Bekijk het origineel

HET KOMEN TOT CHRISTUS I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET KOMEN TOT CHRISTUS I

8 minuten leestijd

Meditatie

„Niemand kan tot Mij komen, tenzy dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage."

Johannes 6 : 44.

De profeet Jeremia heeft zich in zijn bediening onder Israël, wd duidelijk geopenbaard als een ware godsgezant. Hij was niet des Heeren wijngaard ingeslopen of had zichzelf ingedrongen zoals zovelen deden, gedaan hebben en heden ten dage nog doen en dat met een groot geschreeuw dat de Heere hun geroepen en uitgestoten heeft. Ja, zij menen het ook nog wer-' keüjk van God geroepen te zijn. De ene tekst bij de andere die op dat ambtelijke werk slaat brengen zij dan ten borde, terwijl zij nog nooit het zware gewicht van dat werk gewaar zijn geworden. Zaj hebben nimmer het onmogelijke van dat werk verstaan en de ware nood van des Heeren kerk of wijngaard gevoeld. Zij zullen dan ook nooit als ware priesters des Heeren in de harten van het ware Israël Gods geopenbaard worden, noch in het geweten van hun hoorderen. Dezulken kunnen wel prediken als een Büeam door de algemene verlichting des Geestes en dan nog zuiver rechtzinnig ook, maar ze missen toch de zaligmakende zalvende bedieniag des Geestes. Dan kunnen dezulken wel een geweldige rede afsteken, de waarheid spreken, maar daar gaat totaal niets van uit en het maakt de minste indruk niet op de harten der hoorders en bij Gods ellendige en arme volk stoot het af. Maar bij Jeremia was dat geheel anders waar hij de zalving van de Heilige heeft mogen ontvangen in een ruime mate om de waarheid recht te snijden. Daardoor heeft op de rechte wijze leven en dood, vloek en zegen mogen verkondigen. Het wee voor de godlozen en het wel voor de rechtvaardigen. Denk maar aan Baruch en Ebed-Melech de Moorman in Jer. 39 en 45, daar hij hen in al hun eUende rijk kwam te vertroosten dat zij onder des Heeren oordelen zeker behouden zouden worden en hun ziel als een buit zouden uitdragen. Och, hij heeft Israël', dat door de Heere zo' rijk beweldadigd was. maar vreselijk afhoereerde van hun Weldoener, wat opgeroepen tot ware boetvaardigheid en bekering. Zij hadden zich afgekeerd van de levende God en zich toegekeerd tot de heidense afgoden om die te dienen en deden niet anders dan de Heere tot toorn verwekken. Dienaangaande horen wij zijn boetprediking in hfdst. 3 : 14: „Bekeert u, gij, afkerige kinderen, spreekt de Heere; want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Zion." Hij wijst hen dus in de Naam des Heeren op hun gruwelijke zonden en daarmee op hun hemelhoge schuld die zij maakten en al gemaakt hadden. Door al hun bedreven ongehoorzaamheid en ongerechtigheid hadden zij zich des Heeren gramschap en rechtvaardige straf dubbel waardig gemaakt, en werden daarom met recht afkerige kinderen genaamd.

Maar de Heere spreekt tegelijkerrijd door de mond van Zijn knecht van Zijn eeuwige liefde en trouw omtrent hen, daarin dat Hij hun God is en zij Zijn volk zijn. Hij wijst hen op de nauwe verbintenis tussen Hem en zulke afhoereerders, want Hij noemt hen nog kinderen en dat Hij hen getrouwd heeft. Dus Hij is hun Man en zij Zijn vrouw. Hij heeft dus het mannelijk recht over haar om Hem te dienen. Hem zich in alles te onderwerpen en in liefdesgemeenschap, in genadige afzondering met Hem te leven. Die afkerige kinderen die in vrare boetvaardigheid met een waar schuldbesef wederkeren die zal Hij niet laten verloren gaan. Dezulken zal Hij Zijn verbondstrouw en verbondsUefde schenken. O, dezulken zal Hij nooit verstoten hoe rechtvaardig dat zij dat ook verdiend hebben, maar Hij zal ze gewisselijk aannemen en wederbrengen te Zion, tot hunlieder blijdschap en Zijn verheerlijking. Maar dat rijn er niet zovelen die dat grote voorrecht geschonken worden, daar Jeremia spreekt van één uit een stad en twee uit een geslacht die te Zion gebracht zullen worden. Hij zal dus het overblijfsel der verkiezing in genade behouden en brengen tot de gemeenschap Zijner kerk, afgebeeld door Zion, want Hij brengt hen in het koninkrijk der hemelen. Zo wordt ons hier ook weer duidelijk voorgehouden het vrije soevereine Godswerk naar het vrije van Zijn eeuwig welbehagen in het zaligen van Zijn uitverkoren kerk. Want hoevelen dat er ook door de uitwendige roeping geroepen worden, door middel van het Woord, het geldt te allen tijde; weinigen zijn er uitverkoren. Hij heeft Zijn beminde Bruidskerk al getrouwd van eeuwigheid en is door een huwelijksverbond met Zijn volk verenigd. O, al voor dat zij onder het juk der dienstbaarheid kwam, heeft Hij haar in liefde ondertrouwd en is zij van eeuwigheid de Zijne. Zij zijn afkerige kinderen geworden door eigen schuld in Adams rampzalige val om nooit tot God, hun Schepper en Weldoener weder te keren. Zij zijn ongehoorzame kinderen geworden, opstandige kinderen die met hun staat niet tevreden waren. OnwilÜg om Hem langer te dienen en Zijn wet te gehoorzamen en Zijn gebod, om dan door gehoorzaamheid eeuwig te mogen delen in Zijn volmaakte gemeenschap. O, nu zijn zij in zichzelf aangemerkt kinderen der vervloeking, daar de vloek en toom des Almachtigen Gods ook op hen ligt, want vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen dat geschreven is in het boek der Wet om dat te doen. Gal. 3 : 10. Nu blijft de eis, tot waarachtig wederkeren tot de Heere altijd van kracht daar Hij recht op elk mens heeft om volmaakt voor Hem te leven. Dus lezen wij in Micha 6 : 8: „Hij heeft u bekend gemaakt o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen én weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God } Nu zal Hij Zelf Zijn schapen doen wederkeren, want Hij zal Zelf de Zijnen gaan opzoeken om hen weer in Zijn liefde en gemeenschap te doen delen en alzo tot Zijn kinderen aan te nemen. O, wat predikt hier Jeremia van des Heeren eeuwige vergevende liefde in Christus aan een gans verloren, van God afkerig volk, hetwelk zijn zonden en ongerechtigheden met een hartelijk leedwezen heeft leren kennen en vol smart met hartelijk berouw heeft moeten ondervinden tegen Wien men gezondigd heeft. En Hij zal het als het volk Zijns eigendoms in Christus nooit overgeven, want dat laat Zijn liefde niet toe. Zijn eeuwig verbond en Jezus gerechtigheid niet. Daar heeft Jezus het werk Zijns Vaders voor volbracht en een volkomen voldoening voor teweeggebracht. Hij heeft vol brandende liefde tot de eer Zijns Vaders en zaligheid der Zijnen gewerkt, veelmeer dan Jakob voor Rachel, totdat hun gehele koopschat betaald was, Gods recht verheerlijkt en het volkomen rantsoen was aangebracht. Nu gaat Hij ze door Zijn Geest in het uurtje van Zijn welbehagen zoeken om hen bekend te maken dat zij tegen de Heere hun God overtreden hebben. Dat zij in smartelijke zielsbevinding zullen verstaan dat de kroon huns hoofds is afgevallen omdat zij zo gezondigd hebben. De kroon van heerlijkheid daar zij dan gaan ondervinden dat zij Gods heerlijkheid derven (Rom, 3 : 23). Dat

zij de kroon van macht verloren hebben om ooit Gode meer te behagen, want zonder het geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Hij zal hen ook brengen tot de kennis van Hem, van Zijn toom en ook van Zijn liefde om in die vergevende liefde te mogen delen en derzelver zoetigheid te mogen smaken enkel uit genade. Ja, om hen te doen ondervinden dat Hij zijn toom niet in eeuwigheid zal behouden (vers 12). Hier wordt ook gepredikt de gewisse behoudenis van hen en dat Hij hen Zelf zal brengen in Zion, niet alleen in Zijn kerk maar ook in het hemelse Jeruzalem, dat menigmaal met de naam Zion wordt benoemd. Die vastigheid ligt in God Drieënig Zelf en in het eeuwige verbond der genade en daarom zegt de Heere hier: „En zal u brengen te Zion." Zo zal Hij al de Zijnen, als afkerige kinderen, langs wonderlijke wegen, zaligen, en volkomen reinigen van al hun zonden. Ja, Hij zal hen uiteindelijk na veel strijd, wederwaardigheden en verdrukkingen doen ingaan in het hemelse Zion en doen aanzitten aan de bmiloft des Lams. Nu van dat eenzijdige Godswerk in het zaligen Zijner uitverkorenen heeft de Heere Jezus ook eenmaal gepredikt in Zijn omwandeling op de aarde waar wij een wijle tijds uw aandacht bij wensen te bepalen naar aanleiding van ons tekstwoord wat u vindt opgetekend in het Evangelie van Johannes en daarvan het 6e hoofdstuk, het 44ste vers, waar des Heeren Woord aldus luidt:

„Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die My gezonden heeft, hem trékke; en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage."

Ons tekstwoord handeld over:

Het komen tot Christus.

Wij bepalen u bij:

1. Het onmogelijke van dat komen.

2. De wijze van dat komen.

3. Het doel met dat komen.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977

De Wachter Sions | 8 Pagina's

HET KOMEN TOT CHRISTUS I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken