Bekijk het origineel

Paulus en de lichamelijke oefening

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Paulus en de lichamelijke oefening

9 minuten leestijd

Het lijkt langzamerhand niet overbodig, mede naar aanleiding van vragen, die ons recent weer gesteld werden, eens een duidelijk antwoord te geven in de kwestie, wat de apostel Paulus bedoelde, toen hij schreef: „Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut" (1 Tim. 4:8). Telkens weer kan men beluisteren, hoe deze woorden aangehaald worden in gesprekken over gymnastiek en sportbeoefening. Een tegenstander van de sport pirobeert zijn standpunt dan kracht bij te zetten door het woord van de apostel aan te halen: „Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot aUe dingen nut". Waarop dan de andere partij pleegt te antwoorden door erop te wijzen, dat de apostel spreekt van weinig nut, dus toch nog wel een beetje.

Het is onze stellige overtuiging, dat Paulus, toen hij deze woorden schreef, de sport in het geheel niet op het oog gehad heeft. In onze tijd denken wij, als wij de uitdrukking „lichamelijke oefening" horen, onmiddellijk aan gymnastiek en sport. Dat komt, omdat wij ons het vak „lichamelijke oefening" van de school herinneren. Maar het zal, naar ik vermoed, nog maar hooguit een honderd jaar zijn, dat de uitdrukking „lichamelijke oefening" in deze zin wordt gebezigd. In ieder geval was het in de tijd, dat onze hooggeachte Statenvertalers de woorden van Paulus in de Nederlandse taal overzetten, zeker niet zo, dat men bij „lichamelijke oefening" direct aan sport en spel dacht.

Wij kunnen bij onze Statenvertalers goed in de leer gaan, als wij wiUen weten, wat de betekenis is van de woorden van de apostel. Men geeft in onze tijd wel hoog op van alle vorderingen, die de wetenschap gemaakt zou hebben sinds de Statenvertalers, maar wanneer wij de Schriftverklaring raadplegen, die zij in hun kanttekeningen geven, dan treft ons telkens weer, hoe zij met weinige woorden de zaken zo trefzeker en meestal nog immer onovertroffen weten te verklaren. (Al waren de Statenvertalers natuurlijk niet onfeilbaar. Dat is de nieuwste laster, die over de bestuursleden van de Gereformeerde Bijbelstichting wordt verspreid. Niemand onzer heeft ooit beweerd, dat de Statenvertalers door de Heilige Geest geïnspireerd zijn geweest, evenals de bijbelschrijvers zelf. Wel zijn zij door de Heilige Geest rijkelijk geïllumineerd (verlicht) geweest in hun arbeid. Blijkbaar moet deze laster over de GBS dienen als verontschuldiging bij voorbaat, dat men van andere zijde niet geschroomd heeft om de Statenvertaling niet aUeen te moderniseren in taalgebruik, maar ook metterdaad te veranderen, kennelijk met de bedoeling het werk van de Statenvertalers te verbeteren, zie Psalm 89 : 20, „tot Uw heiligen"

in plaats van „van Uw heilige", Gen. 34 : 25 „In de zorgeloze stad" in plaats van „stoutelijk in de stad" enz. En als wij dit opmerken, is dat niet uit afgoderij met de tekst van de Statenvertaling, zoals men ons wel weer voor de voeten zal gooien, maar omdat een commissie zonder enige kerkelijke opdracht ten enenmale het recht mist, om de kerk stillekens alternatieve vertalingen van sommige bijbelteksten op te dringen'. Onder de oude schrijvers zijn er ook wel geweest, die soms op goede gronden aan een nevenvertaling, in de kanttekening genoemd, de voorkeur gaven, maar nooit hadden zij de brutaliteit, om zonder kerkelijke toestemming de Statenbijbel op zo'n punt te veranderen.)

Men vergunne ons deze afdwaling. Keren wij terug tot 1 Timotheüs 4:8. Onlangs stond in zeker blad te lezen, dat de kanttekening hier twee opvattingen geeft. Ter keuze blijkbaar. En in dat artikel wordt vervolgens één opvatting geciteerd, namelijk: „Hieronder verstaan sommigen de oefening van hen, die om de prijs streden met worstelen, lopen en anderszins, gelijk het Griekse woord gymnasia soms betekent, waardoor maar enige lichamelijke weldaad werd verkregen."

Maar daarmede is de kanttekening wel zeer onvolledig geciteerd en juist op het beslissende punt afgebroken. Want de kanttekening vervolgt na het aangehaalde: „maar alzo Paulus hier handelt van zaken, die de godsdienst aangaan, zo verstaan anderen dit beter van enige oefening des lichaams, waardoor het getemd of getuchtigd wordt, gelijk er is vasten, waken, onthouding van enige spijzen, of kledingen, anderszins geoorloofd. Van deze zegt dan de apostel, dat zij wel enige nuttigheid kunnen hebben, maar nochtans weinig ten aanzien van de godzaligheid zelf, omdat die ook kunnen misbruikt worden, en in bijgelovigheid verkeren, gelijk Paulus getuigt. Kol. 2 : 23, maar de godzaligheid is Gode altijd aangenaam en tot alles dienstig."

De Statenvertalers geven dus maar niet twee opvattingen naar believen van de lezer. Zij doen zelf duidelijk een keuze: „zo verstaan anderen dit beter". De opvatting, dat Paulus in deze tekst over sport zou schrijven, wordt door de Statenvertalers afgewezen,

Matthew Henry geeft ook aUeen maar deze verklaring: „zich onthouden van spijzen en van huwelijk en dergelijke, ofschoon ze doorgaan voor daden van kruisiging des vleses en van zelfverloochening, geven weinig nut en dienen tot niets."

De Statenvertalers verwijzen zowel in de genoemde kanttekening, als in de verwijstekst, naar Kolossenzen 2 : 23. Niemand zal daar aan sport kunnen denken, als daar gesproken wordt van „het lichaam niet te sparen", hetgeen de apostel dan noemt „doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging des vleses".

Er staat letterlijk in Kolossenzen „kastijding van het lichaam" en in 1 Timotheüs „oefening van het lichaam". Het gaat in beide teksten over vasten, huwelijksonthouding e.d., zoals de kanttekening aangeeft. Deze praktijken werden door bepaalde Joodse richtingen, zoals de Essenen, voorgestaan. Deze dwalingen waren ook de Christelijke gemeenten bitmengeslopen, zoals in Kollosse en ook Timotheüs had ermee te maken. Tegen deze dwaalgeesten keert zich de apostel. Men leze in beide hoofdstukken de voorafgaande verzen maar. Bij de Kolossenzen ging het onder meer om spijze en drank en raak niet en smaak niet en roer niet aan, welke dingen aUe ver­ derven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen. En zo had Timotheüs te maken met verleidende geesten, „verbiedende te huwen, gebiedende van bepaalde spijzen te onthouden" enz..

Zeker kan het voor het lichaam enig nut hebben, sober te leven, geen vlees noch wijn te gebruiken (daarover ging het die Joodse richtingen voornamelijk volgens Josephus), maar zodra men de godsdienst erbij gaat betrekken, «dan zijn het dingen die verderven en die slechts dienen tot verzadiging des vleses (Kol. 2 : 22, 23).

Paulus vermaant Timotheüs: Oefen (hier staat in het Grieks hetzelfde woord) uzelven tot godzaligheid. Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut. '£|> ip.

Wat bedoelt de apostel nu met „tot weinig nut"? Toch nog een beetje nut, zoals de verdedigers van de sport wiUen ? Dan zou de apostel zichzelf tegenspreken, want alweer worden we verwezen naar Kolossenzen 2 : 23: niet in enige waarde.

Met sportbeoefening heeft dit alles niets te maken. Nu bracht de schrijver van het genoemde artikel zichzelf overigens wel danig in de knoop. Hij voelde blijkbaar zelf wel aan, dat hij maar kwalijk 1 Timotheüs 4 : 8 helemaal uit het verband van de tekst kon rukken en zo helemaal niet kon laten slaan op de godsdienstige praktijken van lichaamsvèrachting. Daarom probeerde hij een ander te combineren en schreef hij, dat „bovendien sportevenementen oudtijds in het kader van de dienst der goden stonden". Men moet zich dat eens even indenken. In dienst der goden dus. Welke goden ? De afgoden. Heidense afgoden ! En dat zou Paulus niet veroordeeld hebben ? Dat zou hij toch nog als een beetje nuttig hebben beschouwd ? Enigszins als een weldaad hebben gezien ? Heidense afgodendienst ? Wie zal dat geloven ?

De Statenvertalers veroordelen niet, zo lezen wij. Noch worstelen, lopen en dergelijke worden veroordeeld. Doch zij taxeren het profijt als „enige lichamelijke weldaad". Dus wel uitdrukkelijk weldaad. Aldus het bedoelde artikel. Wij wezen er al op, dat dit nu juist niet door de Statenvertalers gezegd wordt, maar dat dit het gevoelen van „sommigen" is, wier opvatting door de Statenvertalers niet gevolgd wordt. Maar nog afgezien daarvan, hecht de schrijver veel te zware betekenis aan het woord „weldaad". Als ik bij voorbeeld voor ontspanning zou gaan zwemmen, zou dat voor mijn lichaam wellicht een zekere weldaad kunnen zijn. Maar is het daarom goed ? Die weldaad zou, Redelijk bezien, nog wel eens glad verkeerd kunnen zijn. Met geen mogelijkheid kan men dus aan 1 Timotheüs 4 : 8 enige grond ontlenen, om de sportbeoefening te verdedigen. Overigens bevat deze tekst naar onze stellige overtuiging ook geen argument tegen de sport. Want Paulus bedoelde met hchamelijke oefening heel wat anders dan de hedendaagse sport en gymnastiek. En daarom zou het goed zijn, als deze tekst nimmermeer in de gesprekken over dit onderwerp aangehaald werd.

Maar ds. Zandt dan ? In genoemd artikel wordt de partijrede van ds. Zandt uit 1960 aangehaald. En ook bij andere gelegenheid is dit jaar uit de genoemde partijrede van ds. Zandt geciteerd en wel deze woorden: „Wij willen hierbij allerminst tekort doen aan de uitspraak van de apostel Paulus, dat de lichamelijke oefening weinig nut heeft, en veroordelen daarom ook niet alle lichamelijke oefening - deze kan voor de gezondheid of voor ontspanning na drukte, ingespannen werkzaamheden nuttig zijn - doch wij dienen het woord van de apostel niet uit het oog te verliezen, dat zij van weinig nut is."

Onzes inziens heeft ds. Zandt hier te snel, op het gevoel afgaande, het woord van Paulus erbij gehaald. Maar voor de rest kunnen wij het met deze uitspraak van ds. Zandt volkomen eens zijn. Want natuurlijk is er niets op tegen om b.v. een stevige wandeling te maken. En ook gaat het niet aan, om de mensen te verbieden zekere lichamelijke oefening te doen, voor de gezondheid of voor ontspanning na drukke, ingespannen werkzaamheden. Maar dat heeft uiteraard nog niets met de tegenwoordige wedstrijdsport te maken.

En het is onbegrijpelijk dat deze woorden van ds. Zandt nu gebruikt zijn, om aangenomen te krijgen, dat sportbeoefening onder bepaalde voorwaarden gesubsidieerd kan worden. Wij achten ons verplicht aan de nagedachtenis van ds. Zandt, duidelijk in het licht te stellen, dat de gedachte daaraan hem verre geweest is, ook in zijn partijrede in 1960.

Want in dezelfde partijrede, VIER REGELS EERDER, zegt ds. Zandt letterlijk het volgende: „Zo valt in deze dan te constateren, dat zelfs voorstanders van het particulier initiatief hier de hulp van Vaderje Staat inroepen in een zaak, die hun na aan het hart ligt, namelijk de sport. Daarvoor moet dan de staat ook maar weer bijspringen met zijn hulp. Men vraagt zich af waar de staat tenslotte al niet goed voor is. De sport dient zichzelf te kunnen bedruipen. Haar beoefenaars en liefhebbers moeten deze zelf bekostigen en daarbij niet de hulp van de staat inroepen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1978

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Paulus en de lichamelijke oefening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1978

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken