Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hopende en Uitziende

7 minuten leestijd

Romeinen 3 : 28.

Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

HOPENDE: De hoofdzaak waar de apostel in geheel de Romeinenbrief ons op wil wijzen, vinden we in de tekst die we nu voor ons hebben, kort samengevat. De rechtvaardigmaking van de goddeloze en doemwaardige zondaar, is een rechtvaardigmaking door het geloof en niet door de werken der wet. In het vorige vers heeft de apostel over de wet des geloofs gesproken. De leer des geloofs heeft hij daarmee bedoeld. Maar niet zonder reden heeft hij daarover gesproken als de wet des geloofs. Er is geen andere weg tot de zaligheid dan door het geloof in Christus. Dat geloof is dus noodzakelijk en onmisbaar. Na de verzoeking in de woestijn heeft Christus Zijn openbare bediening aangevangen. En we lezen dan zo in Markus 1: "En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods. En zeggende: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie". En in Johannes 6 waar we de eerste wonderbare spijziging van een grote schare beschreven vinden, lezen we dat Jezus op Zichzelf is gaan wijzen als het Brood des levens. Men heeft aan Hem gevraagd: "Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? " En daarop heeft Jezus geantwoord: "Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft". Het ware geloof drijft de ziel uit zichzelf uit en doet haar een gerechtigheid buiten zichzelf zoeken. Die gerechtigheid is de gerechtigheid die door de Zoon van God is aangebracht. Buiten die gerechtigheid valt alles voor God als waardeloos weg, maar buiten die gerechtigheid wordt ook alles waardeloos voor de ziel. Dus hier komen geen werken der wet meer in aanmerking. We worden door de werken zalig of we worden door genade zalig. De genade nu is een onverdiende genade. Het is, zoals de tekst zegt, de mens, die deze genade ontvangt. Aan gevallen engelen wordt ze niet bewezen. Ze heeft de gevallen mens tot voorwerp. En wat voor mens we nu ook zijn, Jood of heiden, dat maakt hier geen onderscheid, zoals de apostel duidelijk heeft aangetoond.

UITZIENDE: Och vriend, dat is me toch zo tot blijdschap. Als ik er als een vrome Jood moest komen, kwam ik er echt niet. Maar nu geldt het zalig worden een goddeloze Jood, zowel als een goddeloze heiden. Dus al is men een Jood, men moet een goddeloze worden. De apostel Paulus, die deze zendbrief heeft geschreven, is ons daarin tot een duidelijk voorbeeld. Hij heeft zich de voornaamste der zondaren genoemd. En hij heeft gezegd, dat het een getrouw woord is en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken. Als een mens geen zondaar was, had Christus niet in de wereld behoeven te komen. Maar nu moest de Zoon van God mens worden en in diepe armoede en vernedering geboren worden, omdat de mens zo diep gevallen is. De apostel houdt ons in de Romeinenbrief duidelijk onze gevallen staat voor ogen. Daar wordt wat overheen geredeneerd in de prediking van velen. Men is daar juist in zijn onzuiverheid in de leer aan te kennen. De verschrikkelijke val en bondsbreuk in Adam wordt verzwegen. Och, een mens die geen ontdekking heeft, kent zichzelf niet. Hij kent Adam niet en zo kent hij ook Christus niet. Er wordt wat op een vrome wijze over Jezus gespro­ ken in het verzwijgen van wie en wat de mens in Adam geworden is. Maar och vriend, hoe ouder ik word, hoe meer ik Adam leer kennen en hoe meer ik ga zien wie ik in Adam geworden ben. Waarlijk, er is geen goed werk meer bij de gevallen mens te vinden. Men is onnut en stinkende. Het is voor het vlees niet aangenaam om daar steeds meer achter te moeten komen. We moeten dan ook goed zien, waarom de apostel het woord vlees gedurig gebruikt. Het volgende hoofdstuk zal hij beginnen met de vraag: "Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vlees? " Christus is ook wel vlees geworden, want dat was nodig tot verlossing van de gevallen mens, maar Zijn vlees was onzondig vlees. In ons vlees woont totaal niets goeds. Het is een pijnlijke ervaring, om daar steeds maar meer achter te moeten komen. Maar de genade Gods wordt door die weg toch zoveel te dierbaarder. En altijd maar weer is die genade Gods toch zo verborgen voor de ziel. Als men de kracht van het verdorven vlees moet waarnemen, dan moet men tot de ontdekking komen, dat men niet alleen een gans verdorven natuur, maar ook een werkheilige natuur omdraagt. Die werkheilige natuur doet de mens altijd een weg zoeken buiten de fontein die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinigheid. En zo moet hij dan ook zo beschuldigd en veroordeeld in zichzelf over de wereld gaan. Zo zijn de dagen der duisternis vele. Er gaat immers geen dag voorbij, waarin het boze vlees niet op de een of andere wijze aan het woord is. Maar het zich wenden tot de bloedfontein is geen dagelijks werk. Ja, we weten wel, dat door het bloed verzoening zal moeten worden gedaan over onze schuld, maar het geloof waarover de apostel spreekt, is echt niet elke dag in de beoefening.

HOPENDE: Dit is door u wel heel juist opgemerkt. De apostel zegt hier immers: "Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet". Zonder het oefenende geloof deelt de ziel niet in de vrucht of de bate des geloofs. Het geloof moet dus werkzaam zijn. Het ongeloof blijft aan het eigen werk verkleefd zitten. Maar het geloof richt zich op de genade. Altijd echter weer moet dat geloof ons geschonken worden. Het geloven is geen dagelijks werk. Men moet geloven wat men niet begrijpen kan. En als men nu die vuile modderpoel van binnen waarneemt, is er toch niets wonderlijker dan dat de genade Gods veel krachtiger en overvloediger is dan de kracht der inklevende verdorvenheid en de veelheid en de grootheid van de schuld. Maar och vriend, als de Heere dat de ziel weer eens doet ondervinden, dan is dat toch zo verrassend en meevallend voor de ziel. Waarlijk, we vallen onszelf wel steeds meer tegen, maar God valt steeds meer mee.

UITZIENDE: Vriend, het is uit mijn hart, wat u nu zegt. Ik wil toch altijd maar liever als een godzalig mens over de wereld gaan dan als een arme zondaar. Maar daarom is het ook dikwijls zo duister voor mijn ziel. Ik kan steeds maar niet zien dat dit nu de weg tot het leven is. Daarom gaat het bij mij meer op de hel dan op de hemel aan. Maar als de Heere nu weer eens betoont, dat Hij met zulk een mens Zich gunstrijk in wil laten, dan gebeurt er iedere keer weer iets waar ik niet meer op heb kunnen rekenen. Maar dat versje uit de oude berijming van Datheen is voor mij dan toch ook wel zo'n dierbaar versje geworden. Het is het zevende versje van Psalm 103. Dat lees ik u even voor.

Gelijk een vader hem pleegt te erbarmen Over zijn kind, zo wil hem God ontfarmen Over hen, die Hem vrezen in 't gemein. Wat de mense zij, dat bekent de Heere; Hij weet ook wel, dat wij, vol van onere. Niet anders zijn dan stof en stank onrein.

HOPENDE: Dat is waarlijk een dierbaar versje. Vriend, er blijft niet anders over dan om met de apostel te zeggen: "Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken