Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Antwoord per brief

17 minuten leestijd

Geachte mevr. J.C.S. te G.,

U hebt me doen weten dat uw man graag zou zien dat ik eens een brief zal willen schrijven over Psalm 103, de verzen acht en negen, berijmd. Dat zijn bekende verzen voor een ieder, maar ik kan begrijpen dat ze bij het klimmen der jaren, zoals bij uw man ook het geval is, steeds meer indruk op ons gaan maken. Ik laat mezelf dan maar even buiten beschouwing, want zelf heb ik ook een zelfde leeftijd als uw man bereikt. Toch zal ik ook uit mijn eigen innerlijke waarneming vandaan iets over deze verzen moeten gaan schrijven. Het lijkt me dat dit niet geheel ongepast is, daar ik dit schrijven in ons blad zal willen doen opnemen als ik bijna een bijzondere mijlpaal in mijn leven heb bereikt. Het kan ook zijn dat dit schrijven nog geplaatst zal worden, als ik die mijlpaal nog net niet heb bereikt. Ik houd daar dus in dit schrijven rekening mee, dat die mogelijkheid niet uitgesloten is.

We hebben geheel de 103e Psalm als een loflied te zien. We beluisteren in geheel die Psalm een roem in de grote goedertierenheid des Heeren. Die goedertierenheid strekt zich uit van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen. En dat onverdiend van 's mensen zijde. Daarom laat de dichter in dat loflied ineens dat getuigenis er zo tussenvallen: "Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn". En dan volgt daarop in de onberijmde Psalm: "De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer”.

Uw man heeft gevraagd of ik over de berijmde Psalm zal willen schrijven. Nu wordt in onze gemeenten de berijming van 1773, maar ook die van Datheen gezongen. De inhoud komt echter op hetzelfde neer. Ik kan begrijpen echter, dat bij het zingen van die Psalm de inhoud soms nog wel wat meer indruk op ons maakt dan het lezen van de woorden in de onberijmde Psalm. Bij mij is dat vanzelf ook wel het geval.

Maar ik moet nu toch in dit schrijven proberen om in het bijzonder op de inhoud van de woorden in te gaan. Als men oud geworden is, gaat men de werkelijkheid van wat de dichter getuigt van de kortstondigheid van het leven meer inzien dan dat dit in de dagen der jonkheid het geval is. "De jeugd en de jonkheid is ijdelheid", zoals het boek Prediker ons doet weten. Als ik dit schrijf, kan ik ook niet laten om de wens uit te spreken, dat de jonge mensen ook dit gebrekvolle geschrijf van een oud man zullen willen lezen en ter harte nemen. Ook in de dagen onzer jonkheid kan het einde van ons leven al gekomen zijn. De rouwadvertenties in de dagbladen laten ons dat ook wel weten. Ze vermelden ons dat door een ernstig ongeval een jong mens plotseling uit het leven is weggenomen. Ook moeten velen al jong de dood aandoen na een ernstige ziekte. En als zulk een sterfgeval in de naaste familie voorkomt, dan kan dat ook wel een diepe indruk voor enige tijd nalaten op de overlevenden, maar ik zie wel dat ook het tegenovergestelde veelal het geval is, vooral in deze lichtzinnige tijd. De kinderen uit hetzelfde gezin waarin vader of moeder, of broer of zuster jong door de dood zijn weggenomen, gaan verder soms weer in ijdelheid hun weg. Zo leeft men dan over de ernstigste en aangrijpendste roepstemmen maar weer zorgeloos heen.

O, wat is de mens toch een ellendig schepsel door zijn diepe val geworden! Het sterven, dus de tijdelijke dood, is gevolg van de zondeval die ons in Genesis 3 beschreven staat. Maar de mens heeft zich in die val ook in een geestelijke doodstaat neergestort. En die geestelijke doodstaat openbaart zich toch ook wel duidelijk door met de werkelijkheid van wat we door de zonde onderworpen zijn, geen rekening te houden. Als de Heere echter Zijn algemene genade steeds meer in gaat houden, wat in deze tijd ook zeker wel het geval is, dan openbaart de mens zijn geestelijke doodstaat ook nog te meer, door in onverschilligheid zijn eigen weg te blijven gaan, trots de ernstigste roepstemmen waardoor God Zich ook zo volkomen vrij van de mens maakt.

Maar nu is er een oude man die mij gevraagd heeft om over Psalm 103 iets te schrijven. En deze oude man ken ik ook al vele jaren. Dus weet ik ook wel, dat hij niet nu pas over deze dingen ernstig is gaan denken. Hierin verschilt de ene mens ook nog wel weer van de ander, hoewel dit altijd nog geen bewijs van zaligmakende genade is. Ik weet echter, dat de man die me de vraag stelt, zich dat ook wel bewust is. Maar ik begrijp dat nu in de tijd des ouderdoms de dood als een koning der verschrikking deze man ook steeds meer aan gaat grijnzen. En dan kan hij in de schrijver van deze brief daarin ook wel zijn metgezel vinden. Ook al is het dat men al jong met de dood rekening heeft mogen leren houden en ook in geheel het leven wel de dood zich voor ogen heeft mogen stellen, als men oud geworden is, komt toch de werkelijkheid van het sterven nog wel heel wat meer op de mens aan. Als men nog in het volle leven staat, moet men zich eenmaal inzetten voor het leven van elke dag en het werk dat er is te verrichten. Maar oud geworden zijnde, wordt het leven toch weer zo geheel anders, daar men dan slechts doet waar men nog toe in staat is en verder in de ledige ogenblikken en veelal ook juist in de slapeloze nachten, de gedachten laat gaan over wat achter ligt. Het kan ook zijn dat in de tijd des ouderdoms dat denkvermogen gaat ontbreken. Ook daar dienen we in onze jonge en gezonde dagen wel rekening mee te houden. Maar als de gedachten nog goed mogen zijn, dan zien we terug op het leven dat aan ons voorbij gevlogen is. Hoe zien we dan de waarheid van Gods Woord bevestigd, als dat Woord ons op vele plaatsen hetzelfde laat weten als wat de 103e Psalm ons zegt. Psalm 90 zegt ons immers: "en wij vliegen daarheen". En in die Psalm vinden we ook dezelfde beschrijving van de kortstondigheid van ons leven, als in de 103e Psalm, als die Psalm het leven van de mens ook vergelijkt met het gras, dat in de morgenstond bloeit en des avonds wordt afgesneden en het verdort. Ook Job heeft zo over de kortstondigheid van het leven gesproken, als hij heeft gezegd: "De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw en bestaat niet". En om maar niet meer te noemen, in de zendbrief van de apostel Jacobus kunnen we in hoofdstuk 1 : 10 en 11 hetzelfde lezen. Ook in 1 Petrus 1 : 24 vinden we die zelfde vergelijking van het leven van de mens bij het gras en bij een bloem des velds. Er wordt daar echter door de apostel Petrus nog zo aan toegevoegd: "Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord, dat onder u verkondigd is”.

De waarheid van Gods Woord wordt bevestigd, trots de inspraak van de helse leugenaar, die altijd nog tot ons blijft zeggen: "Gijlieden zult den dood niet sterven". Maar nu zal het nodig zijn, dat we de waarheid van wat God gesproken heeft, eens recht gaan geloven. En och vriend, dan mag de man die aan u zit te schrijven, u wel laten weten wat u en anderen al niet onbekend zal zijn, dat hij al jong heeft leren sterven vóór het sterven. En daarom hebben de woorden uit de 103e Psalm hem ook wel veel te zeggen, als er niet alleen over de kortstondigheid van het leven van de mens wordt gesproken, maar ook over de goedertierenheid des Heeren, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is. Nog zeer jong zijnde, als een kind van zes jaren oud, is het al sterven voor hem geworden, al waren er ook nog geen stervenstekenen uitwendig aanwezig. Maar het heeft de Heere behaagd hem toen al uit een ruisende kuil en modderig slijk op te halen en zich over zijn doodschuldige ziel in een dodelijkst tijdsgewricht liefderijk te ontfermen. Daarin openbaarde zich de goedertierenheid des Heeren al uit de eeuwigheid vandaan en mocht hij zien dat de eeuwigheid er ook voor nodig is om van die goedertierenheid te gewagen.

Zo is dus de goedertierenheid des Heeren van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hoe zal ik nu in een enkele brief daar alles over kunnen schrijven? Dat kan ik in geen honderd brieven. De eeuwigheid zal niet te lang zijn om zich over de goedertierenheid des Heeren te verwonderen. Dat heeft deze man al op zesjarige leeftijd mogen weten en doen zingen in het holle van de nacht: 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.

Dat is een goedertierenheid die God bewijst tot de eeuwige zaligheid der ziel. De Heere betoont aan alle mensen wel Zijn goedertierenheid, maar niet tot zaligheid. De HEERE is aan allen goed en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken. Ps. 145 : 9. God is de Goedheid Zelf en zo kan Hij niet anders dan goed doen, ook als Hij Zijn rechtvaardigheid handhaaft in het straffen der zonde. Maar zo bewijst Hij ook Zijn goedertierenheid in de weg der algemene genade, als Hij vele uitwendige weldaden ook aan de

verworpenen en goddelozen ten deel doet vallen. We hebben daar al een keer over geschreven, dus daar komen we nu niet op terug. Alleen is het wel nodig om erop te wijzen dat die goedertierenheden het oordeel nog zullen verzwaren, als zij ons niet tot bekering leiden. Maar in de weg der bekering strekken die algemene goedertierenheden de ziel ook tot verwondering. Het wordt dan toch zulk een wonder dat men nog niet in de hel ligt en dat de Heere Zijn hand ook in de weg der uitwendige onderhouding nog gedurig opent door zulk een schuldig schepsel nog te voorzien van spijs en drank. Hoe wordt het hart daaronder verbroken, zodat men zijn spijze in die tijd wel nat maakt met zijn tranen. Maar men kan dan ook niet anders zien of die goedertierenheden zullen eeuwig tegen hem getuigen. Toch zullen die goedertierenheden dan toch ook de ziel met een droefheid naar God vervullen en weet men er wat van dat men erkent dat het oordeel Gods over zulk een mens toch zo rechtvaardig zijn zal. De Heere heeft Zich ook door die goedertierenheden zo volkomen vrijgemaakt van zulk een mens. Maar hoe groot wordt dan toch ook het wonder, als de Heere daar zulk een mens doet geloven wat ook de stof van roem mocht zijn voor de dichter van de 103e Psalm. God deed de dichter weten dat Hij met hem naar de zonden niet had willen handelen. Dat deed hem zeggen: "Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheid vergeeft. Die al uw krankheden geneest. Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden”.

Daar wordt wat van gekend door al degenen aan wie de Heere Zijn goedertierenheden op een zaligmakende wijze bewijst. O, dat is toch een zoete zalige tijd in het leven, als men naar de ziel op een gevoelige wijze in die goedertierenheid des Heeren mag delen. Dan ontsluit zich een eeuwige liefde bij God vandaan. En dat zeker, als die weg der verzoening in Christus zo ruim wordt ontsloten. Men weet er ook van hoe men in zulk een tijd zulk een sterke betrekking kreeg op de viering van het sacrament van het Heilig Avondmaal en hoe men onder de viering van dat sacrament zo zalig gesteld was. Dan heeft men ook met een ziel vol verwondering stilzwijgend zo innig mogen instemmen met wat dan uit het Avondmaalsformulier uit die 103e Psalm werd voorgelezen. We weten immers dat in het formulier na het gebruik van het Heilig Avondmaal wordt gezegd: "Geliefden in den Heere, dewijl de Heere nu aan Zijn tafel onze zielen gespijzigd heeft, zo laat ons altezamen Zijn Naam met dankzegging prijzen; en een iegelijk spreke in zijn hart aldus". En dan volgt Psalm 103.

Hoe spreekt die 103e Psalm dan toch uit het leven dat men in zulk een tijd naar de ziel mag smaken. De dichter kon de goedertierenheid des Heeren niet hoog genoeg roemen. En naar de mate dat God de kennis van Zijn schuldvergevende genade in Christus vermeerdert, zal al wat die Psalm zegt van de grote goedertierenheid des Heeren toch zulk een inhoud voor de ziel krijgen. De dichter mocht vol verwondering wegzinken onder de goedertierenheden des Heeren die zijn deel mochten zijn, ook na al de afmakingen zijnerzijds, wat hem deed uitroepen: "Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn”.

Zo is de goedertierenheid des Heeren dus van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen. God heeft soeverein de Zijnen tot de eeuwige zaligheid verkoren, maar dan ook opdat Hij Zich in hen in Zijn goedertierenheid, in volkomen overeenstemming met Zijn gerechtigheid zou verheerlijken. En dat ter onderscheiding van de vaten des toorns, tot het verderf toebereid. In de eeuwige verbondssluiting werd dan ook de weg bepaald waardoor Hij niet ten koste van Zijn recht, maar in de volkomen handhaving daarvan in de borgtocht van Immanuël, Zijn goedertierenheid zeer heerlijk zou doen uitblinken.

Als ik nu daarover schrijf, wil ik toch tegelijk weer eens even opmerkzaam maken op het gruwelijke van een leer waarin God in Zijn soevereiniteit in verkiezing en verwerping wordt aangetast. U weet ongetwijfeld wel wat op heden op godsdienstig terrein plaatsvindt. De leer der voldoening door Christus gegeven, wordt openlijk evenals weleer door Socinus geloochend. En als een professor zijn stelling verdedigt op een S5Tiode, krijgt hij zoveel bijval dat men luidruchtig daarop applaudiseert. Er zijn daarom in de Hervormde Kerk aan de zijde van de Gereformeerde Bond ernstige bezwaren gerezen tegen Samen op Weg. Maar nu wordt bij die bezwaarde mensen onder Gereformeerde naam openlijk de personele voldoening door Christus voor de uitverkorenen opgebracht geloochend. Er zou geen besluit van een eeuwige verwerping zijn. God heeft zondaren uitverkoren, zo beweert men. En zondaren zijn we allemaal, dus hebben we maar te geloven dat wij ook uitverkoren zijn. Als wij dat niet geloven, is de schaduwzijde daarvan de verwerping door God, want dan gaat God ons voorbij omdat wij niet in Christus geloven en dus niet geloven dat wij ook tot die uitverkoren zondaren behoren, althans daar geen acht op geven.

Ik heb de laatste tijd nogal eens aan de geschiedenis van Job moeten denken. Weet u wie de eerste Remonstrant of algemene verzoeningsdrijver was? Dat was de duivel. Hij stelde zich voor het aangezicht des Heeren en sprak openlijk tot God: "U vergist U in Job. U denkt dat Job U vreest en daarvan niet af te keren is. Maar U moet hem alles eens ontnemen wat hij thans bezit, want U hebt een betuining om hem en zijn huis gemaakt en het werk zijner handen rijkelijk gezegend. Als Ge nu Uw hand eens naar hem uitstrekt en aantast alles wat hij heeft, dan zal hij U in Uw aangezicht wel zegenen (vloeken). Dan zal hij wel afscheid van U nemen. U hebt hem uitverkoren omdat U meende dat hij wel in oprechtheid in U zou geloven. Maar daarin hebt U Zich vergist. Het zal blijken dat er bij hem geen volharding is tot het einde toe en dat er dus een afval der heiligen is”.

Ziet ge hoe de leer van Arminius een duivelse leer geweest is? De leer van een verkiezing om een voorgezien geloof en goede werken? God heeft de duivel zijn gang eens laten gaan. Maar Job heeft vastgehouden aan zijn oprechtheid. Hoe kwam dat? Omdat God hem niet verkoren had om een voorgezien geloof of goede werken, maar met een verkiezing die onveranderlijk en onberouwelijk is. O welk een dierbare troostvolle leer is dit toch! "Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen". Ik heb ook openbaar in de gemeenten bij een hulpdienst in een toespraak met het voorbeeld van Job het mijn hoorders aangetoond dat men met de Remonstrantse leer van een verloochening van de verwerping als een eeuwig besluit Gods onder een Gereformeerde naam dus niet anders dan een duivelse leer verkondigt. Maar daartegenover staat nu de troostvolle leer van Gods Woord, zoals we die in de geschiedenis van Job ons voorgesteld zien. Neen, God vergiste Zich niet in Job. Niemand zal de door God verkorenen uit Christus' handen rukken, noch uit de handen Zijns Vaders.

Zo is de goedertierenheid des Heeren over degenen die Hem vrezen van eeuwigheid tot eeuwigheid. En met die vreze des Heeren wordt geen wettische of slaafse vreze bedoeld. Ik kan die ook nog wel genoeg bij mezelf vinden. In de Christinnereis van Bunyan ben ik mijn metgezel in Vreesachtig tegengekomen. Mijn huisgenoten weten wel dat dit mijn metgezel is. Daarom hebben ze me een schilderij op mijn studeerkamer gegeven waarop men Vreesachtig ziet staan met een gebogen hoofd met het hoofd naar beneden en de handen in het haar onder een donkere hemel. Ik moet nogal eens op die schilderij kijken, want ik vind mijn beeld er zo in terug. Voor Vreesachtig werd het toch zulk een wonder, als de poort voor hem zich ontsloot. Maar dan mag Vreesachtig het ook weten wat het zeggen wil dat de goedertierenheid des Heeren ook tot in eeuwigheid is en dan zal hij weten dat hij daar eeuwig de lof aan toe zal brengen.

Dus oude vriend, omdat het nu zo ligt, kan het voor u ook nog. Dan bent u niet te oud en niet te slecht. En Gods gerechtigheid is ook aan kindskinderen. Dat is Zijn trouw en waarheid. Die handhaaft Hij ook in de geslachten. Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken om die te doen. Niet op een drie verbondenmanier. Het verbond der genade kan niet verbroken worden. De uitwendige betrekking waarin de kinderen van belijdende ouders staan tegenover Gods verbond, kan wel verbroken worden. Maar in de middellijke weg in het houden van Gods verbond gaat de getrouwheid Gods door in de geslachten.

Nu breek ik af Ik ken u al vele jaren en ik weet wel waarom u me die vraag middels uw vrouw hebt doen stellen. Ik hoop, als ik zelf nog leef, van u te mogen horen hoe de Heere u uit vrije genade naar de grootheid van Zijn goedertierenheid nog gedachtig is geweest. Dit schrijven heb ik wat gebrekkig onder lichamelijke ongemakken en ook onder kwellingen des geestes nog aan u mogen gereedmaken. Aan de waarheid van de inhoud ervan twijfel ik niet. De Heere zegene u met uw gade in de ouderdom met de zegeningen uit Zijn eeuwig verbond. Hartelijk gegroet en Gode bevolen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1998

De Wachter Sions | 10 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1998

De Wachter Sions | 10 Pagina's

PDF Bekijken