Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hopende en Uitziende

8 minuten leestijd

Romeinen 1 : 21.

Omdat zij God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.

HOPENDE: an de heidenen wordt hier dus gezegd, dat zij God kennen. De vorige keer hebben we al met elkaar over die natuurlijke Godskennis gesproken. Die natuurlijke Godskennis bestaat allereerst in een aangeboren bewustzijn van het Godsbestaan. Dat is de inwendige of ingeschapen kennis. Die inwendige of ingeschapen kennis wordt versterkt door de uitwendige of verkregen kennis, die men haalt uit de schepselen buiten zich. Zo heeft de apostel in het vorige vers gezegd: Want Zijn onzienlijke dingen wordenvan de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Er is over die schepselen die ons de eeuwige kracht en Goddelijkheid van de schepper doen aanschouwen, nog wel heel wat te zeggen. We kunnen daar natuurlijk niet uitvoerig over gaan spreken, want wat is er in het rijk der natuur al niet door ons te zien. De Heere Zelf zegt in Jes. 40 : 26: Heft uw ogen op omhoog en ziet. Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept vanwege de grootheid zijner krachten en omdat hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist". Alle schepselen die we voor onze ogen zien, wijzen ons op de grootheid en de almacht Gods. Die schepselen kunnen er uit zichzelf niet zijn. Ze moeten noodzakelijk door God geschapen zijn en nog onderhouden worden. Als we onze ogen opheffen naar omhoog, dan zien we al genoeg van de grootheid Gods. Zon, maan en sterren kunnen er uit zichzelf niet zijn gekomen. Welk een groot schepsel is toch de zon! Maar ook de sterren zijn zeer groot. En ze zijn ook ver van elkaar verwijderd. Zogenaamd ongelovige sterrenkundigen moeten erkennen dat we wel een eeuwigheid nodig zouden hebben, als we met een toestel door het gehele luchtruim zouden gaan, van ster tot ster, gezien ook de afstand die er is tussen ster en ster. Hoe dwaas is toch de mens, als hij trots zulke tastbare bewijzen van het Godsbestaan, toch dat Godsbestaan durft te blijven loochenen. UITZIENDE: aarin is dan toch wel duidelijk te zien, wat de gevallen staat is van de mens. Hellenbroek zegt ons, dat het miskennen van het Godsbestaan meer een wensen dan een dadelijk geloven is dat er geen God is. Maar daarin openbaart zich dan ook de vijandschap van de gevallen mens tegenover zijn Schepper. Och vriend, het is nooit te zeggen wie de mens door zijn diepe val geworden is. Al moet hij wel erkennen dat er een God moet zijn, hij wil het niet erkennen. U hebt zoeven gewezen op het luchtruim. En zeker, de grootheid Gods, die zich daarin ook in het bijzonder openbaart, moet de mens wel tot de erkenning brengen van het Godsbestaan. Maar verder denken we aan de zee en het droge, aan de bergen en de dalen, aan de rivieren, aan de vogels en de vissen, aan de bomen en de planten, ja aan de grote verscheidenheid van dieren die er is, kortom, te veel om alles op te noemen en daar nu uitgebreid in ons gesprek aandacht aan te geven. De natuurkundigen hebben al heel wat geschreven over de wonderen die door ons in het rijk der natuur zijn te aanschouwen. Nogmaals, wat is de mens toch diep gevallen en welk een hater is hij toch van zijn Schepper geworden, als hij trots zulke duidelijke bewijzen van het Godsbestaan, toch dat Godsbestaan blijft loochenen en ontkennen. Maar vriend, ik kan me boven die Godloochenaars ook weer niet verheffen. De loochening van het Godsbestaan is in ons aller hart te vinden. Het bedenken des vleses is enkel vijandschap tegen God. Ik moet dat altijd nog zo bij mezelf waarnemen. U ook?

HOPENDE: Och vriend, we behoeven de atheïst niet zover te zoeken. De atheïst leeft uit wat wij moeten inleven. En als we niet anders dan wat uitwendige godsdienst hebben, dan kunnen we het Godsbestaan wel erkennen, maar toch in zoveel dingen betonen, dat we er geen rekening mee houden. De uitwendige godsdienstige mens openbaart wel dat de vreze Gods gemist wordt. Daarom kan er met godsdienst altijd zoveel bij door. En ook dit behoeven we niet buiten onszelf te zoeken. Och vriend, ik wenste wel dat ik toch wat meer met de ware kinderlijke vreze Gods bedeeld mocht zijn. En daarom geloof ik, dat de tekst die nu in het bijzonder onze aandacht vraagt, ons ook heel wat te zeggen heeft. "Omdat zij God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt". De apostel zegt dit in het bijzonder van de heidenen. Zij zullen ook niet te verontschuldigen zijn, daar zij een natuurlijke Godskennis hebben en al de schepselen ze toegeroepen hebben dat er een God is. Die ze zouden moeten zoeken en vereren. Voor niet één mens zal er dus iets tot zijn verontschuldiging over kunnen blijven. Alle mond is gestopt. De ganse wereld is voor God verdoemelijk. Bij de gevallen mens is er geen rechte erkenning van zijn Schepper meer te vinden. Al wordt men dagelijks met vele weldaden overladen, God krijgt er de eer niet voor die Hem toekomt. Zo is de mens een zeer ondankbaar schepsel door de val geworden. En nu behoeven we echt uitwendig geen heiden te zijn, om die ondankbaarheid ook bij onszelf te vinden. Van de heidenen wordt hier dus door de apostel gezegd, dat zij God kennende, Hem niet als God hebben verheerlijkt of gedankt. Met die kennis van God, die bij de heidenen te vinden is, wordt dus een natuurlijke Godskennis bedoeld. Maar als er nu een zaligmakende Godskennis zal mogen zijn, hoe droevig is het dan toch ook wel, als God door ons niet als God wordt verheerlijkt en gedankt.

UITZIENDE: Vriend, ik ben toch zo'n ondankbaar schepsel. U raakt nu werkelijk wel een snaar bij me aan, die me de mond openbreekt. Ik behoef het murmurerende Israël niet buiten mezelf te zoeken. Als ik vroeger als kind hoorde vertellen hoe dat volk gedurig zo gemurmureerd heeft in de woestijn; dan werd ik boos op dat volk. En dan kon ik wel begrijpen dat de Heere door die murmureringen gedurig tot toorn werd verwekt. Maar nu moet ik me maar steeds meer verwonderen over de verdraagzaamheid Gods, als ik mezelf als zo'n murmureerder over de wereld zie gaan. Het is nog niet zolang geleden, dat het me aangreep, wat de dichter in de 95e Psalm van Israël zegt. Hij besluit die Psalm met te zeggen: "Veertig jaar heb ik verdriet gehad aan dit geslacht en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart; en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!" Dat zegt de Heere daar dus door de mond van de dichter. Dat moest hij van Israël zeggen. En wat moet Hij van ons zeggen? Ge moogt het wel van me weten, dat het ernstige woord waarmee die Psalm besluit, wel even me het ergste voor mezelf deed vrezen. De apostel zegt: "En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof'. O dat ongeloof! Het doet me toch zoveel kwaad! Het doet al de blijken van Gods goedertierenheid en trouwe zorg over ons miskennen. Dus niet anders dan ondankbaarheid is er bij ons te vinden, althans bij mij. HOPENDE: Bij Jozua en Kaleb mocht er wel een andere geest te vinden zijn dan bij dat murmurerende volk, maar ik denk dat ze toch ook zichzelf wel niet boven hun volk hebben kunnen verheffen. En als de Heere ons doet weten wie we zijn, waartoe Hij Zijn beproevende hand voor ons gebruikt, dan zullen we ons ook zeker niet boven de heidenen kunnen verheffen. De apostel is bezig om de gevallen staat van de mens bloot te leggen. Dat moeten we niet uit het oog verliezen. In de Romeinenbrief zal hij het leerstuk van de rechtvaardigmaking des zondaars zonder de werken der wet, alleen uit vrije genade, door het geloof in Christus, alleen op grond van Zijn gerechtigheid, zeer duidelijk en krachtig aan het licht brengen en verdedigen. Daarom neemt hij nu deze aanloop om tot zijn doel te komen. Hij zal er in het bijzonder ook in de volgende hoofdstukken op gaan wijzen, hoe Joden en heidenen in hun natuurstaat aa, n elkaar gelijk zijn. Daarom zal er voor niet één mens een andere weg tot de zaligheid overblijven dan de weg van vrije genade.

UITZIENDE: Nu, ik kan wel zeggen, dat de leer van vrije genade me toch steeds dierbaarder is geworden. Als we gerechtvaardigd worden, dan worden we als een goddeloze gerechtvaardigd. Er is geen gerechtigheid in ons, die voor God in aanmerking kan komen. HOPENDE: En in die wetenschap mogen we dan toch van de vrome Jood en van de blinde heiden onderscheiden zijn. De apostel zegt nog van de heidenen, dat zij verijdeld zijn geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. De volgende keer hopen we dat nog te bespreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken