Bekijk het origineel

Terzijde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Terzijde

6 minuten leestijd

Auto (5)

Wie het eenzijdige Godswerk in de bekering handhaaft, kan erop rekenen, dat hij ervan beschuldigt wordt, dat hij geen recht doet aan de verantwoordelijkheid van de mens. Alsook dat hij een geestdrijver is, die de mens als een stok of blok aanmerkt en geen rekening houdt met de werking van het Woord Gods als het van Hem verordineerde middel der bekering. Zo eindigden we de laatste maal. Tegen een dergelijk verwijt moesten die van Emden zich ook verweren. Daar willen we thans op ingaan.

In hun 34ste stelling poneren zij, dat de remonstranten beweerden, dat "met deze onze leer de dwaling der enthusiasten bevestigd wordt". Geenszins, zo is hun antwoord op deze beschuldiging, "want het gebruik van de dienst wordt geenszins uitgesloten, maar wordt hier als een bijzonder instrument Gods naar Zijn instelling vereist". "God gebruikt het hart en de wil van de mens in zijn bekering niet zoals de boze geesten de leden der bezetenen gebruiken. En de wil van de mens moet niet in een stok of blok veranderd worden", zo heet het in stelling 35.

Wat is de gronddwaling van de enthusiasten of geestdrijvers? "Dat zij, zonder aan te merken op wat orde God Zichzelf en Zijn goederen ons in dit leven mededeelt, verkeerd en goddeloos die dingen van elkander scheiden die samengevoegd behoren te zijn, te weten de uiterlijke dienst en de innerlijke werking van de Zone Gods en de Heilige Geest” (st. 36).

We krijgen zo al een indruk, wat zij in stelling 34 bedoelden met "het gebruik van de dienst", hier nader aangeduid als "de uiterlijke dienst". Dat wordt duidelijker in stelling 37: "Want God trekt ons tot zich, niet alleen door de innerlijke roeping, maar nodigt ons ook door de uiterlijke roeping tot Zijn gemeenschap. En beide roepingen hebben twee trappen, welke wij, om dit des te beter te openen, hier zullen bijvoegen.”

Van de uiterlijke roeping zeggen zij dan, dat deze geschiedt door het boek der natuur en des schepsels tot alle mensen, of door het boek der Schriftuur, en dan niet tot alle mensen, maar alleen tot die­ genen die God verwaardigt alzo te roepen. Dat zijn dus de twee trappen in de uiterlijke roeping. De eerste trap is genoegzaam om de mensen alle onschuld te benemen, maar niet genoegzaam tot bekering. De tweede, de roeping door de Schriftuur, is wel genoegzaam tot bekering, echter alleen indien deze gepaard gaat met "de genade der inwendige beweging of trekking, zonder welke de Schriftuur verklaart onmogelijk te zijn, dat iemand zou bekeerd worden en tot Christus kunnen komen, Joh. 6 : 44. Matth. 7:18"(st. 38).

De remonstranten beweerden, dat er in de opvatting der gereformeerden eigenlijk geen plaats, althans geen betekenisvolle plaats in de weg der bekering meer kon overblijven voor de uiterlijke roeping, ofwel de uiterlijke dienst. Zij beweerden, "dat God in deze mening het Evangelie niet doet prediken, de mensen uiterlijk roepen, enz., opdat deze middelen zouden zijn door welke Hij sommigen van hen tot het leven zou brengen." Als alles zo zou aankomen op het inwendige werk des Geestes in de harten der uitverkorenen, waartoe zou dan de uiterlijke dienst nog nodig zijn? Maar in die hoek lieten die van Emden zich niet drijven. Zij antwoordden kortweg op deze beschuldiging: "De Schrift leert het tegenovergestelde, Rom. 10:14, 17. Hand. 16:9, 10; 18:9, 10” (st. 40).

Vervolgens spreken zij over de inwendige roeping: "41. De inwendige roeping heeft ook twee trappen. De eerste is de genade der verlichting, waardoor de mensen de wil Gods en de weg der zaligheid geleerd worden te kennen en te verstaan. Want deze is niet (het deel) van alle mensen, maar van sommigen, van een deel van wie Petrus zegt: Het ware hun beter dat zij de weg der waarheid niet gekend hadden, 2 Petr. 2:21. En Paulus, Hebr. 6:4: Die eenmaal verlicht zijn geweest en daarna vervallen, enz. Deze genade nu is genoegzaam tot beneming van onschuld, maar geenszins tot bekering, zonder de andere en voornaamste trap der roeping.

42. De andere trap der inwendige roeping is de genade der vernieuwing door de Geest, Die de wil en het hart wederbaart, welke genade niet is een eenvoudige en onbepaalde beweging, maar een krachtige trekking. Joh. 6:4; een bekering, en zij wordt in de Schrift genoemd een nieuwe schepping, 1 Kor. 5:17; wedergeboorte, Joh. 3:3. Deze genade alleen zeggen wij eenvoudig genoegzaam te zijn tot bekering, omdat zij alleen altijd krachtig is. De andere uiterlijke en innerlijke trappen der genade, van welke tevoren gesproken is, zeggen wij alleen genoegzaam te zijn naar zekere wijze." De wijze waarop de Emder leraars hier onderscheiden, is enigszins verwarrend en zou tot een verkeerde conclusie aanleiding kunnen geven. Wij begrijpen wel wat zij bedoelen met die eerste trap van de inwendige roeping; duidelijk geven zij ook aan, dat deze op zichzelf geenszins genoegzaam is tot bekering en dus ook niet zaligmakend kan zijn, en zij passen er ook de waarschuwingen van Petrus en Paulus, als vermeld, op toe. Maar men zou er de conclusie uit kunnen trekken, dat mensen die hebben mogen delen in (de eerste trap van) de inwendige roeping, toch verloren kunnen gaan. Dat zou evenwel in strijd zijn met wat zij eerder in stelling 16 verklaarden van de inwendige roeping, dat zij alleen dengenen toekomt die zalig worden.

Wat zij de eerste trap der inwendige roeping noemen, zouden wij dus ook nog tot de uitwendige roeping willen rekenen. Maar voor hun betoog maakt het verder niet uit; duidelijk stellen zij immers, dat alleen wat zij de tweede trap der inwendige roeping noemen, altijd krachtig werkt tot bekering. Dat is onwederstandelijke genade.

Van de genade in deze tweede trap der inwendige roeping zeggen zij vervolgens: "43. Van deze genade getuigt de Schrift menigmaal. David (Ps. 40:7) verklaart ze door een doorboring der oren, van God gedaan; Christus door oren om te horen (Matth. 13:9. Luk. 8:8) en door trekking van de Vader (Joh. 6:44); Paulus door opening des harten (Hand. 16:14) en door opening der ogen (Hand. 26:18); insgelijks. God heeft het hart Zijns volks besneden (Deut. 30:6); Hij neemt het stenen hart weg en geeft een vlezen (Ez. 11:19; 36:27); Hij neigt de harten tot Zich dat zij in Zijn wegen wandelen (1 Kon. 8:58).”

Nu stemden de remonstranten dit voor een groot gedeelte wel toe. Ook zij beleden dat de wederbarende werking des Geestes zich uitstrekte tot het hart, het verstand, de genegenheden, enz. Maar tegelijk hielden zij vast, "dat de wil zijn vrijheid blijft behouden om de genade Gods aan te nemen of die tegen te staan", zoals die van Emden uit hun geschriften aantonen (st. 45). Alleen zo meenden zij recht te doen aan de verantwoordelijkheid van de mens, die toch geen stok of blok is. Hij zal toch zelf, om met Billy Graham te spreken, het sleuteltje om moeten draaien om de motor te starten, of niet.

De volgende maal willen we het antwoord van de Emder godgeleerden daarop nader onderzoeken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1995

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Terzijde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1995

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken