Bekijk het origineel

Terzijde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Terzijde

6 minuten leestijd

Ondertrouw

Wij maken in onze cultuur onderscheid tussen verloving en ondertrouw. Vroeger kende men dat onderscheid niet.

Bij ons is de verloving, dat men zich aan elkaar verbindt door een wederzijdse trouwbelofte. Verloven en beloven horen taalkundig dicht bij elkaar. Het voorvoegsel ver-heeft de betekenis van een versterking. Verloven heeft de oorspronkelijke betekenis van "iets extra plechtig beloven". Vroeger kende men in onze taal het woord "verlofte", dat wil zeggen een extra plechtige belofte of gelofte.

"Ondertrouwen" had oudtijds dezelfde betekenis: onderling (dat is het voorvoegsel "onder-"), dus aan elkaar een trouwbelofte geven.

Later is dat in onze cultuur uit elkaar gegaan: verloven bleef een familie-aangelegenheid; ondertrouw werd de aanduiding van de officiële aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van het voornemen om met elkaar een huwelijk aan te gaan.

In bijbelse tijd kende men dat onderscheid tussen verloving en ondertrouw ook niet. Verloving/ondertrouw was in Israël een familie-aangelegenheid, zij het wel met een officieel en verbindend karakter. Omdat dat alleen in de familie plaatsvond, zouden we dat nu eerder verloving noemen. Maar de Statenvertalers, die leefden in de tijd dat verloven en in ondertrouw gaan twee aanduidingen waren van dezelfde zaak, hebben in onze Bijbel steeds het woord "ondertrouw" gebruikt. Daaruit blijkt wel het gewicht van de verloving in Israël.

Voor de verloving/ondertrouw kent het Hebreeuws een speciaal werkwoord: ras, dat elfmaal in het Oude Testament voorkomt. Ex. 22:16. Deut. 20:7; 22:23, 25, 27, 28; 28:30. 2 Sam. 3:14. Hos. 2:18 (2x) en 19. In het Nieuwe Testament vinden we het daarmee overeenkomende Griekse werkwoord in Matth. 1:18. Luk. 1:27; 2:5. In Israël was de verloving het sluiten van de huwelijksovereenkomst. De verlovingstijd of de tijd van ondertrouw was dan de tijd na het sluiten van de huwelijksovereenkomst, voordat de bruid haar intrek nam in het huis van haar man. Die tijd kon zeer variëren, al naar gelang van de omstandigheden. We lezen zelfs dat er zeven jaar verliepen tussen het sluiten van de huwelijksovereenkomst en het trouwen zelfbij Jakob (Gen. 29:15 - 21).

De verloving/ondertrouw had dus een officieel karakter en ook juridische gevolgen. Een belangrijk element daarin was, dat de verloofde aan de vader van het meisje een som geld gaf, de mohar of bruidsschat. Gen. 34:12. Ex. 22:16, 17.1 Sam. 18:23, 25. Bij de verloving werd het bedrag afgesproken en ook onmiddellijk betaald.

Overigens wordt aangenomen, dat de vader alleen het vruchtgebruik van de bruidsschat kreeg en dat het geld uiteindelijk toch toekwam aan zijn dochter, na zijn dood, bij de verdeling van de erfenis. Zo zou ook te verklaren zijn, wat Rachel en Lea zeiden van hun vader "en hij heeft ook steeds ons geld verteerd" (Gen. 31:15).

Wel te onderscheiden van het geven van de bruidsschat was het gebruik, dat bij de inwilliging van het huwelijksaanzoek de aanstaande bruid en haar familieleden geschenken kregen van de zijde van de aanstaande bruidegom (Gen. 24:53). Zie over de bruidsschat en deze geschenken kanttekening 20 op Genesis 34.

In plaats van de bruidsschat kwam het ook wel voor, dat de man een bepaalde dienst verrichtte, zoals Jakob met Laban overeenkwam (Gen. 29:18). Iets dergelijks lezen we ook bij het huwelijk van David met Michal (1 Sam. 18:25). Gebruikelijker was evenwel de bruidsschat.

Hoelang de verlovingstijd duurde, kon verschillend zijn. Soms werd het bij de verloving vastgelegd, zodat Jakob na zeven jaar zeggen kon "mijn dagen zijn vervuld dat ik tot haar inga" (Gen. 29:21). Zo lezen we ook over Davids verloving met Merab "Het geschiedde nu ten tijde als men Merab aan David geven zou" (1 Sam. 18:19, en dat is tevens een voorbeeld van een verbroken verloving), en even verder in dat hoofdstuk over zijn verloving met Michal: de dagen waren nog niet vervuld" (vers 26), kanttek.: te weten die dagen die bestemd waren om de bruiloft te houden”.

We schreven al, dat de verloving juridische gevolgen had. Op de dag dat David zich met Michal verloofde, zeide Saul: "Gij zult heden mijn schoonzoon worden." Hoewel het meisje in het ouderlijk huis bleef en het hebben van gemeenschap volstrekt verboden was, gaf de verloving onder Israël reeds rechten en plichten van het huwelijk.

Een pasgetrouwde man was het eerste jaar van zijn huwelijk vrijgesteld van militaire dienst, maar datzelfde voorrecht gold ook mannen in ondertrouw (Deut. 20:7; vergelijk Deut. 24:5).

Zo laat ook Deut. 22:22 - 30 zien, dat in situaties als daar beschreven, een "jongedochter die een maagd is, ondertrouwd aan een man" principieel anders behandeld werd als een "jongedochter die een maagd is, dewelke niet ondertrouwd is". De eerste werd op gelijke wijze behandeld als een getrouwde vrouw en moest dan ook gestenigd worden met haar verleider (tenzij haar onschuld zonneklaar was). Al was ze nog niet getrouwd, toch wordt ze daar al genoemd "zijns naasten vrouw" (vers 24).

Dat laatste vinden we ook met betrekking tot Jozef en Maria. Als ze nog niet getrouwd waren, werd Jozef reeds de man van Maria genoemd, en zeide de engel tot Jozef "Maria, uw vrouw" (Matth. 1:19, 20). Ook daaruit blijkt, dat in de verloving/ondertrouw man en vrouw de huwelijksrechten en huwelijksplichten elkaar reeds definitief toezegden en aanvaardden.

Zie ook Num. 30:6 met kanttek. 13: met een man vastelijk beloofd of getrouwd"; ook de verloofde staat reeds onder het gebied van haar man.

Overigens lezen we nergens dat een verloving niet verbroken mocht worden. De onverbrekelijkheid ligt pas in het "tot één vlees zijn”.

De eigenlijke huwelijksplechtigheid bestond daarin, dat de man zijn vrouw "tot zich nam", zoals dat zo eenvoudig uitgedrukt is in het woord van de engel, Matth. 1:20. Plechtig kwam de bruidegom met zijn vrienden naar het ouderlijk huis van zijn bruid, waar zij met haar metgezellinnen op hem wachtte om door hem geleid te worden naar zijn woning.

De echtverbintenis geschiedde dan door de vader van de bruid, met opmaking van een huwelijkscontract. We vinden dat beschreven in het apocriefe boek Tobias 7:12 - 17: aguël (de vader van de bruid) zeide (tot Tobias, de bruidegom): Neemt ze van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder en zij is uw zuster. En de barmhartige God brenge ulieden alle goeds toe." En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader. En nemende haar bij de hand, gaf hij haar aan Tobias tot een vrouw en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader." En hij zegende haar. En hij riep Edna zijn vrouw en nam een boekje en schreef een handschrift en verzegelde dat. En zij begonnen te eten.

Dat bruiloftsfeest kon wel zeven dagen duren (Gen. 29:27. Richt. 14:12).

Het leek nuttig, eens uiteen te zetten, hoe dat in oud-Israël toeging. Niet dat dat in alles ons richtsnoer nog zou moeten zijn. Het gebeurde toen alles in de familiekring, zonder burgerlijke stand en zonder kerkelijke huwelijksbevestiging. Maar van blijvend belang is 1. de zware betekenis van de verloving en 2. dat telkens uitdrukkelijk van maagd gesproken blijft tot de eigenlijke huwelijksdag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Terzijde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken