Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hopende en Uitziende

9 minuten leestijd

Romeinen 1 : 25 en 26.

Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen. Daarom heeft hen God overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature.

HOPENDE: God heeft de mens eenmaal geschapen tot Zijn eer. Door zijn diepe val is de mens echter een onteerder van zijn Schepper geworden. De apostel heeft aangetoond hoe dit bij de heidenen duidelijk openbaar gekomen is. Met de natuurlijke Godskennis die zij nog mogen bezitten, hebben zij God niet verheerlijkt en gedankt. Zij hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten. Maar daar zij God nu niet hebben geëerd, heeft God ze overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren. De mens die dus zijn Schepper niet eert, wordt door de Schepper aan een ontering van zichzelf overgeven. Dat leert de apostel ons hier dus.

UITZIENDE: De gruwelijke zonde waarover de apostel nu gaat spreken, wordt dus een ontering van zichzelf genoemd. En dat zeer terecht! De mens onteert zijn lichaam in de zonde van hoererij. Zeker ook wel, als men die vreselijke zonde bedrijft, zoals in deze tijd zoveel gebeurt, binnen de graden van een te nauwe bloedverwantschap. Hoe onteert men toch zichzelf als men ontucht pleegt met eigen kinderen, zoals we daar nu steeds van horen. Met die ontering van zichzelf onteert hij echter ook de Schepper. Die mens die als een beelddrager God is geschapen tot eer van zijn Schepper, Die zulk een heerlijk schepsel voortbracht, onteert nu op een vreselijke wijze zijn Schepper, door zich aan zulke vuile, lage lusten over te geven. Maar welk een vreselijk oordeel haalt hij zich daarmee dan ook op de hals! Wel heeft de apostel gezegd, dat God de mens overgeeft aan die onreine begeerlijkheden, maar dat omdat men ook de Schepper zo onteerd heeft door Hem aan het viervoetige en kruipende gedierte gelijk te stellen. Daarom zegt de apostel nu: "Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen".

HOPENDE: Al zijn de heidenen dus van de Waarheid van Gods Woord vervreemd, het licht van de natuurlijke Godskennis kan hen toch doen weten, dat God heel wat meer moet zijn dan viervoetige en kruipende gedierten. En zo kan dan toch ook van de heidenen gezegd worden, dat zij de waarheid Gods hebben veranderd in de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper. Er zou over de dwaze en belachelijke dingen waartoe de heidenen gekomen zijn, nog heel wat gezegd kunnen worden. Waar is men met zijn waarzeggerij en wichelarij al niet toe gekomen! Men is met het licht van de natuurlijke Godskennis dus geheel en al een weg van leugen en bedrog ingegaan. En die eenmaal een weg der ongerechtigheid betreedt, gaat daarin al verder en komt van de ene zonde tot de andere zonde. En dat ook naar een rechtvaardig oordeel Gods. Wat de heidenen hierin bedrijven, doen zij ook als redelijke schepselen. En de apostel heeft ook niet voor niets over wijzen gesproken. De heidense wijsgeren, die in hun geschriften duidelijke blijken hebben gegeven van hun bewustzijn van het Godsbestaan, zijn met die wijsheid een weg ingegaan waarin zij de Schepper op een verschrikkelijke wijze hebben onteerd. Als God ze al gevolg daarvan heeft overgegeven aan het doen van dingen die niet betamen en waarmee zij zichzelf onteren, dan heeft Hij daarin naar recht gehandeld. Ze hebben het schepsel geëerd en gediend' boven Hem als de Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid.

UITZIENDE: Ik vind het toch wel een opmerkelijke uitspraak van de apostel, die we hier vinden in deze tekst. We voelen zomaar aan, hoe de apostel het in al wat hij schrijft, het voor de eer van de Schepper opneemt. Ik geloof ook, dat we steeds maar in het oog moeten houden waar de apostel heen wil in de Romeinenbrief. Wat de apostel nu schrijft over de heidenen, kan ons misschien wat minder aantrekken, omdat we liefst maar bij de bevindelijke

Waarheid bepaald willen worden, maar voor de zuivere bevindelijke Waarheid moet er altijd eerst een goede grondslag worden gelegd. En die wordt alleen dan gelegd, als de mens op het diepst vernederd wordt en als hij in zijn gevallen staat wordt neergezet zoals die waarlijk is. En dan wordt ook niet verzwegen hoe God de mens geschapen heeft. Daarom wordt er zo over God gesproken in de tekst als de Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid.

Och vriend, het geeft me toch zoveel te denken, als de apostel hier spreekt over een eren en dienen van het schepsel boven de Schepper. We worden daarmee gewezen op ons aller diepe val. De mens als een schepsel Gods heeft de Schepper gelijk willen zijn, ja, hij heeft eigenlijk boven de Schepper willen staan, want hij wilde van Zijn gezag ontslagen zijn. Dat brengt de apostel hier met deze woorden tot uitdrukking. God is te prijzen in der eeuwigheid. In de verheerlijking Gods was de hoogste gelukzaligheid voor de mens te vinden in de staat der rechtheid. Hem te eren en te dienen, betekende geen slavernij, geen harde en ondragelijke dienstbaarheid. De mens mocht zijn Schepper gewillig dienen en eren en daarin zijn hoogste gelukzaligheid vinden. Door genade mag men er weer wat van weten, dat in het gewillig dienen van God de zaligheid voor de ziel te vinden is. De apostel zegt van de heidenen, dat zij het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper. Ze hebben daarin dus hun gevallen staat duidelijk geopenbaard. Maar in die gevallen staat is er geen onderscheid tussen die heidenen en ons. Och vriend, ik kan niet boven die heidenen uitkomen! Steeds maar weer vind ik hetzelfde bij me, als wat de apostel hier van de heidenen zegt. Ik wil altijd maar dat Gods wil aan mijn wil onderworpen zal zijn. En zo doe ik niet anders dan het schepsel, namelijk mezelf, eren en dienen boven de Schepper. En zo betoon ik daarin ook welk een eerrover Gods ik ben. Maar in zulk een eren van mezelf boven de Schepper, is er voor de ziel niet anders te vinden dan duisternis en ellende. Als ik aan de zijde Gods mag komen, komt mijn ziel recht in haar element. Gods wil boven mijn wil te stellen. Zijn eer boven mijn eer te stellen, is alleen de zaligheid. De Schepper is te prijzen in der eeuwigheid.

HOPENDE: De apostel zegt er ook nog amen achter. Waarlijk, God is het waard om boven alle schepselen geëerd, gediend en geprezen te worden. En als u nu even met enkele woorden uw gedachten over deze tekst gezegd hebt, zeg ik daar ook hartelijk amen op. O vriend, dat is toch de lust en de begeerte van het nieuwe leven geworden, om die Schepper te eren en te vrezen. Hij is te prijzen in der eeuwigheid, al was er geen hemel of hel. Maar als we er nu ook nog eens over denken, hoe die Schepper Zich in dat herscheppende genadewerk heeft willen verheerlijken, dan moet het ons toch zeker wel tot smart en schaamte zijn, als we zo weinig tot eer van die Schepper leven. Als Hij de mens weer herschept naar Zijn beeld, dan heeft Hij daarmee toch ook niet anders ten doel, dan dat het schepsel weer aan het oogmerk van de schepping zal beantwoorden. Ja, nog in een meerdere mate, daar Hij dat gevallen schepsel uit loutere vrije genade weer uit die ellendige staat heeft willen oprichten. Daartoe heeft Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem aan de diepste vernedering en aan het smartelijkste lijden naar ziel en, lichaam overgegeven. Zou zo'n God niet te prijzen zijn in der eeuwigheid? En nu kan ik in aansluiting op wat u zoeven hebt gezegd, ook nog wel weer verder hierop doorgaan. Een eeuwig wonder is het, als die Schepper nu weer naar Zijn schepsel vraagt. En dan naar zo'n schepsel dat niet anders meer kan doen dan het schepsel eren boven de Schepper en alzo in zo'n diep ellendige staat verkeert. In die staat kan hij niet anders dan gans walgelijk in het oog van zijn Schepper zijn. En toch wil de Schepper uit eeuwige liefde Zich over zo'n schepsel ontfermen. Dierbare genade-weldaden wil Hij aan dat schepsel bewijzen. Als ik hierover spreek, moet ik denken aan wat we dienaangaande in Ezechiël 16 beschreven kunnen vinden. Daar lezen we, hoe Hij de mens vindt op het vlakke des velds. Zijn navel is niet afgesneden, hij is niet met water gewassen, niet met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Maar daar wil de Schepper Zich in een levendmakende daad verheerlijken. Maar meer, want Hij wil Zijn vleugel uitbreiden over die mens die naakt en bloot is, zodat hij weer volmaakt is in schoonheid door de heerlijkheid die zijn Schepper weer op hem gelegd heeft. Maar nu moet Hij tot die mens zeggen: "Daarom, o hoer, hoor des Heeren woord". Vriend, als zo'n mens toch tot de zaligheid zal komen, dan blijft er waarlijk niet anders over dan: "De Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen." We hebben niet verder kunnen komen dan het 25e vers. De volgende keer hopen we dus met het 26e vers verder te gaan, waaraan we dan wellicht ook het volgende kunnen verbinden, als de apostelen daar verschrikkelijke dingen van de heidenen zegt, die ons echter voor deze tijd ook genoeg, hebben te zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken