Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hopende en Uitziende

8 minuten leestijd

Romeinen 1:19 en 20.

“Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.

Want zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.”

HOPENDE: De apostel gaat nu in het bijzonder met de heidenen als voorbeeld aantonen, dat de van God afgevallen mens in het zoeken van een gerechtigheid buiten de gerechtigheid des Middelaars, de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt. En zo blijft de toorn Gods op hem rusten. De apostel zegt echter, dat die toorn Gods wordt geopenbaard. Dat wijst er ons op, dat de van God afgevallen mens verantwoordelijk staat voor wat hij doet. De toorn Gods rust op hem, zoals hij als een van God afgevallen schepsel van zijn Maker gescheiden leeft. Maar die van God afgevallen mens blijft verantwoordelijk voor al zijn daden, daar hij toch een redelijk schepsel is, ook na zijn val. Als redelijk schepsel is hij met verstand en wil begiftigd. En hoewel zijn verstand door de zonde verduisterd is en zijn wil geheel verkeerd is, zo blijft hij als redelijk schepsel toch verantwoordelijk voor al zijn daden. En te meer is hij verantwoordelijk, als hij onder het licht van het Evangelie mag leven. De Heere geeft hem Zijn geopenbaarde wil duidelijk te kennen in Zijn Woord. Als men nu de waarheid, zoals de Heere die in Zijn Woord geopenbaard heeft, in ongerechtigheid ten onder houdt, doet men dat toch als redelijk schepsel, met verstand en wil begiftigd. Als redelijk schepsel is men van de dieren als redeloze schepselen onderscheiden, alsook van de levenloze schepselen, zoals zon, maan en sterren, hoe groot en heerlijk die schepselen ook zijn. En daarom zijn ook zelfs de heidenen niet te verontschuldigen, zoals de apostel nu gaat aantonen. Zo zegt hij dus nu in het 19e vers: "Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard".

UITZIENDE: Het gedeelte van Gods Woord, dat we nu willen gaan bespreken, heeft ons voor deze tijd wel zeer veel te zeggen. En terwijl we dit nu gaan bespreken, bekruipt me de vrees, dat, als dit gesprek in het licht komt, er voor ons wel eens moeilijkheden door kunnen ontstaan. We mogen straks niet meer openlijk zeggen wat Gods Woord ons leert. Toch zal ik niet kunnen verzwijgen wat Gods Woord ons doet weten aangaande de gruwelijke zonden die thans worden bedreven. Maar wat zullen de gevolgen daarvan zijn?

HOPENDE: Och vriend, ik zie wat dat betreft de tijd waarin we leven en de toekomst die we tegemoet gaan, ook maar zeer donker in. De waarheid van Gods Woord moet in ongerechtigheid ten onder worden gehouden. Maar de toorn Gods zal zich daarover van de hemel openbaren. De heidense zonden, die door de apostel in dit hoofdstuk worden genoemd, worden nu onder de godsdienst vrij bedreven. En men mag er niets meer van zeggen, want dat is discriminerend. De Heere geve ons echter genade om de waarheid van Zijn Woord niet te verzwijgen. Zouden we die verzwijgen, terwijl we kunnen zien hoe de toorn Gods over al de ongerechtigheden die bedreven worden, zich gaat openbaren? De wereld is vol beroering. Elk ogenblik kan de spanning die er nu reeds heerst, tot een volle uitbarsting komen. Men grijpt al naar de chemische wapenen. Welke verwoestingen zullen daardoor worden aangericht.

En het is zeker waar, dat de Heere de teugels van het wereldbestuur in handen heeft en houdt, maar Hij zal dan ook Zijn hoge Godsregering tonen, als Hij door het gebruik van de meest afschrikwekkende wapenen, de ongerechtigheden gaat bezoeken, al zal men daarin ook niet verder kunnen gaan dan dat Hij het toelaat.

UITZIENDE: Och vriend, we hebben al jarenlang met elkaar over de dreigende oordelen Gods gesproken. We hebben dat gedaan aan de hand van het boek der Openbaring en ook aan de hand van de profetieën van het Oude Verbond, in het bijzonder van de profetie van Daniël. En nu zijn we er ongemerkt toe gekomen om de zendbrief van de apostel aan de Romeinen met elkaar te bespreken. In die zendbrief zal in het bijzonder de zuivere leer van de rechtvaardigmaking onze aandacht vragen. Maar nu in de inleiding tot dat onderwerp, worden we bepaald bij iets wat ons voor deze tijd zeer veel te zeggen heeft. De Heere geve ons getrouwmakende genade, om de waarheid van Zijn Woord ook niet ten onder te houden, want al houden we die waarheid niet in ongerechtigheid ten onder, zo kunnen we die waarheid ook ten onder houden door ze te verzwijgen, omdat we voor de gevolgen vrezen als we die waarheid niet verzwijgen.

HOPENDE: We hopen dus Gods Woord maar te laten spreken. De apostel spreekt hier over hetgeen van God kennelijk is. Deze tekst is voor ons een bewijsplaats voor de natuurlijke Godskennis, zoals die ook bij de heidenen is te vinden. Die heidenen leven buiten Gods Woord, maar in hun afgoderij en beeldendienst geven zij er het duidelijk bewijs van, dat zij geloven in een Godsbestaan. De atheïst of de Godloochenaar wil van het Godsbestaan niet weten. Maar de loochening van het Godsbestaan is meer een wensen dan een dadelijk geloven dat er geen God is, zoals Hellenbroek ons in zijn vragenboekje leert. Wat er op het ogenblik gebeurt in een communistisch land als Rusland, geeft ons zeer veel te denken. Bijna een eeuw lang heeft het communisme daar een overheersende macht gehad en is er een geslacht opgegroeid en ondergegaan met een leven in de miskenning van het Godsbestaan in diepe armoede. En dat, omdat men het zo goed krijgt, als men het Godsbestaan miskent! Wat is de mens toch een dwaas! Gods Woord zegt het ook, dat de dwaas in zijn hart zegt: "daar is geen God". De wijzen die er onder de heidenen waren hebben er in hun geschriften een duidelijk getuigenis van gegeven, dat zij levende buiten Gods Woord, toch in het bestaan van een God geloofden. Als de apostel spreekt over het kennelijke Gods, dan wijst hij niet alleen op de inwendige of ingeschapen kennis, maar ook op de uitwendige of verkregen kennis, want hij laat er op volgen: "Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Het kennelijke Gods is dus de ingeschapen kennis of het aangeboren bewustzijn van het Godsbestaan. Maar die ingeschapen kennis wordt versterkt door de uitwendige of verkregen kennis, die we halen uit de schepselen buiten ons. Elk kind komt met Godskennis in de wereld. Al zou niemand ooit met zo'n kind bij het opgroeien over het Godsbestaan spreken, dan zou zo'n kind uit zich zelf gaan denken: Zou er niet een God bestaan? En in die gedachte wordt zo'n kind gesterkt door het aanschouwen van de grootheid Gods, zoals die zich openbaart in het rijk der natuur. De heidenen hebben dus zulk een ingeschapen kennis, die versterkt wordt door de uitwendige of verkregen kennis. Maar daar zij buiten Gods Woord leven, weten zij niet wie de ware God is. Daarom buigen zij zich neder voor hun afgoden. Die afgoden zijn het werk van 's mensen handen.

UITZIENDE: Daarin is dus duidelijk te zien wie de mens door de val geworden is. Hij buigt zich neder voor een god die hij zelf gemaakt heeft. Dus eigenlijk buigt hij zich neer voor de god van zijn eigen ik. Hij is van God afgevallen en zichzelf toegevallen, Maar die goden waar die heidenen zich voor nederbuigen hebben toch voor hen een bijzonder gezag. Ze erkennen dus dat er een hogere macht boven hen is, al weten ze niet hoeveel goden er zijn. Ze zijn polj^heïsten of veelgodendienaars. Maar ze vrezen ook voor de wraak der goden, want die natuurlijke Godskennis brengt met zich mee, dat er ook afdrukken zijn van de Wet Gods. Ze hebben een consciëntie die hen beschuldigd als zij het kwade bedrijven.

HOPENDE: Maar daarom wijst de apostel er ook op dat zij niet té verontschuldigen zijn. God heeft zoveel van Zichzelf hun geopenbaard, dat zij ook verantwoordelijk zijn voor hun zondige daden. Hij heeft zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid duidelijk in het rijk der natuur geopenbaard. Neen, God heeft Zich niet geopenbaard in de natuur, zoals Hij in werkelijkheid is. God is een oneindig Wezen en hoe zou de mens tot de volmaaktheid toe God kunnen kennen. Daarbij kunnen de heidenen uit de natuur nooit weten dat God drieënig is en dat er een weg der zaligheid in Christus voor een gevallen Adamskind geopend is. God openbaart alleen Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid in schepping en onderhouding. Dus kunnen de heidenen wel weten dat Hij eeuwig, almachtig, wijs, heilig en goed is. We hopen hier nog wel wat van te mogen zeggen. Dit alleen willen we u nog onderstrepen, dat zij niet te verontschuldigen zullen zijn. Als ze voor Gods rechterstoel geplaatst zullen worden, zullen ze niet kunnen zeggen: Ik wist niet dat er een God was. Alle mond zal gestopt zijn, want de ganse wereld is voor God verdoemelijk. We moeten het er nu weer bij laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken