï, Maria. En we herinneren ons wat eens Filippus tot Nathanaël zeide, dat hij de Messias gevonden had. En wat was het antwoord van Nathanaël ? Kan uit Nazareth iets goeds zijn ? Doch wat zeide Filippus ? Kom en zie ! Zou het ook ons en dat in de geestelijke zin des woord nog eens wat mogen te zeggen en te betekenen hebben ? ! Kom en zie !

O, dat Rijsje te mogen aanschouwen als dat Teken der Goddelijke Liefde ! Dat Wonder van soevereine genade. O, de engel mocht het de herders verkondigen in de velden van Efratha: U is heden geboren .... Kom en zie ! De menigte des hemelse heirlegers mocht er van zingen: Ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen ! Kom en zie! En o, daar mochten die herders gaan en zien dat Rijsje, die Scheut, Hem aanschouwende met de ogen des geloofs, daar liggende in de kribbe van Bethlehem. Reeds als Kind (hoe klein en teer) lag Hij daar als de Borg voor Zijn volk.

Daar reeds als van God geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Daar lag Hij als (de) JEZUS, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Daar lag Hij in de staat Zijner diepe vernedering, in een kribbe, want er was voor Hem geen plaats in de - herberg, d.i. in des mensen hart van nature. Daar lag Hij als de God-Mens in enigheid des waren Persoons om, groot geworden zijnde, te lijden en te sterven als een, neen, maar als dè Man van smarten, verzocht in krankheid en voor Wien een iegelijk zijn aangezicht zou komen te verbergen.

De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar Hij zou geen rustplaats hebben om Zijn Hoofd neer te leggen. Daar lag Hij als de Christus, als de van God den Vader verordineerde en gezalfde Profeet, Hogepriester en Koning.

Hij zou de Zijnen leren; Zich voor hen Gode onstraffeHjk opofferen; maar ook verlossen en hen in eeuwigheid leiden en beschermen.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Advents - profetie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken